11-11-17

Enkele bronnen over 'peertskeuren' in het Leuvense

1) Coutumes du pays et duché de Brabant: Quartiers de Louvain et de Tirlemont, p. 70-73.

2) Den schat der cheynsen, 1725, p. 46-47.

3) E. POULLET, Les juridictions et la propriété foncière au XVe siècle dans le quartier de Louvain, 1866, p. 26-27.

4) P. KEMPENEERS, Peerdskeur

5) P. KEMPENEERS, Gichtdragers 

12:50 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

01-04-17

De 1000 namen van Satan

Etienne Delacambre heeft minutieus de dossiers van de heksenprocessen in Lotharingen in de 16de-17de eeuw bestudeerd (1). Hij heeft het o.a. over de namen van de duivel, zoals die door de beschuldigden vermeld worden (2). Zie ook De 1000 namen van de Duivel in het graafschap Namen.

Belzeboch, Sathan, Abrahel, Jaulne, Verdelet, Vert-Joly, Vert-Vestu, Parsin, Persin, Percinet, Presinet, Verdelet, Vert-Joly, Verdelot, Jolibois, Saute-BUisson, Maistre Creusson, Marjolaine, Maistre Persy, Maistre Persil, Piercy, Le Vent, Pensée de Femme, Jean de la Plume, Petit Chouchoux, Fixjoujou, Harlequinquin, Maistre Joly, Très-Joly, Xouaillé, Malifis, Maucourant, Mauvaise Caigne, Badouillat, Flentou, Halrlequinquin, Topin, Maistre Pantoufle, Maistre Cercelle, Branquart, Faucillon, Foural, Mullin, Passavant, Rempart, Maistre, Bernard, Bonnot, Colas, Grand-Collas, Collin, DIdier, Dominique, Fremy, Guillemin, Guillot, Henry, Léonard, Martin, Mathelin, Poirsin, Robert, Robin, Romary, Monsieur Bruyères, Gérardmer, Maistre Napnel, Nanel, Maistre Persin, Brice, Maistre Domine, Maistre Follande, Le Grand Follande, Fourquin, Gouda, Hebin, Maistre Houvelat, Maistre Hue, Nidiciti, Maistre Nourre, Ricqua, Sorpy, zum Waltfliegen, Federwursch, Nischt, Schwartzburg

 l

-------------

(1) E. DELCAMBRE, Le concept de la sorcellerie dans le duché de Lorraine au XVIe et au XVIIe siècle, 2 dln., 1948-1949; Les devins-guérisseurs dans la Lorraine ducale, 1951.
(2) ID. o.c., dl. , p. 95-103.

16:14 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De wetten van de magie

Sinds de 19de eeuw hebben etnologen, folkloristen en sociologen getracht systematiek aan te brengen in het geheel van magische geloofsovertuigingen en praktijken (croyances et pratiques/beliefs and practices), en de interne coherentie van het magisch wereldbeeld of universum te achterhalen. Ik denk bv. aan Hubert en Mauss, Esquisse d' une théorie générale de la magie (1902-1903), en aan Arnold van Gennep, de reus van de Franse folklore. Het onderzoek van magische overtuigingen en praktijken bij primitieve volkeren, alsook van de folklore van westerse volkeren in de 19de en eerste helft van de 20ste eeuw, kan via de regressieve methode ons inlichten over het magisch wereldbeeld in het pre-moderne Europa.

Jean Delumeau in zijn Le catholicisme entre Luther et Voltaire (1971, 1ste ed.) geeft een handig overzicht van de wetten of principes van het magisch wereldbeeld. Hij steunt daarbij in hoge mate op het minutieuze onderzoek van Etienne Delcambre van de dossiers van de heksenprocessen in Lotharingen in de 16de-17de eeuw: Le concept de la sorcellerie dans le duché de Lorraine au XVIe et au XVII siècle (dl. 1 en 2), en Les devins-guérisseurs dans la Lorraine ducale (1948-1951).

1. De wet van de overdracht (Loi du contact)
Magiërs kunnen genezen door louter aanrakingen of zelfs door hun adem. Een genezeres dient kruiden toe aan een patiënt, maar het mogen enkel kruiden zijn die in haar eigen tuin groeien. Die kruiden nemen als het ware gedeeltelijk de levenskracht van de genezeres over. Of, een jong meisje heeft geelzucht. Men laat haar de urine van de genezeres drinken, weliswaar vermengd in een taart met boter en honig. De urine is als het ware het voertuig van de mysterieuze kracht van de genezeres. De wet van de overdracht/contact speelt ook bij het geloof  in het 'kwade oog': men gelooft dat er contact is tussen het kwaadaardige fluidum in het oog van de magiër, en de persoon of het ding die 'aangeraakt' worden door de blik.

2. Wet van het gelijkaardige (Loi de similarité)
In het magisch universum komt deze wet het meest voor. Men gelooft dat heksen regen of mist kunnen veroorzaken door het water van een moeras te laten bewegen. Of ze kunnen de graanoogst laten mislukken door de aren met een witte stok te beroeren. Of ze kunnen een man impotent of onvruchtbaar maken door een veter te knopen (de nestel- of veterknoop).

3. Wet van het tegengestelde (Loi du contraste)
Alle vormen van magie hebben gespeculeerd over tegengestelden, bv. koud versus warm, water versus vuur. De notie van antipathie liet toe talloze rituelen van contramagie of onttovering te ontwikkelen. Soms was de wet van het tegengestelde een bijzondere variant van de wet van het gelijkaardige: het kwaad werd met een ander kwaad geneutraliseerd, bv. in geval van een ziekte, die het kwaad vertegenwoordigde, menselijke beenderen aanwenden. Vermits het kadaver en beenderen de kwade kracht van de demon incarneerden, neutraliseerde men het kwaad met een ander kwaad: beide gelijkaardige polen stootten elkaar af.

Marc Therry, in zijn De religieuze beleving bij de leken in het 17de-eeuwse bisdom Brugge (1609-1706), 1988, sluit grotendeels aan bij de ideeën van Delumeau, en andere auteurs, die gelijkaardige noties poneren.

1. Het overdrachtsbeginsel (of de wet van het contact of van de besmetting)
Een ziekte of kwaal kan door louter contact, of door ingewikkelde rituelen, overgedragen worden op een ander mens, dier of  voorwerp. Een tovenaar of heks kan iemand betoveren door een slag of duw te geven. De kracht van bepaalde voorwerpen om het kwaad of ziekte af te weren, bv.  amuletten, kan overgaan op de ruimte, de stal of het huis, of het lichaam waarop het gedragen wordt. Men geloofde dat het dragen van stukjes papier of perkament met vreemde tekens erop, de drager ervan tegen allerlei onheil beschermde.

2. Het analogiebeginsel (of de wet van de gelijkvormigheid)
Het principe dat de beste genezende middelen overeenkomst of gelijkenis vertonen met de kwaal, in vorm, kleur, smaak, geur of andere kenmerken. Bv. het voorschrijven van rode wijn tegen de roode ommeganck, dit is dysenterie of buikloop met bloedverlies.

A. De Cock in zijn Volksgeneeskunde in Vlaanderen, 1891, spreekt enkel over het sympathiebeginsel, een 'gemeenschappelijkheid van gevoel' tussen enerzijds de natuurwezens en anderzijds de lijdende of zieke. Dat geheimzinnig verband kan berusten op oorzaak van de ziekte, uitwerking, naam, aard van de ziekte, etc.

1. De oorzaak
Men kan een hondenbeet genezen door het haar van de hond op de wonde te leggen.

2. De vorm of uitzicht
Bv. gewassen met speen- of knobbelachtige wortels kunnen aambeien genezen.

3. De kleur
Bv. een geelsappig kruid zoals de stinkende gouwe is een middel tegen de geelzucht.

4. De aard of het aantal van de voorwerpen
Drie wortels van de weegbree of het derde stengellid van het ijzerkruid, als thee gebruikt, genezen de driedaagse koorts; vier wortels of het vierde lid, de vierdaagse korts.

5. De naam
De hondsroos en de hondsribbe helen de beten doo dolle honden. Het leverkruid neemt de leverziekte weg. De steenbreke heeft het vermogen nierstenen te verbrijzelen. Men gelooft dat de roos een onfeilbaar middel is ten de huidziekte met dezelfde naam. De marentakken, in de veestal opgehangen, kunnen de 'mare' of de nachtmerrie onschadelijk maken.

6. De geschiedenis
Het verband tussen bepaalde kwalen en bedevaarten, spruit voort uit de eigenschappen en de levensgeschiedenis van de respectieve heiligen.

De samenstellers van de tentoonstelling 'Witte magie, zwarte magie' (ASLKgalerij Brussel, 20 januari-7 mei 1995) wilden het terrein van de magie afgrenzen van het volkse bijgeloof en de gevestigde religie. Genezing van een ziekte kan zowel door religieuze al door magische handelingen nagestreefd worden. Maar in de religie gaat het om een vraag waarover God soeverein beslist, terwijl de magie een bevel is aan de natuurlijke of bovennatuurlijke krachten, dat in hoge mate afhankelijk is van het formalisme van de magische rituelen, en de competentie van de magiër. In beide gevallen wordt een beroep gedaan op bovennatuurlijke krachten. De magiër manipuleert deze krachten, terwijl de religieuze mens zich eraan onderwerpt.

In het magisch denken tussen al wat is, is gebaseerd op twee principes:

1. Het sympathetisch beginsel
Al wat ooit tot een groter geheel behoorde, blijft de eigenschappen ervan bewaren. Iemands afgeknipte haren of vingernagels behouden de eigenschappen van de drager.

2. Het symbolische of analogiebeginsel
Dingen die op elkaar gelijken, beïnvloeden elkaar. Bijvoorbeeld voodoo-poppen.

13:08 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

15-01-17

Misdrijven tegen de goddelijke majesteit: De Damhouder (1555)

VI Van crimen iegens de Goddelicke maiesteit:

  • blasphemie
  • prevaricatie
  • apostasie
  • heresie
  • simonie
  • sortilegie
  • divinacie
  • incantacie

X Apostasie:

  • vanden helighen geloove
  • van obediencie
  • van reghelen
  • wat eist, ende hoese ghepuniert werdt

XI Heresie hoe die ghepuniert wordt

XII Simonie hoe die ghepuniert wordt

XIII Sortilegien, divinatien, incantatien, tooverien: hoe die ghepuniert worden

XIIII Vier manieren van divineren,

  • Geomancie diemen doet in deerde, d. geomanti;
  • Hydromancie diemen doet int watere, d. Hydromanti;
  • Pyromancie diemen doet inden viere d. Pyromanti;
  • Aerimantie diemen doet inden lucht d. Aerimanti

XV Dauteurs van der conste magique zijn gheheeten:

  • Harioli,
  • Haruspices,
  • Sortilegi
  • Augures,
  • Phitonisse
  • Geneliaci (?)
  • Saliotores,
  • Necromantici

-------

Joos de Damhouder, Practycke ende Handbouck in criminele zaeken, Leuven, 1555, p. 82. (online)

22:10 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De 1000 namen van de Duivel

Enkele namen van de duivel, die in de heksenprocessen van het graafschap Namen in de 16de-17de eeuw voorkomen:

Abel, Baltus, Belzébuth, Briat, Castadot, Castadotte, Chantenef, Courtody, Dieudonné, Houzeau, Jacques, Macque, Moreau, Pied-Fendu, Pimpurnette, Plomar, Robinet, Rouge-Bonnet, Verdelette

-----------------
Bron: 

Brouette, La sorcellerie dans le comté de Namur au début de l' époque moderne, in: Annales de la Société Archéologique de Namur, 1954, p. 368-369.

21:21 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

Levende penissen die haver en graan eten: Heksenhamer

De Heksenhamer (1485/86) wordt wel eens één van de gruwelijkste boeken genoemd, die ooit geschreven zijn. Alleen Mein Kampf (1924) is misschien nog gruwelijker.

Ik ga hier niet de geschiedenis van de heksenwaan en van de Malleus Maleficarum uitleggen (zie bv. Wikipedia), maar ik wil hier inzoemen op een bepaald fragment, die de hele waanzin van de demonologische theorie blootlegt. En het tekstfragment werd zelfs in die tijd al belachelijk gemaakt, als een expressie van de morbide, extreme seksfantasieën van hun auteurs, Heinrich Kramer en Jacobus Sprenger.

"En wat moeten we denken over die heksen die op die manier mannelijke organen verzamelen in groten getale, wel zoveel als twintig tot dertig penissen? Ze plaatsen hen in een vogelnest, of sluiten hen op in een doos, waar ze als levende penissen bewegen, en ze eten haver en graan, zoals velen gezien hebben en een zaak van publiek debat is. Er wordt gezegd dat dit alles het werk en de illusie van de duivel is, want de zintuigen van zij die dit zien, worden misleid op de manier die we uiteengezet hebben. Want, een bepaalde man vertelt dat, toen hij zijn lid verloren had, hij een bekende heks benaderde om haar te vragen om hem zijn lid terug te geven. Ze vertelde de betroffen man om in een bepaalde boom te klimmen, en dat hij een penis, die hem beviel, uit het nest mocht nemen, waarin verschillende penissen waren. En toen hij probeerde een grote penis te grijpen, zei de heks: Je mag die penis niet nemen, terwijl ze eraan toevoegde dat die penis aan een parochiepriester toebehoorde."

Hoewel dit verhaal hyperbolisch of overdreven is -waarschijnlijk geloofden weinigen dat heksen penissen konden stelen- toch geloofden velen in die tijd dat heksen een man impotent konden maken, velen geloofden in de realiteit van magische castratie of impotentie, zie de nestelknoop. Wat de auteurs van de Heksenhamer deden, was talloze elementen uit de volkscultuur (de volkse heks) en de elitecultuur (de theologische auteurs) samensmeden tot een totalitair concept, m.n. de demonologische heks, die verantwoordelijk zou worden voor tienduizenden slachtoffers in de 16de-17de eeuw, zeker toen de wereldlijke overheid het concept van de demonologische heks in haar strafverordeningen zou overnemen.

-------------------------

Bron: 
The Malleus Maleficarum of Heinrich Kramer and James Sprenger, translated by the Reverend Montague Summers, 1971 (oorspr. edititie 1928), p. 121.

20:08 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

02-12-16

Over bloed, aas en menstruatie in de vroege middeleeuwen

In het boeteboek van Regino van Prüm, geschreven rond 900, vinden we cultuurhistorisch interessante gegevens over het taboe op het eten van aasdieren, het drinken van dierenbloed, menstruatiebloed  en sperma.

Boek I

cap. 304

Vraag: Heb jij aas of verscheurde stukken van roofdieren gegeten? Jij moet 40 dagen boete doen. Hetzelfde, als je bloed tot jou hebt genomen.

Vraag: Heb jij van een vloeistof gedronken, waarin een dode muis of wezel gevonden is. Jij moet 40 dagen boeten.

Boek II

kap. 5 vraag 46 (p. 245)

Er moet gevraagd worden, of iemand bloed, aas of een door roofdieren verscheurd dier gegeten heeft.

kap. 5, vraag 48 (p. 245)

Of iemand een vloeistof gedronken heeft, waarin een wezel, een muis of enig ander dier verdronken is?

cap. 250 Van menstruerende vrouwen moet men zich verre houden (p. 369)

Wie met zijn vrouw tijdens haar periode verkeert, moet 40 dagen boeten. Wie met zijn vrouw langs achteren vrijt, moet 40 dagen boeten. Wie met zijn vrouw anale gemeenschap heeft, moet drie jaar boeten, omdat hij zich aan sodomie schuldig heeft gemaakt. Mannen die tussen de dijen ontucht bedrijven, moeten één jaar boeten. Als ze anaal verkeer hebben, moeten ze drie jaar boeten. Als ze nog knapen zijn, twee jaar.

cap. 369 Over menstruatiebloed

Over datgene, wat gij gevraagd hebt, namelijk over de vrouw, die haar menstruatiebloed in een gerecht of drank voor haar man aangeboden heeft, opdat hij dit zou drinken; of over die vrouw, die het zaad van haar man in een drank gedronken heeft (...) Het schijnt ons toe dat er een gelijkaardig oordeel over hen moet geveld worden, als over tovenaars en waarzeggers, van wie bekend is dat ze een magische kunst uitgeoefend hebben.

cap. 370. Over dezelfde zaak

Wanneer een vrouw ontucht met een andere vrouw bedrijft, zal ze drie jaren boete doen. Zolang zal ook die vrouw boeten, die het zaad van haar man onder het eten vermengt, om meer van zijn liefde te bekomen.

cap. 376 Over aas (p. 425)

Wie onrein vlees eet, namelijk aas of gescheurde stukken van wilde dieren, zal 40 dagen boete doen (...)
Wie iets eet of drinkt, dat door een huisdier, een hond of een kat, aangeraakt is geworden, zal twee dage boete doen.

cap 377. Over vloeistoffen

Wanneer iemand een ander een vloeistof aanbiedt, waarin een muis of een wezel zijn einde heeft gevonden, hij zal zeven dagen boete doen, als hij leek is. Als hij een kloosterling is, zal hij 200 psalmen zingen. Als hij achteraf ervaren heeft dat hij zulke drank gedronken heeft, zal hij het Psalterium zingen.

cap. 378. Over bloed

Wanneer iemand het bloed van een dier tot zich neemt, zal hij 40 dagen boet doen.

cap. 379. Eveneens zal niemand bloed verteren

De gelovigen moeten vermaand worden, dat niemand het mag wagen, bloed tot zich te nemen

cap. 443. Over een vloeistof, waarin een muis gevallen is

Wanneer een muis in een vloeistof gevallen is, moet ze eruitgehaald worden, en moet de vloeistof met wijwater besprenkeld worden. Wanneer echter een dode muis in een vloeistof gevonden wordt, moet de vloeistof in zijn geheel weggegoten worden. Wanneer het echter om een grote hoeveelheid vloeistof handelt, moet de vloeistof gereinigd worden, met wijwater besprenkeld en verbruikt worden, als het nodig is. Wanneer een dode muis in meel of in gestolde melk gevonden wordt, zal datgene, wat zich om haar heen bevindt, weggeworpen worden, de rest echter mag verbruikt wordt.

____________________

(1) Das Sendehandbuch des Regino von Prüm, herausgegeven von Wilfried Hartmann, 2004. 

18:15 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

Toverij en magie bij Regino van Prüm (840/50-915)

Uit: Regino van Prüm, diens boeteboek Libri duo de synodalibus causis et disciplinis ecclesiasticis.

Zie ook mijn bijdrage over de Corrector van Burchard van Worms (ca. 965-1025)die trouwens veelvuldig geput heeft uit het boeteboek van Regino van Prüm. 

Over tovenaars en waarzeggers

42. Er moet gevraagd worden, of iemand een magiër, waarzegger, bezweerder en waarzegger of tekenduider is.

43. Of iemand bij bomen, bronnen of zekere stenen geloftes aflegt of een kaars of een offergeschenk daarheen brengt, alsof daar een godheid was, die goed of kwaad bewerken kan?

44. Er moet nagegaan worden, of een varkens- of runderenhoeder of een jager of andere dergelijke lieden, over brood of kruiden duivelse verzen uitspreken, of over perfide linten, die ze in bomen verbergen, of die ze bij een plaats, waar twee of drie wegen samenkomen, ter aarde neerwerpen, waarmee ze hun beesten van ziekte of onheil bevrijden, en die van een ander ten gronde richten. Voor geen enkele gelovige bestaat er twijfel over, dat al die dingen afgoderij zijn en daarom volledig uitgeroeid moeten worden.

45. Er moet nagegaan worden, of er een vrouw is, die beweert, dat zij door bepaalde magische handelingen en bezweringen de mening van mensen kan veranderen, d.i dat zij haat in liefde of liefde in haat kan veranderen, of die het bezit van mensen beschadigt of ontvreemdt. En wanneer er een vrouw is, die beweert, dat zij met een schare van demonen, die de vorm van vrouwen aangenomen hebben, tijdens bepaalde nachten op bepaalde dieren rondrijden, en dat zij tot die gemeenschap behoort, zo moet die vrouw in alle geval uit de gemeenschap van de parochie worden uitgestoten.

Over zij, die bezweringen uitspreken, toverij bedrijven en voorspellingen doen

354. Uit het Concilie van Ankara

Zij, die voorspellingen zoeken, naar de gebruiken der heidenen, of die dergelijke lieden in hun huis binnenhalen, om iets door magie te onderzoeken of te verzoenen, zij moeten volgens de vastgelegde boetetafels de vijfjarige regel volgen.

355. Over dezelfde zaak
Uit het Concilie van Braga

Wanneer iemand het gebruik van de heidenen volgt, en zieners en waarzeggers in zijn huis binnenlaat, om onheil af te wenden of tovermiddelen te vinden, zal hij gedurende vijf jaar boete doen.

 356. Over dezelfde zaak
Uit de decreten van paus Gregorius

Wanneer iemand een beroep doet op waarzeggers, schouwers van ingewanden of tovenaars, of gebruik maakt van amuletten, dat hij met de kerkelijke ban veroordeeld worde.
__________________________
Bron
Das Sendehandbuch des Regino von Prüm, herausgegegen von Wilfried Hartmann, 2004.

16:59 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

30-11-16

Weduwe Vandevin, rijke brouwersweduwe uit Neerlinter

Paul Kempeneers heeft genealogische gegevens uit de 18de eeuw over de familie Vandevin uit Neerlinter gepubliceerd. De naam Vandevin was mij al bekend uit andere bronnen over Neerlinter, meerbepaald de gedwongen lening van het jaar IV

La Veuve Vandenvinne wordt in de lijst voor het kanton Zoutleeuw vermeld als landbouwster en brouwster in Neerlinter, met een geschat jaarlijks inkomen van 1000 livres. Ze behoorde daarmee tot de 13de klasse van de belastingsplichtigen in het kanton. Dit betekende dat ze heel rijk was, want de rjksten behoorden tot de 15de of de aparte 16de klasse.

La veuve Vandenvinne, cultivateur et brasseur, Neerlinter, 1000 livres,  13de klasse

Er is ook een aparte gemeentelijke lijst, die concretere informatie geeft:

-La veuve Vandenvinne, cultivateur et brasseuse, fortune apparente: 70.000 livres, produit annuel en apparence de leur industrie:  1500 livres, riche en argent, impot: 1000 livres

Ook in het laatste XXste penningcohier van het Ancien Regime komt Weduwe Anthoen Vandevin als brouwster voor (zie: De brouwers van Neerlinter rond 1795).

Wanneer we nu proberen deze Weduwe Vandevin proberen terug te vinden in de genealogie die Kempeneers heeft getranscribeerd, stuiten we alweer op het belangrijkste probleem voor genealogisch-biografisch onderzoek in het Ancien Regime: de moeilijkheid om een individu uniek te identificeren. 

Wie was eigenlijk Weduwe Vandevin, een rijke brouwersweduwe uit Neerlinter?

Maar goed, ik ga de lezer niet kwellen met mijn frustratie daaromtrent, en hem direct naar de meest waarschijnlijke conclusie leiden: ik neem aan dat weduwen in het Ancien Regime genoemd werden naar de naam van hun overleden echtgenoot. Het kon dus niet iemand zijn die van bij haar geboorte de naam Vandevin droeg.

Hoogstwaarschijnlijk is Weduwe Vandevin Anna Maria Aerts, geboren in 1720, die in 1746 huwde met Antonius Vandevin, geboren in 1710. Sterfdata van beide personen zijn niet bekend, maar Antonius Vandevin moet voor 1793 overleden zijn, vermits zij dan als weduwe vermeld wordt. In het jaar IV (1795/96), als ze door de Franse bezetter een aanslagbiljet van 1000 livres in haar bus krijgt, zou ze dus 76 jaar geweest zijn. Maar ze komt niet meer voor op de patentlijst van het jaar V (1796/97) voor Neerlinter, waarop nochtans veel brouwers voorkwamen.

Weduwe Vandevin = Anna Maria Aerts? Mysterie opgelost?

14:04 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

25-11-16

Sprinkhanenplaag in 873: 'tanden harder dan steen'

Annales Xantenses

873 - In het midden van de maand augustus kwam opnieuw de oude plaag van de Egyptenaren, namelijk een ontelbare zwerm sprinkhanen, in onze landen. Ze leken op bijen die uit  hun korf vlogen, kwamen uit het oosten, en maakten, terwijl ze in de lucht vlogen, het fijne geluid van kleine vogeltjes. En wanneer ze opstegen, kon men nauwelijks de hemel als door een zeef zien. In zeer veel plaatsen kwamen de pastoors van de kerken en de hele geestelijkheid hen met relikwieën en kruisen tegemoet, terwijl ze Gods erbarmen afsmeekten, dat hij deze plaag van hen zou afwenden. Niet overal echter, maar hier en daar richtten ze grote schade aan. 

Postea vero mediante mense Augusto antiqua Egiptiorum plaga, id est locustarum innumerabilis turma more apium de alevo exeuntium, ab oriente nova exorta est per terras nostras, quae in aere volitantes, vocem subtilem velut aviculi parvi dantes. Et dum elevarentur, caelum vix velut per cribram intueri potuit. In plerisque locis vero pastores ecclesiarum et omnis clerus cum kapsis et crucibus occurerunt eis misericordiam Dei implorantes, ut defenderet eos ab hac plaga. Non tamen ubique, sed per loca nocuerunt (1). 

Annales Fuldenses 

873 - Hetzelfde jaar was er een hevige hongersnood in heel Italië en Germanië, en velen stierven van honger. Ten tijde van de nieuwe oogst echter heeft een plaag van een gans nieuwe aard, die eerst onder de stammen der Franken zichtbaar werd, het Germaanse volk wegens zijn zonden niet weinig getroffen. Namelijk wormen, als sprinkhanen, met vier vleugels en zes poten, kwamen uit het Oosten en bedekten als sneeuw de ganse oppervlakte van het land, waar ze alle groen op akkers en weiden afvraten. Ze hadden een brede mond, een lange maag en twee tanden harder dan steen, waarmee ze de taaiste boomschors konden afknagen. Hun lengte en dikte was als die van een mannenvuist, hun aantal zo groot, dat ze bij Mainz in één uur 100 jugera afvraten. Wanneer ze echter vlogen, bedekten ze over de afstand van één mijl de hele lucht, zodat diegenen die op de aarde stonden, nauwelijks de stralen van de zon konden zien. Enige van hen sloeg men dood en het bleek dat ze volledige aren met graankorrels en baard in zich hadden. Als de enen naar het Westen weggevlogen waren, kwamen er nieuwe bij, en gedurende twee maanden boden ze bijna dagelijks aan de toeschouwers een verschrikkelijk schouwspel. In Italië, in de streek van Brescia, zo zegt men, heeft het drie dagen en nachten bloed uit de hemel geregend.

Eodem anno facta est fames valida per universam Italiam atque Germaniam, et multi inedia consumpti sunt. Tempore vero novarum frugum novi generis plaga et prima in gente Francorum visa Germanicum populum peccatis exigentibus non mediocriter afflixit. Nam vermes quasi locustae quattuor pennis volantes et sex pedes habentes ob oriente venerunt et universam superficiem terrae instar nivis operuerunt cuncta, quae in agris et in pratis erant viridia, devastantes. Erant autem ore lato et extenso intestino duosque habebent dentes lapide duriores, quibus tenacissimas arborum cortices corrodere valebant. Longitudo et grossitudo illarum quasi pollex viri ; tantaeque erant multitudinis, ut una hora diei centum jugera frugum prope urbem Mogantiam consumerent. Quando autem volabant, ita totum aerem per unius miliarii spatium velabant, ut splendor solis in terra positis vix apparet ; quarum nonnullae in diversis locis occisae spicas integras cum granis et aristis in se habuisse repertae sunt. Quibusdam vero ad occidentem profectis supervenerunt aliae, et per duorum mensium curricula pene cotidie suo volatu horribile cernentibus praebuere spectaculum. In Italia in pago Brixiensi tribus diebus et tribus noctibus de caelo pluisse narratur. (2)

Regino van Prüm

In het jaar van de Menswording van de Heer 873  kwam een ontelbare menigte van sprinkhanen in de maand augustus uit het Oosten, en ze verwoestten bijna geheel Gallië. Ze waren groter dan andere sprinkhanen, hadden zes paar vleugels, en, wonderlijk om te zeggen, ze vlogen door de lucht in afzonderlijke eenheden en, nadat ze op de grond geland waren, maakten ze hun kamp zoals divisies van een leger. Samen met enkele anderen, reisden de leiders één dag voor het leger uit, alsof ze geschikte plaatsen voor de legertros wilden uitzoeken. Rond het negende uur landden ze, daar waar de leiders de vorige dag geweest waren, en ze verplaatsten zich daarvandaan niet tot zonsopgang.  Dan stegen ze op in hun squadrons, zodat men geneigd was te denken dat die kleine wezens militaire discipline hadden. Ze deden zich tegoed aan de veldvruchten, die ze zodanig opvraten, dat het leek alsof ze door een immense storm verwoest waren. Eén dagreis van hen was ongeveer vier of vijf mijl. Het hele aardoppervlak bedekkend, kwamen ze tot aan de Britse zee, waartoe ze, bij Gods wil, door de hevige windvlagen werden geblazen, en waarin ze ondergedompeld werden, weggedragen in haar ruime uitgestrektheid. Het zieden en kolken van de oceaan dreef hen terug en vulde de stranden. Dusdanige stapels van hen werden opgehoopt, zodat die leken op bergtoppen. De lucht werd verpest door de stank en de verrotting, die een hevige plaag veroorzaakte, waardoor velen die in de omgeving woonden, omkwamen. 

locustarum inaestimabilis multitudo mense Augusto ob oriente veniens totam pene pervastavit Galliam. Quae maoires erant quam caeterae locustae habebantque sena alarum remigia, et mirum dictu, ut castrorum acies distinctis ordinibus per aera ferebantur vel terrae incumbentes castra metabantur. Duces cum paucis exercitum itinere unius diei preibant, quasi loca apta multitudini provisuri. Circa horam nonam, ubi duces pridie venerant, insidebant, nec a loco occupato movebantur, quousque  sol suum representaret ortum, tunc per turmas suas profiscebantur, ut in parvis animalibus desciplinam militarem cerneres. Sgetibus vescebantur, quae ab eis ita depastae sunt, ut veluti inmani tempestate consumptae veiderentur. Spatium diurni itineris quatuor aut quinque milibus etendebatur. Pervenerunt autem usque ad mare Brittanicum superficiem terrae cooperientes, in quo Deo volente violento ventorum flatu inpulsae atque in profundum absportate dimersae sunt.  Aestu vero atque refusione oceani reiecta littora maritima repleverung ; tantaque congeries facta est, ut ad instar montium cumulatae coacervarentur : e eearum foetore ac putretudine aer corruptus diram pestem finitimis generavit, ex qua multi perierunt (3).

 ----------------------
(1) Annales Xantenses, in MGH, SS, dl. 12, p. 33 (online).
(2) Annales Fuldenses, in MGH, SS, dl. 7, p. 79 (online).
(
3) Wereldkroniek van Regino van Prüm: in MGH, SS, Script. rer. Germ. dl, 50 p. 105 (online).

14:32 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

07-11-16

De mythische heren van Buc en de forestiers van Vlaanderen

Nicolaas Despars (1522-1597) gaf in zijn Cronijke van den lande ende graefscepe van Vlaenderen van de jaeren 405 tot 1492 (1) een wel heel uitgesponnen en fantaisistisch verhaal van de vroegste geschiedenis van Vlaanderen tot Boudewijn de Ijzeren (862-879), de eerste historisch aanwijsbare graaf van Vlaanderen. Zoals alle middeleeuwse en vroeg-moderne kroniekschrijvers schreef Despars vlijtig bestaande kronieken en historiën over. Meer nog, ze verfraaiden het verhaal, en voegden details toe, zeker voor de vroegste tijden.

Despars' Cronijke past in de handschriftenverzameling die men Flandria generosa C noemt, een uitgebreide kroniek over de graven van Vlaanderen. Die traditie bouwt verder op vroegere genealogieen en narratieven (2), maar voegt er steeds meer fabelachtige verhaalslijnen aan toe. Naast Liederik van Harelbeke, de zgn. eerste forestier van Vlaanderen, verschijnt nu ook Liederik van Buc ten tonele, in de Catalogus et Chronica principum Flandriae (3). De legende van Liederik van Buc en Vlaanderen als het Woud zonder genade werd in de 15de eeuw gecreëerd.

In 1531 verscheen in druk de Excellente Cronike van Vlaenderen. Het verhaal begint in 621 met Liederik van Lisle-lez-Buc. Er is ook een versie die in 580 begint (5). Maar Nicolaas Despars gaat nog verder en begint zijn geschiedenis van Vlaanderen in 405, met Amphigius, de eerste heer van Buc. (wordt vervolgd)

 

Heren van Buc

1. Amphigius, heer van het land van Buc

2. Karel de Schone, heer van het land van Buc

3. Falander, heer van het land van Buc

4. Flandbert, heer van het land van Buc

5. Raganier, heer van het land van Buc

6. Finaert, heer van het land van Buc 

De forestiers van Vlaanderen

7. Liederik van Rijsel, eerste forestier

8. Anthuenis, tweede forestier

9. Bosschaert, derde forestier

10. Estoreyt, vierder forestier

11. Liederik van Harelbeke, vijfde forestier

12. Ingelram, zesde forestier

13. Andoaker, 7de forestier 

De graven van Vlaanderen

14. Boudewijn de Ijzeren, eerste graaf van Vlaanderen

---------
(1) Nicolaas Despars, Cronijke van den lande ende graefscepe van Vlaenderen an de jaeren 405 tot 1492, uitgegeven door J. De Jonghe, Brugge, 1837 (Google Books).
(2) Zie mijn bijdrage Oorsprongsmythe van Vlaanderen
(3) Catalogus et Chronica principum Flandriae, uitgegven door J.-J. De Smet, Recueil des Chroniques de Flandre, dl. I, 1837, p. 19-33. Men vindt een vertaling van het begin van het verhaal in De Maesschalck, De graven van Vlaanderen 861-1384, Leuven 2012, 26-28.
(4) C.P. Serrure en Ph. Blommaert, Kronyk van Vlaenderen van 580 tot 1467, dl. 1, Gent, 1839.

09:57 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

04-11-16

Papen-ezels en Patriploden

We hebben ons al eens verlustigd aan 't Patriotieke en 't Paapse Proza  ten tijde van de Brabantse Revolutie (1789-1790).  Maar wat we lezen over de Belgieke Papen en Patriploden in de Excellente Print-Kronijk van Vlaanderen van Judocus Bottelgier (1) is, voorwaar, voor de lezer een aanmaning tegen 't klerikale geweld dezer tijden:

Die onbeschofte Kloosterlingen
zijn ware varkens zonder ringen. (p. 140)

Menig gekruinde kop
dient te hangen in een strop. (p.150)

Een Pater zei tegen zijn gebuur
Mijn keuken rookt door 't Vagevuur (p. 46)

Hier is het Vagevuur, een Papenlist
Want gaf het hen geen baat, gauw
was het uitgepist. (p. 90)

D' onnozel Kloten doen offranden,
Aan wie? Aan hun dwingelanden. (p. 85)

Hoe meer gezang, hoe meer geluid,
Hoe meer is des Papen buit. (p. 64)

God zendt naar 't Vagevuur de Patriplodse
zielen
Mits zij tegen zijn wet, hun medemens
vernielen. (p. 56)

-------------
(1) Dits die excellente Print-Cronike van Vlaenderen (1791) door Judocus Bottelgier (een pseudoniem van: Jean-Baptiste Vervier, Bernard Coppens en Charles-Louis Diericx). 

10:56 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

30-10-16

Oorsprongsmythe van Vlaanderen: boswachters en vrouwenschakers met stalen armen

Rond het midden van de 11de eeuw ontstond een anonieme genealogie van de graven van Vlaanderen, waarin voor het eerst het verhaal van de (imaginaire) Liederik van Harelbeke opduikt:

"Graaf Liederik van Harelbeke verwekte Ingelram. Ingelram verwekte Audacer. Audacer verwekte Boudewijn met de Ijzeren Arm; hij ontvoerde Judith, de dochter van Karel de Kale".

Lidricus Herlebeccensis comes genuit Ingelrannum. Ingelrannus genuit Audacrum. Audacer genuit Baduinum Ferreum ; qui duxit filiam karoli Calvi nomine Judith (1). 

Lambertus, kanunnik van het Onze-Lieve-Vrouwkapittel te Sint-Omaars, verwerkte dit verhaal rond 1120 in zijn Liber Floridus, een middeleeuwse encyclopedie, en hij voegt er aan toe dat Vlaanderen in die donkere tijden sterk bebost was:

"In het jaar van de Menswording 792, toen Karel de Grote over Francië heerste, zag graaf Liederik van Harelbeke dat Vlaanderen leeg, onbewoond en bebost was, en hij bezette het. Deze verwekte graaf Ingelram. Ingelram verwekte Audacer, Audacer verwekte Boudewijn met de Izeren Arm. Boudewijn met de Ijzeren Arm verwekte Boudewijn de Kale uit Judith, weduwe van Adelbert, koning der Angelen. Ze was de dochter van Karel de Kale, koning der Franken". 

Anno ab incarnatione Domini 792. Karolo Magno regnante in Francia, Lidricus Harlebeccensis comes, videns Flandriam vacuam et incultam ac nemorosam, occupavit eam. Hic genuit Ingelramnim comitem. Ingelramnus autem genuit Audacrum, Audacer vero genuit Balduinum Ferreum. Balduinus autem Ferreus genuit Balduinum Calvum ex Iudith vidua Adelberi regis Anglorum, filia videlicet Karoli Calvi regis Francorum (2). 

Middeleeuwse kroniekschrijvers en genealogen schrijven natuurlijk veelvuldig van elkaar af, ze 'verfraaien' het verhaal een beetje, voegen details toe. Uit het beeld van het bosrijke Vlaanderen, rijpte in de rijke fantasie van Andreas van Marchiennes in de jaren 1190 het idee dat de voorouders van de eerste graven van Vlaanderen wel eens forestarii of bosgraven konden geweest zijn. Want een vorst kan niet zomaar uit het niets vanuit de mist der tijden op het wereldtoneel verschijnen:

"Onder het bewind van Karel de Kale vond het graafschap Vlaanderen zijn oorsprong. Vlaanderen was in die tijd niet zo groot van naam en faam, noch was het zo rijk als nu: het werd toen door forestiers (woudgraven) van de koning der Franken geregeerd. Van hen waren Liederik van Harelbeke, zijn zoon Ingelram, diens zoon Audacer, onder Pippijn, Karel de Grote en Lodewijk, de heersers van Vlaanderen, maar ze werden geen graven genoemd. Boudewijn met de Ijzeren Arm, zoon van Audacer, ontvoerde de weduwe Judith, dochter van Karel de Kale".

Comitatus Flandriarum, eo regnante, Sup Carolo Calvo, sumpsit exordium. Flandria enim, eo tempore, non erat tantis nominis, nec fama, nec etiam tam opulenta, sicut modo cernitur : Sed a Forestarijs Francorum Regis regebatur. Horum Lidericus Harlebeccensis, &Ingelrannus filius eius, & Audacer, Filius Ingelranni, sub Pipino, & Karolo Magno, & Ludovico, Rectores Flandriae fuerunt ; nec tamen Comites vocabantur.
Balduinus autem Ferreus, Filius Audacri, rapuit Iudith Viduam, Filiam Karoli Calvi (3).

En zo spon en spon zich het verhaal van Flandria generosa, het Edele Vlaanderen, ja, men vertelt dat de forestiers zelfs tegen de goddeloze Saracenen zouden gevochten hebben, maar dat verhaal is misschien voor een andere keer. Nu slaan we het boek dicht.

----------------
Zie voor een gedegen uiteenzetting over dit thema: V. Lambert, Oorsprongsmythen en nationale identiteit. De Forestiers van Vlaanderen, in: De Leiegouw, 2006, p. 189-246, en 2007, 97 e.v ; 163 e.v.; Zie ook E. De Maesschalck, De graven van Vlaanderen, 861-1384, 2012.
(1) Monumenta Germaniae Historica, Scriptores, dl. 9, p. 305 (=MGH, SS) (digitale uitgave).
(2) MGH, SS, 9, p. 308-309. (digitale uitgave). Het handschrift dat 'Flandria Generosa A' genoemd wordt (2de helft 12de eeuw) brengt hetzelfde verhaal, met een paar andere details, die hier niet terzake doen: MGH SS, dl.9, p. 317. (digitale uitgave)
(3) R. Beauchamps, Historiae Franco-Merovingicae synopsis, seu, Historia succincta de gestis et successione regum Francorum, 1633, p. 734-735 (digitale uitgave).

10:18 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

20-10-16

Ergotisme of het St.-Antoniusvuur in de 9de-10de eeuw

Annales Xantenses

 857 –Een grote plaag van gezwollen puisten verteerde de mensen door een afgrijselijke verrotting, zodat hun ledematen loskwamen en afvielen voor de dood. 

Plaga magna vesicarum turgentium grassatur in populo et detestabili eos putritudine consumpsit, ita ut membra dissoluta ante mortem deciderunt (1).

Flodoard van Reims

945 - In de streek van Parijs, en ook daarrond, werden de ledematen van de mensen door de plaag van het vuur getroffen; ze brandden geleidelijk op en werden verteerd, tot de dood eindelijk een einde maakte aan hun lijden. Sommigen van hen gingen naar verschillende heiligdommen en ontsnapten aan de kwellingen. Velen werden in Parijs in de kerk van de Heilige Maagd Maria genezen, ja, ze beweerden dat ze van deze plaag genezen werden, telkens ze daar naartoe gingen.

In pago Parisiacensi, necon etiam per diversos circumquaque, hominum diversa membra ignis plaga pervaduntur; quaeque [sensim] exusta consumebantur, donec mors tandem finiret supplicia. Quorum quidam, nonnulla sanctorum loca petentes, evasere tormenta; plures tamen Parisius in aecclesia sanctae Dei genitricis Mariae sanati sunt, adeo ut quotquot illo pervenire potuerint, assertantur ab hac peste salvati (2).

Ademar van Chabannes

994 -Op vreemde wijze werden de Aquitaniërs gekweld door het hevige vuur en kwamen daardoor om.

Mirum in modum ardenti igne cruciantur et periiuntur Aquitani (3).

994 -Onder zijn bewind woedde de plaag van het hevige vuur over de lichamen van de Aquitaniërs; meer dan 40.000 stierven aan die epidemie.

Hujus principatu plaga ignis super corpora Aquitanorum desaeviit et mortui sunt plus 40 millia hominum ab eadem pestilentia (4). 

994 -In die tijd woedde het pestilentieuze vuur over de Limousin: de lichamen van ontelbare mannen en vrouwen werden door een onzichtbaar vuur verteerd, en overal vervulde het geweeklaag de aarde...Alle bisschoppen van Aquitanië kwamen samen in Limoges, ook de lichamen en de relikwieën van de heiligen werden plechtig daarnaartoe gebracht. Het lichaam van St.-Martialis, de patroon van Gallië, werd uit zijn graf opgeheven, waardoor allen met een immense vreugde vervuld werden en overal hield de epidemie op.

His temporibus pestilentise ignis super Lemovicinos exarsit: corpora enim virorum et mulierum supra numerum invisibili igne depascebantur; et ubique planctus terram replebat. . . . Tunc omnes Aquitaniae Episcopi in unum Lemovicae congregati sunt: corpora quoque et reliquiae Sanctorum undecumque solemniter advectae sunt ibi; et corpus S. Martialis Patroni Galliae de sepulchro levatum est. Unde laetitia immensa omnes repleti sunt; et omnis infirmitas ubique cessavit (5).

------------ 

Een goede inleiding biedt Sint-Antoniusvuur. Voor gespecialiseerde informatie, zie Barger over ergotisme.
Over ergotisme in Brabant, meerbepaald in Oplinter, zie V. Coumans.

(1) Annales Xantenses, 857.
(2) Annalen van Flodoard, 945
(3) Ex Ms. Sangerm., in: Bouquet, X, 318.
(4) Ademar van Chabannes, St.-Martialis, in: Bouquet, X, 318.
(5) Kroniek van Ademar van Chabannes.

11:09 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

07-10-16

Hoe de nestelknoop of magische impotentie opheffen?

De Franse priester Jean-Baptiste Thiers (1636-1703), pastoor in het bisdom Chartres, heeft uitgebreid geschreven over de nestelknoop, het wijdverbreide bijgeloof in Frankrijk in de 16de en 17de eeuw, dat tovenaars tijdens de huwelijksplechtigheid door magische praktijken de man impotent en/of de vrouw onvruchtbaar konden maken. Zij die erdoor getroffen worden, zo schrijft hij, doen alles om ervan verlost te worden, of ze nu bij God of de Duivel te raad moeten gaan, het maakt hen niets uit.

De auteur vermeldt niet minder dan twintig tegenmiddelen, die geacht worden de vloek van de nestelknoop te kunnen opheffen(1):

1. Op de huwelijksdag twee hemden omgekeerd over elkaar heen dragen, en in de linkerhand een houten kruisje dragen, tijdens de huwelijkszegen.

2. Onder de voeten van de toekomstige echtgenote een ring plaatsen, hem zolang de huwelijksplechtigheid duurt, daar laten zitten, en hem er pas uithalen, wanneer zij op het punt staat naar het altaar te gaan.

3. Zeg fiat voluntas, voor zij die de nestelknoop ontvangen hebben door middel van deze drie woorden Ribald, Nobal & Vanorbi, en drie kruistekens bij elk van hen.

4. Wachten tot andere personen huwen, en terwijl de priester de ring over de vinger van de bruid schuift, de knoop doorsnijden en hem in het vuur werpen, of onder de voeten, zeggende Tibi soli, etc., en door dit middel zijn zij die voordien geknoopt waren, nu ontknoopt.

6. Laat de jonggehuwden helemaal naakt op de vloer of op de aarde liggen; laat de echtgenoot de grote teen van de linkervoet van de echtgenote kussen, en de echtgenote de grote teen van de linkervoet van de echtgenoot; laat hen met de hiel een kruisteken maken, en een ander kruisteken met hun handen; en laat hen bidden tot God, dat hij hen van de schadelijke toverij, waaronder ze lijden, mag verlossen.

7. Ontbied de pas gehuwden, vraag hen hun naam en voornaam, en vraag hen: Gelooft Gij niet dat wat de Duivel gedaan heeft, God ongedaan kan maken? Ze zullen antwoorden: ja. Zeg vervolgens tegen de pas gehuwde vrouw: Houdt Gij niet van uw man, hoewel hij niets voor u is? Ze zal antwoorden: ja. Neem vervolgens de ring die tijdens de huwelijksplechtigheid ingezegend is, en indien mogelijk, de veter waarmee de broek van de echtgenoot die dag geknoopt is, laat de echtgenoot en de echtgenote die veter elk aan het andere einde vasthouden, laat hen de veter knopen, terwijl ze hun vingers in de ring schuiven; snijd de knoop door, al zeggende: dat God ongedaan maakt wat de Duivel heeft gedaan, etc. Quod Deus conjunxit, homo non separet; de ring aan de andere hand en een andere vinger steken, gedurende drie dagen de echtgenoten verplichten om niet met elkaar te slapen, zich te onthouden van de huwelijksplicht, tot te God bidden, en hem te bedanken voor zijn gunsten.

8. Terwijl de pas gehuwden op het punt staan tijdens hun eerste huwelijksnacht samen te gaan slapen, laat hen op een papiertje schrijven Omnia ossa mea… en op een ander briefje Quis similis…leg het eerste briefje op de rechterdij van de echtgenoot, en het tweede op de linkerdij van de echtgenote.

12. Een ton witte wijn doorsteken, waarvan men nog niets getrokken heeft, en de wijn die er het eerst uitstroomt, door de ring laten stromen, die op de huwelijksdag aan de echtgenote gegeven is.

13. Pissen door het sleutelgat van de kerk waar men gehuwd is. Sommigen zeggen dat, opdat dit middel het verhoopte succes zou hebben, men drie of vier dagen ‘s morgens door het gat moet pissen. Mizauld zegt dat de echtgenoot door de ring moet pissen, die hij aan zijn echtgenote op de huwelijksdag gegeven heeft. Hij vermeldt als garantie drie geneesheren en een chirurgijn, die klaarblijkelijk niet beter dan hij onze religie kennen. Als de bruidegom door de huwelijksring pist, zo zegt hij, wordt hij van toverij en liefdesimpotentie verlost, die hem door schadelijke magie gebonden heeft.

14. Dat doen wat een Promotor van de kerkelijke rechtbank van Château-dun deed. Toen twee pas gehuwden hem kwamen zeggen dat ze betoverd waren, leidde hij hen naar zijn zolder, bond ze aan een paal, gezicht tegen gezicht, de paal tussen heb in; hij geselde hen verschillende keren met roeden; daarna maakte hij hen los, liet hen de hele nacht samen, gaf hen een brood van twee stuivers en een kruikje goede wijn, en sloot hen op met de sleutel in het slot. De volgende morgen om zes uur maakte hij de deur open, en hij vond hen gezond, kloek en als goede vrienden. Een pastoor van mijn vrienden, een verdienstelijk en bekwaam man, heeft mij meer dan één keer verzekerd, dat die Promotor, die hij heel goed kende, op die manier mensen genas, die erover kloegen dat hen de nestel geknoopt was.

15. Gedurende zeven dagen 's morgens bij zonsopgang, de rug naar de zon gekeerd, zekere niet-goedgekeurde gebeden bidden, die niet door de Kerk bedoeld waren voor het effect dat men ervan verwacht, d.i. het ontknopen van de nestelknoop. Dit is wat men een ‘ijdele praktijk’ noemt, een misbruik van sacrale zaken.

16. Met wolvenvet de plinten van de deur van het huis inwrijven, waarin de pas gehuwden samen gaan slapen.

18. Op nieuw perkament, voor zonsopgang, schrijven, en dit gedurende ….dagen herhalen, deze woorden Avigazirtor….

19. Een hoefijzer, dat men toevallig op zijn weg vond, op een zondag laten hersmeden tot een hooivork, onder het uitspreken van zekere woorden.

20. Drie keer Yemon zeggen op zekere tijdstippen, bij zonsopgang, en als het bij het ontwaken belooft een mooie dag te zullen worden.

----------

(1) J. B. THIERS, Traité des superstitions qui regardent les sacrements selon l' Ecriture Sainte, Parijs, 1704 (1ste uigave 1679), p. 584-590. Te raadplegen op Google Books. Over J.B. Thiers, zie François Lebrun, Traité de superstition.

11:51 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

03-10-16

Bijgeloof en magie in de vroege middeleeuwen: de Corrector van Burchard van Worms

De Corrector sive Medicus is het 19de boek van de Decretorum libri XX van bisschop Burchard van Worms (ca. 965-1025). De Corrector is een vroegmiddeleews boeteboek, een lijst van overtredingen van de religieuze en morele orde, en de opgelegde straffen, bv. zoveel dagen vasten op water en brood.

De Corrector is een zeer rijke bron over restanten van het heidendom, bijgeloof en magie in de vroege middeleeuwen. De auteur putte rijkelijk uit bestaande boeteboeken, zoals de Disciplina Ecclesiastica van Regino van Prüm (840/50-915). Hij ging echter zeer vrij om met zijn bronnen. Trouwens, meer in het algemeen, auteurs die het hadden over superstitio, bijgeloof en magie, schreven elkaar veelvuldig over (1). De oerbron, bij wijze van spreken, waren de preken van Caesarius van Arles (ca. 470-542). We moeten dus altijd kritisch zijn, wanneer we bijgelovige en/of magische praktijken vinden in middeleeuwse teksten. Mogelijk waren het topoi, stereotypen, die een heel lange traditie hadden in de christelijke literatuur. Of die opvattingen en praktijken werkelijk voorkwamen in de tijd waarin de auteur ze vermeldt, valt moeilijk na te gaan. Hoe concreter de beschrijvingen van praktijken, en zeker wanneer er Germaanse woorden gebruikt worden, hoe groter de kans dat ze in de werkelijkheid voorkwamen. Bij de Corrector van Burchard van Worms blijkt dat nogal mee te vallen: de beschrijvingen zijn zeer levendig, er komen Germaanse woorden in voor, zoals Holda (Vrouw Holle?). Niemand minder dan J. Grimm schreef in zijn Deutsche Mythologie:

"Vanwaar haalde Burchard dit ruime kapittel, 19,5?...De Germaanse woorden die erin voorkomen, "holda", "weerwolf", "belisa", zetten me ertoe aan te denken dat, hier meer dan elders, hij [Burchard] samenbrengt wat hij zelf weet over Germaans bijgeloof, samen met toevoegingen uit andere collecties" (2)

We geven hier een Nederlandse vertaling van een Engelse vertaling van relevante passages uit de Corrector door McNEIL en GAMER (3), waarbij we de Latijnse grondtekst voor WASSERSCHLEBEN, in het oog houden (4) . Vermits de straf of boetedoening ons hier minder interesseert, laten we die bij de vertaling achterwege.

Zie ook mijn bijdrage over Regino van Prüm (840/50-915), wiens canonieke verzameling één van de bronnen was voor de Corrector van Brchard van Worms.

60. Hebt jij magiërs geconsulteerd en ze in je huis binnengelaten, om magische kunstgrepen uit te voeren, of om ze af te weren? Of heb jij naar gewoonte van de heidenen waarzeggers uitgenodigd, die voor jou de toekomst voorspellen, om hen te vragen naar de dingen die zullen komen, als van een profeet, en van zij die het lot werpen, of beweren door het lot te werpen de toekomst te kunnen voorspellen, of zij die zich bezig houden met voortekens of bezweringen?

61. Heb jij de tradities van de heidenen nageleefd, die, als door erfrecht, met medewerking van de duivel, door vaders aan hun zoons worden nagelaten, zelfs tot op de dag van vandaag, namelijk, dat jij de elementen moet vereren, de maan of de zon of de baan van de sterren, de nieuwe maan of de maansverduistering, ; dat jij door jouw geschreeuw of jouw acties haar helderheid kunt herstellen, of dat die elementen jou kunnen helpen, of dat jij macht over hen zou hebben - of heb jij de nieuwe maan in acht genomen voor het bouwen van een huis of het sluiten van huwelijken?

63. Heb jij knopen gelegd, bezweringen en die verschillende betoveringen, die slechte mensen, varkenshoeders, ploegmannen, en soms jagers uitvoeren, terwijl ze diabolische formules uitspreken over brood, kruiden en zekere schandelijke linten, die ze ofwel in een boom verbergen, ofwel daar waar twee of drie wegen elkaar kruisen, om hun dieren of honden van ziekte of dood te beschermen, of die van een ander te vernietigen?

65. Heb jij geneeskundige kruiden verzameld, met kwade bezweringen, niet met het Credo en het gebed van de Heer, namelijk onder het zingen van 'credo in Deum' en de paternoster?

66. Ben jij om te bidden naar een andere plaats gegaan, dan de kerk of een religieuze plaats die jouw priester of bisschop heeft aangewezen, zoals bronnen, stenen of kruispunten, en heb jij daar in eerbied voor die plaats een kaars of een toorts aangestoken, daar brood of een ander offer meegenomen of gegeten, of heb jij daar verlichting van lichaam of geest gezocht?

67. Heb jij orakels gezocht in boeken of schrijftafeltjes, zoals velen gewoon zijn te doen, die beweren openbaringen te kunnen vinden in psalters of in de Evangeliën of in andere gelijkaardige plaatsen?

68. Heb jij ooit geloofd of deelgenomen aan dit bedrog, dat tovenaars en zij die zeggen dat ze onweders kunnen opwekken, in staat zijn door het aanroepen van demonen, onweders kunnen veroorzaken of de geest van mensen kunnen veranderen? 

69. Heb jij ooit geloofd in of deelgenomen aan die trouweloosheid, dat er een vrouw bestaat die door toverspreuken of bezweringen de geest van mensen kan veranderen, van haat naar liefde, of van liefde naar haat, of die door haar beheksing de goederen van mensen kan wegnemen.

70. Heb jij geloofd dat er een vrouw is, die kan doen wat sommigen, misleid door de duivel, beweren dat zij moeten doen, of uit noodzaak, of op diens bevel, namelijk met een zwerm van demonen, die getransformeerd zijn naar het beeld  van vrouwen (zij die de volkse dwaasheid de heks 'Hulda' noemt), op zekere dieren rijden in zekere nachten, en heb jij daaraan deelgenomen?

90. Heb jij geloofd of deelgenomen aan die trouweloosheid, die sommige kwaadaardige vrouwen geloven en bevestigen, teruggekeerd als ze zijn naar Satan, en verleid door illusies en spookgestalten van demonen? Dat zij samen met Diana, een godin van de heidenen, en samen met een ontelbare menigte van vrouwen, op dieren rijden en dat zij vele plaatsen van de aarde doorkruisen in de stilte van de rustige nacht, dat zij haar [van Diana] bevelen gehoorzamen, alsof zij hun meesteres was, en dat ze op bepaalde nachten geroepen worden om haar te dienen? Dat ze maar ten onder gaan in hun trouweloosheid, dat ze velen niet mogen meetrekken in de afgrond van hun illusies. Want een ontelbare menigte van mensen, misleid door deze valse overtuiging, geloven dat deze dingen waar zijn, en door dit te geloven, keren ze zich af van het ware geloof, en begaan de vergissing van de heidenen...

91. Heb jij deelgenomen aan dodenwakes, dit is, ben jij aanwezig geweest bij de wake over de lijken van de doden, waar de lichamen van christenen volgens een heidens ritueel  bewaakt worden; heb jij daar diabolische liederen gezongen en dansen uitgevoerd, die de heidenen hebben uitgevonden op influistering van de duivel?; heb jij daar gedronken en is jouw gelaat door lachen ontspannen, en heb jij alle medelijden en de emotie van liefdadigheid overboord gegooid, alsof jij je verheugt in de dood van een broeder?

92. Heb jij diabolische amuletten of diabolische tekens gemaakt, die sommigen gewoon zijn te maken, op influistering van de duivel, van kruiden of amber; of heb jij donderdag ter ere van Jupiter in ere gehouden?

94. Heb jij iets gegeten dat aan afgodsbeelden geofferd is, namelijk, de offergaven die op sommige plaatsen geplaatst worden op graven van de doden, of bij bronnen, of bij bomen, of bij kruispunten, of heb jij stenen gelegd op een steenhoop, of linten aan de kruisen die bij kruispunten geplaatst zijn?

96. Doden water

97.  Heb jij gedaan of toegestaan wat sommige mensen met een gedode man doen wanneer hij begraven wordt? Ze geven een bepaalde zalf in zijn hand, alsof de wonde door deze zalf na de dood kan geheeld worden, en zo begraven ze hem met deze zalf.

98. Heb jij bij het aanvangen van een taak iets gezegd bij middel van toverij of magie, en heb jij niet de naam van God aangeroepen?

99. Heb jij gedaan wat de heidenen deden, en nog steeds doen, op de eerste januari, zich verkleden als een hert of een rund?

101. Heb jij gedaan wat velen gewoon zijn te doen? Ze schrapen de plaats leeg, waar ze gewoonlijk in hun huis vuur aanmaken, leggen daar gerstkorrels op de warme plaats. Als de korrels wegspringen, zo geloven ze, dan dreigt er gevaar, maar als ze blijven liggen, dan zal alles goed verlopen.

102. Bezoek zieke persoon

103. Heb jij kleine boogjes, op jongens maat, en jongensschoenen gemaakt, en deze in jouw voorraadruimte of schuren geplaatst, zodat de satyrs of kobolden zich daarmee kunnen amuseren, met het doel dat ze jou de bezittingen van anderen brengen, waardoor jij rijk wordt?

104. Heb jij gedaan wat sommigen doen op de eerste januari (dat is de achtste dag na de Geboorte van de Heer) - zij die in die heilige nacht garen in een magische cirkel wikkelen, spinnen, zaaien: allen beginnen ze op influistering van de duivel elke taak die ze maar kunnen beginnen wegens het nieuwe jaar?

149. Heb jij geloofd wat sommigen gewoon zijn te geloven? Wanneer ze op een bepaalde dag een reis maken, en een kraai kraait van hun linker- naar hun rechterzijde, hopen ze daardoor een voorspoedige reis te maken. En wanneer ze zich zorgen maken om een slaapplaats, en die vogel, die ze de muisvanger noemen [een uil], omdat hij muizen vangt, en genoemd wordt naar wat hij vangt, voor hen vliegt, over de weg die ze bewandelen, vertrouwen ze meer op dit voorteken dan op God.

151. Heb jij geloofd, wat sommigen gewoon zijn te geloven, dat zij die gewoonlijk de schikgodinnen genoemd worden, bestaan, of dat zij kunnen doen wat men aan hen toeschrijft? Namelijk, dat zij voor elke nieuwgeborene naar believen hun leven kunnen bepalen, zodat de persoon, wat hij ook wil, kan veranderd worden in een wolf, die de volkse dwaasheid een weerwolf noemt?

152. Heb jij geloofd wat sommigen geloven, dat er wilde vrouwen bestaan, die de 'bosvrouwen' genoemd worden? Men zegt van hen dat ze een lichamelijke vorm hebben, en dat ze, als ze dat willen, zichzelf tonen aan hun minnaars. Men zegt dat, wanneer ze hun plezier met hen hebben gehad, als ze dat willen, weggaan en verdwijnen?

153. Heb jij gedaan wat sommige vrouwen gewoon zijn te doen op bepaalde tijdstippen van het jaar? Namelijk, heb jij de tafel in jouw huis gedekt en eten en drinken op jouw tafel gezet, met drie messen, zodat de drie zusters, die de vroegere generaties en de oude dwaasheid de schikgodinnen noemt, zodat ze zich daar kunnen verfrissen; en heb jij de macht en de naam van de Goddelijke Vroomheid ontnomen en hem overgeleverd aan de duivel?

170. Heb jij geloofd wat veel vrouwen, die zich tot Satan wenden, geloven en als waar aannemen, zoals jij gelooft in de stilte van de rustige nacht, wanneer jij naar bed bent gegaan, en jouw echtgenoot op jouw borst rust, dat, terwijl je een lichamelijke vorm hebt, je door gesloten deuren kunt gaan, en de ruimte van de wereld kunt doorkruisen, samen met anderen, die door dezelfde illusie misleid zijn; heb jij geloofd dat je met onzichtbare wapens personen kunt neerslaan, die gedoopt zijn en verlost door het bloed van Christus, dat je hun hun vlees kunt bereiden en opeten, en in de plaats van hun hart stro of hout of iets anders plaatsen, en wanneer ze opgegeten worden, hen opnieuw levend te maken en hen het eeuwig leven te geven? 

180. Heb jij gedaan wat sommige vrouwen op instigatie van de duivel doen? Wanneer een kind zonder de doop te hebben ontvangen, gestorven is, nemen ze het lichaam van de kleine, en brengen het naar een geheime plaats en doorboren het kleine lichaam met een staak, zeggende dat, als ze dit niet deden, het kleine kind zou heropstaan en veel onheil zou veroorzaken? [het geloof in de 'Undead' of vampieren].

181. Heb jij gedaan wat sommige vrouwen, ingeblazen door de stoutmoedigheid van de duivel, gewoon zijn te doen? Wanneer een vrouw een kind baart, en ze kan het niet, wanneer zij niet kan baren en ze sterft tijdens de barenspijn, dan doorboren ze de moeder en het kind in hetzelfde graf met een staak in de aarde. [het doorboren van lichamen na de dood, is dus niet alleen maar een fantasie van Bram Stoker en Dracula, maar kwam ook in West-Europa voor].

182. Heb jij gedaan wat sommige vrouwen gewoon zijn te doen? Wanneer een kind geboren wordt en onmiddellijk gedoopt wordt, en het sterft, en ze begraven het, dan geven ze het in de rechterhand een pateen uit was, en in de linkerhand een kelk uit was, met wijn, en zo begraven ze het. [De funeraire gebruiken van het heidendom werden gekenmerkt door grafgiften, het christendom was daartegen].

193. Heb jij gedaan wat sommige vrouwen gewoon zijn te doen? Ze kleden zich uit en smeren hun naakte lichaam met honig in, rollen hun met honig ingesmeerde lichaam heen en weer tussen tarwe op een linnen doek op de aarde. Dan verzamelen ze zorgvuldig de tarwekorrels die aan hun vochtige lichaam kleven, plaatsen die in een molen, en laten de molen achterwaarts draaien, tegen de zon in, en zo vermalen ze het tot meel. Ze bakken brood van dit meel en geven het aan hun echtgenoten om op te eten, zodat ze door het eten van dit brood zwak worden en wegkwijnen.

------------------------------------------

(1) Over deze problematiek, zie D. HARMENING, Superstitio : Überlieferungs- und theoriegeschichtliche Untersuchungen zur kirchlich-theologischen Aberglaubensliteratur des Mittelalters, Berlijn, 1979; R. KUNZEL, Heidendom, syncretisme en religieuze volkscultuur in de vroege middeleeuwen, in: Willibrord, zijn wereld en zijn werk, Nijmegen, 1990.
(2) Geciteerd in J. T. McNEILL en H.M. GAMER, Medieval Handbooks of Penance, 1990, p. 323.
(3) ID., o.c., p. 321-345.
(4) F.W.H WASSERSCHLEBEN, Die Bussordungen der abendsländischen Kirche nebst einder rechtsgeschichtlichen Einleitung, 1851. Te raadplegen op Google Books.

15:52 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

23-09-16

Magie in de Germaanse volksrechten

De codificaties van de Germaanse volksrechten (Salische Franken, Ribuarische Franken, Visigoten, Allemannen, etc.) bevatten ook artikelen over magie.

Pactus Legis Salicae (6de eeuw)

Handelingen van schadelijke magie. Als iemand handelingen van schadelijke magie (maleficia) tegen een ander pleegt, of hem een kruidendrank geeft zodat hij sterft, en dit wordt tegen hem bewezen: dat hij veroordeeld worde tot de som van 8000 denarii, die 200 solidi uitmaken.

Gifmenger/bedrijver van gifmagie.
(1) Als iemand een ander 'gifmenger/bedrijver van gifmagie' noemt (herburgius = veneficus), d.i. 'heksendrager' of iemand die een ketel draagt waarin heksen (striae) hun ding bereiden, en dit kan niet bewezen worden: hij worde veroordeeld tot de som van 2500 denarii of 62,5 solidi.

(2) Als iemand een vrijgeboren vrouw 'heks' (stria) of 'prostituee' noemt, en hij kan dit niet bewijzen, hij worde veroordeeld tot drie maal 2500 denarii of 187,5 solidi.

(3) Als een heks iemand opeet, en het wordt bewezen, dat hij of zij veroordeeld worde tot de som van 8000 denarii, hetgeen 200 solidi uitmaakt.

Lex Rubuaria de malificio (ca. 7de eeuw)

(1) Als een man of een Ripuarische vrouw iemand doodt door een handeling van schadelijke magie (maleficium), hij of zij moet de wettelijke geldwaarde van het leven van die persoon betalen (werigeldus).

(2) Maar als die persoon niet sterft en hij lijdt onder veranderingen of zwakheid van lichaam daardoor [deze daad van magie], moet hij veroordeeld worden tot de som van 100 solidi, of moet hij een eed met zes personen afleggen.

Leges Visigothorum (midden 7de eeuw)

Personen die niet mogen getuigen
Moordenaars, plegers van schadelijke magie (malefici), dieven, criminelen of gifmengers/plegers van gifmagie (venefici), verkrachters of meinedigen, zij die naar werpers van het lot (sortilegi) gaan, en waarzeggers (divini), mogen in geen geval een getuigenis afleggen.

Als een vrijgeborene waarzeggers (vaticinatores) raadpleegt over iemands gezondheid of dood
Wie voorspellers (arioli) raadpleegt, zij die tekens en voortekens interpreteren (aruspices), of waarzeggers (vaticinatores) over gezondheid of dood van de heerser of iemand anders, samen met zij die antwoorden geven aan de personen die hen consulteren: als ze vrijgeborenen zijn, dat ze gegeseld worden en tot slavernij gebracht worden met inbeslagname van hun bezittingen, of laat hen veroordeeld worden tot eeuwige slavernij door de koning, en gegeven aan eenieder, zoals de koning beveelt. 

-------------------------------------------------------------

P.G. MAXWELL-STUART (ed.), The Occult in Medieval Europa, 500-1500, 2005, p. 135.

10:12 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

07-05-16

De nestelknoop of de magische castratie

Hier doen we een klein onderzoekje naar de 'nestelknoop' of het 'nestelknopen' tijdens de huwelijksplechtigheid in de 17de en 18de eeuw. Deze magische handeling zou impotentie of steriliteit veroorzaken. We zijn hierbij vooral geïnteresseerd in de gebruikte termen of begrippen, want een onderzoeker, die deze begrippen niet kent, loopt de kans om over bepaalde fragmenten in de bronnen heen te lezen, omdat  de betekenis duister blijft. Ik stootte de eerste keer op deze term in het werk van Marcel Gielis (1), die mijn verbeelding prikkelde om dit weinig bekende fenomeen wat verder uit te diepen.

Tenslotte was het een uitdaging om nog eens Latijnse teksten onder handen te nemen. Hoewel ik in mijn jeugd Latijn heb geleerd, is dit zeker geen gemakkelijke klus. Ik citeer in  extenso de Latijnse citaten die over de nestelknoop, de ligatura of ligula handelen. Daarbij kies ik voor een droge, letterlijke vertalingsstijl, die het best aansluit bij de gortdroge theologische teksten.

Nederlands: de nestelknoop, het nestelknopen, de veterknoop, het veterknopen
Frans: l' aiguillette, nouement de l' aguillette
Duits: die Nestelknüpfe
Latijn: ligatura, maleficium ligaturae, ligula, ligatura magica, innodationis fascinatio, ...

De nestelknoop (in het Frans 'le nouement de l' aiguillette' genoemd) was volgens Le Roy Ladurie een door het volk zeer gevreesde magische praktijk, een vorm van symbolische castratie (2). Op het moment dat de priester een huwelijk inzegent, glipt een tovenaar of tovenares zich achter de bruidegom, knoopt een draad (de associatie met het afbinden van de zaadleiders is evident), en werpt een muntstuk op de grond, terwijl hij of zij de duivel aanroept. Als het muntstuk verdwijnt, zal het koppel ongelukkig, steriel of overspelig zijn.

De Franse priester J.B. Thiers, schrijft in zijn Traité des superstitions (1679) hetvolgende (3): verder uitwerken

De Zuidelijke Nederlanden

vermeld in ordonnantie van Filips II (1592): verder uitwerken

Kerkelijke wetgeving en praktijken

1. bisdom Kamerijk

Diocesane synode van Kamerijk in 1586 (4):

...ne etiam ligaturae matrimonii actum impedientes, aliave veneficia, vel fascinationes superstitiosa observatione fiant, aut dissolvantur...

Dat geen nestelknopen, die de huwelijksakt belemmeren, noch andere toverijen, of betoveringen vanuit een bijgelovige praktijk, gemaakt worden, noch losgemaakt. 

De diocesane synode van Kamerijk in 1604 vermeldt de nestelknoop (5):

Excommunicatos…denunciari volumus …illos qui ligaturis, signis, maleficiis, aliisve modis matrimonii actum impediunt, etiamsi animo illa dissolvendi aut cito tollendi id fecerint.

Wij willen hen als geëxcommuniceerd beschouwen, die door de nestelknoop, tekens of toverij, of andere middelen de huwelijksakt belemmeren, zelfs als ze dit doen om hem los te knopen of snel op te heffen.

2. Bisdom Namen

De synode van Namen in 1639 vermeldt de 'nestelknoop', een vorm van magische castratie, alsook elke vorm van maleficium, die de voltrekking van de huwelijksact belemmert (6). 

Сum intelligamus quotidiè matrimonia, ligaturis perturbari, eorumque finem impediri, nonobstante Praedecessoris nostri gravissimo decreto, quo perniciosissimum hunc abusum, sub pœnâ excommunicationis, etiàm sibi reservatae, severissime  prohibuit;  Nos idem decretum, sub iisdem poenis renovantes;  Mandamus  Pastoribus, ut hujus flagitij gravitatem, saepiús populo inculcent, & excommunicatos esse denuntient eos, qui ejusmodi ligaturis, aut aliis quibuscumque maleficiis, actum matrimonii inter conjuges, quomodolibet impedire conantur, cujus flagitii, et excommunicationis, prout Praedecessores nostri absolutionem, nobis reservamus.

We vernemen dagelijks dat huwelijken door de knoop (ligaturis) verstoord worden, en hun doel verhinderd, niettegenstaande het gewichtige decreet van onze voorganger, waarmee hij dit allerverderfelijkste misbruik, op straffe van excommunicatie, ja, een door hem gereserveerde casus, ten strengste verbiedt. Wij dragen de pastoors op, aan het volk de ernst van dit misdrijf in te prenten, en hen als geëxcommuniceerd aan te wijzen, die  met de knoop of enig ander tovermiddel, de huwelijksakt tussen echtgenoten proberen te verhinderen. Wij reserveren voor ons, net zoals onze voorganger, de absolutie van dit misdrijf en zijn excommunicatie (7).

3. Bisdom Brugge

In 1646 schrijft de Bisschop van Brugge de Haudion:

Doceant etiam populum ut a superstitionibus et praestigiis, quae ruri praesertim frequentius committuntur, omnino abstineat, ac notanter inculcent sponsis de futuro nihil ex eo mali imminere quod in ecclesia denunciationi bannorum futuri sui matrimonii personaliter intersint, et occurente casu, in confessionibus aut alias ostendant gravitatem delicti qui ligaturis vel aliis arteficiis impediunt actus matrimonii noviter coniunctorum (8).

[De pastoors] moeten het volk onderrichten, dat ze zich volledig dienen te onthouden van bijgelovige praktijken en knepen, die vooral op het platteland bedreven worden. Vooral dienen ze de verloofden in te prenten dat er geen kwaad zal voortvloeien uit het feit dat ze persoonlijk aanwezig zijn in de kerk bij de afkondiging van hun toekomstig huwelijk. Ook dienen ze, desgevallend, in de biecht of andere gelegenheden de ernst van het delict aan te klagen van zij die door het leggen van knopen of andere knepen de huwelijksakt  van jonggehuwden belemmeren. 

A. Van Vyve schrijft in 1725 over de ligatura, de ligula of den nestelinck cnoopen (13)

Mirum alicui videri posset, quod inter casus reservatos Ligula numeretur, cum passim vix sciatur quid ligula significet, & quid tantae inordinationis contineat, ut reservationem mereatur: sed si quis confideret, quod per Ligulam non solum superstitiosus abusus proprie dicti Ligaminis intelligatur, qui nostratibus vulgo dicitur Den Nestelinck cnoopen; sed etiam omne maleficium, quo signanter inter recenter nuptos usus Matrimonii impeditur; desinet mirari: cum non solum sit damnabilis superstitio, sed etiam peculiariter injuriosa Sacramento, vitae conjugum sociali, & propagationi generis humani inimica, atque adeo publico Ecclesiae ac Reipubublicae bono pestilentia & noxia: imo frequentioris (praesertim ruri) inter petulantes aemulantesque juniores praxeos, quam regulariter homines simplices & timorati sibi queant persuadere.

4. Bisdom Ieper

Concilie 1609 CG, VIII, 813) en Statuta 1673 (244)

5. Andere bisdommen

De theoloog en minderbroeder Joseph Pauwels spreekt rond het midden van de 18de eeuw nog over de nestelknoop (14):

Ligatura, Ligula, seu qod est idem, Maleficium Ligaminis, est usus signi sensibilis, quo impeditur actus Matrimonialis in conjugibus. Id autem posse & solere Magos,  probatur, tum authoritate canonum, tum communi sententia Theologorum, tum praxi Eccelsiae, quae sic affectos post trienni irritam experientiam, adjuncta septem testium juratorum manu, separare consuevit. 

De knoop, de veter, of wat hetzelfde is, de toverij van de veter, is het gebruik van een waarneembaar teken, waardoor de huwelijksact bij de echtelieden belemmerd wordt. Dat tovenaars daartoe in staat zijn, wordt bevestigd door het canonieke gezag, het eensluidend oordeel van de theologen, en de kerkelijke praktijk, die het gebruik kent om de slachtoffers van dergelijke praktijk, na een tevergeefse periode van drie jaar, met behulp van zeven gezworen getuigen, te laten scheiden. 

quidam malefici solummodo ligulam sub certo murmure verborum nectunt ; sed diabolus interea Maleficium perficit, & sive virum, sive foeminam impotentem reddidit ; saepius tamen virum.

Sommige magiërs binden de knoop enkel onder het mompelen van zekere woorden, maar het is de duivel die de betovering voltrekt, en ofwel de man, ofwel de vrouw impotent maakt, maar meestal de man.

De theologen zijn het eens, zo schrijft Pauwels, dat er zeven oorzaken van magische impotentie zijn:

Prima, est grave odium opera daemonis inter conjuges excitatum.
Secunda, interjectum obstaculum, quo impediatur corporum approximatio.
Tertia, est spirituum vitalium remora seu prohibitio, ut non descendant ad membra generationis.
Quarta, est seminis prolifici dessicatio.Quinta, est remissio superstitiosa rigoris, genitalibus necessarii ad actum matrimonialem.
Sexta, est locorum muliebrium restrictio, aut virilium fuga & recessus.
Septima, est usus superstitiosus rerum naturalium aut pharmacorum, quibus aliquid virtutis inest ad eundem effectum. 

Ten eerste, het opwekken van een grote haat tussen de gehuwden.
Ten tweede, het plaatsen van een obstakel, waardoor de nadering van de lichamen belemmerd wordt.
Ten derde, het uitstel of de belemmering van de levensgeesten [het sperma], waardoor ze niet afdalen naar de voortplantingsorganen.
Ten vierde, de uitdroging van vruchtbaar zaad.
Ten vijfde, de bijgelovige verslapping van de stijfheid van de geslachtsdelen, die nodig is voor de huwelijksact.
Ten zesde, het dichtknijpen van de vrouwelijke delen, of vermijding en terugtrekking van de mannelijke delen.
Ten zevende, het bijgelovig gebruik van natuurlijke producten of geneesmiddelen, die de eigenschap hebben om dit effect teweeg te brengen.

De theoloog schrijft hier bijna letterlijk de demonoloog Del Rio over (15).

Predikatie

De Luikse predikant Marchantius schrijft in het begin van de 17de eeuw, in een commentaar op het eerste gebod, het volgende over de nestelknoop (9):

Ut tandem concludam ad haec quoque diabólica maleficia et pacta primo praecepto probibita, omnino referendae sunt ligaturae illae maléficae quibus sacramenti matrimonii usus impeditur. Diversa autem sunt ligaturae istae aut maleficia, et diversi eorum ritus, nam ex daemonis plácito illorum pendent formulae cui multa a Deo permittitur potestas super instrumentis generationis.

Tenslotte zijn diabolische toverij en arrangementen verboden door het eerste gebod, hieronder moeten vooral die toverknopen vermeld worden, waardoor de vervulling van het huwelijkssacrament wordt belemmerd. Talrijk zijn die knopen of toverijen, en talrijk zijn hun rituelen, want God heeft aan de demon die er de auteur van is, een grote macht gegeven over de voortplantingsorganen.

Het is interessant dat in de 19de-eeuwse vertaling van Marchantius geen melding meer gemaakt wordt van het veterknopen, slechts nog van 'ces sorts qui empêchent d' user du mariage'. Betekent dit dat het geloof in de nestelknoop in de letterlijke zin, als een specifieke vorm van diabolische impotentie of steriliteit verloren was gegaan?

Kerkelijk exorcisme

Tegen de nestelknoop of andere vormen van toverij werd vaak een beroep gedaan op een kerkelijk exorcisme (10). De Pastorale van het bisdom Gent schreef het volgende voor: (verder uitwerken)

Concrete gevallen van de nestelknoop

Mijns inziens wordt er in in Oorderen (1614) allusie gemaakt op de nestelknoop (11). De deken van de landdekenij Antwerpen schrijft immers:

Monitus sum circa has partes esse frequentem usum maleficii circa matrimonia, quod ut evadant, sponsi proiiciunt annulum in terram. Despiciendum de remedio, ne malum serpat, si non corrigatur.

Ik ben ervan op de hoogte gebracht dat in deze contreien frequent gebruik gemaakt wordt van toverij tegen het huwelijk. Om dat te voorkomen werpen de verloofden een ring op de grond. Indien tegen dit gebruik niet wordt opgetreden, moet er uitgekeken worden naar een remedie, opdat de kwaal niet zou uitbreiden.

De enige expliciete vermelding in de (niet-normatieve) bronnen dat de nestelknoop effectief voorkwam, heb ik gevonden in Zellik in 1714 (12):

Est in parochia gravis corruptela, diciturque fuisse valde diu, scilicet procuratio impotentiae in neo-conjugibus per innodationis fascinationem; serpitque subinde et in vicinas parochias, cum gravissimis incommodis, quae satis nota, et quondam modo essentialia sunt: abhorrunt nuptientes a publica Sacramenti Matrimonii susceptione, verentur enim, se futuros impedimento obnoxios, si innotescat tempus conjunctionis sacramentalis; hinc pastor cogitur illos clauculo disponere, et ibidem clauculo conjungere, idque fere semper extra parochiam et nihilominus plerique, ut Pastor retulit, per aliquod saltem temporis spatium obnoxii sunt. Eidem, impedimento obnoxii, satis saepe recurrunt ad eos qui remedia adhibent et idem illicita, imo, ut verendum, maleficio maleficium tollunt.

In deze parochie is een zwaar misbruik, waarvan men zegt dat het van oudsher sterk aanwezig is geweest, namelijk het toedienen van impotentie aan jong-gehuwden, door de betovering van de knoop (innodationis fascinationem). Het misbruik komt herhaaldelijk voor, ook in de buurparochies, met zeer ernstige nadelen, die maar al te goed bekend zijn. De essentie komt hierop neer dat het huwelijkspaar zeer bang is van de publieke toediening van het sacrament van het huwelijk. Ze vrezen namelijk dat ze in de toekomst slachtoffer zullen worden van dit (huwelijks)beletsel, als het tijdstip van de sacrale vereniging bekend raakt. Hier wordt de pastoor gedwongen het trouwpaar in het geheim vrij te stellen, daar hen in het geheim in de echt te verbinden, en dit bijna altijd buiten de parochie. Desalniettemin zijn de meesten, zoals de pastoor zegt, minstens een zekere tijd belemmerd. Zij die door het beletsel getroffen zijn, lopen maar al te vaak naar personen die remedies aanbieden, ook al zijn die ongeoorloofd, en waarvan inderdaad te vrezen valt dat ze toverij met toverij bestrijden.

 

------------------------------------------------------------------------

(1) M. GIELIS, Magie en religie in het oude hertogdom Brabant.Een verkennen onderzoek naar de heksenwaan en de waan der historici, in: Taxandria, 1994, p. 46 en 91.
(2) Zie de uitgebreide uiteenzetting over de nestelknoop door LE ROY LADURIE, l'aiguillette', in: Le territoire de l'historien, II, 1978, en J. DELUMEAU, La peur en Occident (XIVe-XVIIIe siècles), 1983, p.  54 e.v.
(3) THIERS, Traité des superstitions, 1679.
(4) Concilia Germaniae, Tomus VII, 1767, p. 995.
(5) Statutorum synodalium ecclesiae Cameracensis pars prima,Parijs, 1739, p. 257.
(6) M.-S. DUPONT-BOUCHAT, La répression des croyances et des comportements populaires dans les Pays-Bas: l' église face au superstitions (XVIe-XVIIIe s.), in: De hekserij in de Nederlanden, p. 123. Deze auteur schrijft ook dat de nestelknoop ook al in de synode van 1604 vermeld wordt, maar ik heb daar in de bronnen niets van teruggevonden.
(7) Decreta et statuta synodorum Namurcensium, Namur, 1704, synode van 1639, titel IV, De superstitione et exorcismis, p. 218-219.
(8) M. THERRY, De religieuze beleving bij de leken in het 17de-eeuwse bisdom Brugge (1609-1706), 1988, p. 85-88.
(5) In Oorderen (1614) werd de deken gewaarschuwd dat door de kwade hand (usum maleficii) schade aan huwelijken werd berokkend. Om dit tegen te gaan hebben verloofden de gewoonte om een ring op de grond te werpen (quod ut evadant, sponsi proiiciunt annulum in terram), zie  K. DE RAEYMAECKER, Het godsdienstig leven in de landdekenij Antwerpen (1610-1650), Belgisch Centrum voor Landelijke Geschiedenis, 1977, p. 189-192.
(6) L. TAEYMANS, Bisschoppelijke en decanale kerkvisitaties in het bisdom Mechelen naar de verslagen van de dekenijen Brussel-Oost en Brussel-West 1682-1750, onuitg. lic. verh, 1954., p. 165. Helaas zijn er onduidelijkheden in de transcriptie, waardoor het fragment moeilijk interpreteerbaar is.
(7) J. MARCHANTIUS, Le jardin des pasteurs, Franse vertaling uit het Latijn, 1862 (oorspr. 1ste uitgave 1626-1627), dl. III, p. 459-460. Zie ook I. MAESSCHALCK, Wacht u, o mensch, van bygheloof : toverij en superstitie in de Zuidnederlandse prediking van de 17de en 18de eeuw
, onuitg. lic. verh. KULeuven, 1995, p. 79-80.
(8) J. PAUWELS, Tractatus theologicus de casibus reservatis, 1755, p. 328. Pauwels schreef ook het Tractatus de labaïsmo, 1749, een casuïstische uiteenzetting tegen de gemengde bijeenkomsten van jongeren.
(9) DELRIO, Disquisitiones Magicae, Leuven, 1610, dl. II, L(iber) III, s(ectio) VIII, p.64, de maleficio ligaminis.
(10) M. THERRY, De religieuze beleving bij de leken in het 17de-eeuwse bisdom Brugge,(1609-1706), Brussel, 1988, p. 87.
(11) thesis KUL: aan te vullen
(12) thesis KUl uit de jaren '50: aan te vullen

 

18:18 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

30-04-16

Kerkelijke leer over bijgeloof en magie volgens de concilies en synodes (1570-1630)

Tweede diocesane synode van Antwerpen (1576)

Titulus XI De Superstitionibus

Caput I
Quoniam graviter passim in observationibus superstitiosis delinquitur, videlicet dando eleëmosynas certas, certo numero, gestando certis diebus chartas, amuleta, annulos, imagines cum certis characteribus certo die inscriptis, et quaecumque naturalem rationem non habent ad eum effectum qui eis adscribitur, aut ad cujus consecutionem usurpantur. Item quandocumque ex certis signis scriptis vel verbis, etiam sacris, aliquis praesumit certitudinem ejus effectus qui in rebus particularibus neque integram, neque necessariam causam habent: mandamus ut pastores diligenter advigilent ne a suis hujusmodi perpetrentur: doceant eos, qui propter morbos prolium et pecorum, aut sterilitatem agrorum, praediorum, aut arborum, in ejusmodi superstitiosas averruncationes proclives sunt, ut juxta consilium Apostoli Jacobi capite quinto, dum ob aliquam adversitatem contristantur, orent: si remedia petenda sint, ea adhibeantur quae ostendit Chrysostomus ad populum Antiochenum Homilia 21 cap. 44. Deus est enim, ut testatur Isaias, qui irrita facit signa divinorum, et in futuro vertit ariolos.

Hier en daar gaat men zich op ernstige wijze te buiten aan superstitieuze praktijken, namelijk het geven van een welbepaald aantal aalmoezen, het op welbepaalde dagen dragen van briefjes, amuletten of beelden, met welbepaalde tekens, op welbepaalde dagen erop geschreven, die geen natuurlijke oorzaak hebben van de werking die eraan toegeschreven wordt. Op dezelfde wijze wanneer iemand uit welbepaalde geschreven tekens of woorden, zelfs als ze heilig zijn, de zekerheid afleidt van hun gevolgen, die in specifieke zaken, noch een onbezoedelde, noch een noodzakelijke oorzaak hebben. Daarom dragen wij de pastoors op, dat ze er ijverig over waken dat niemand van hun onderhorigen dergelijke praktijken zouden bedrijven: ze dienen hen te onderrichten, die wegens ziekte van kinderen of dieren, of onvruchtbaarheid van akkers, boerderijen of bomen, vatbaar zijn voor zulke bijgelovige afweermiddelen.... 

Caput II
Non minus offenditur Deus in variis vaticinationum ac praedictionum modis, dum passim aniculae infatuateae a daemonibus sese pro divinis venditant. Quamobrem praecipimus parochis nostris, ut si qui sint in suis parochiis qui hoc malo laborant, a nos deferant.

Niet minder wordt God beledigd door verschillende vormen van profetieën en voorspellingen, als ze komen van oude vrouwtjes, die, voor de gek gehouden door demonen, zich als waarzegsters verkopen. Daarom dragen wij onze parochiepriesters op om, indien er in hun parochies personen zijn die dit kwaad bedrijven, aan ons over te dragen.

Caput III
Rogamus magistratus omnes, ut hoc malum e tota republica extirpent, et ne nomen quidem tolerent; jubeantque omnes, qui super eventibus futuris et quibusvis secretis responsa dant, in exilium agi: atque eos, qui tales consulunt, graviter puniant: nam et hi, ut est Levitici cap. 19, turpiter polluuntur. Quare mandamus  pastoribus nostris ne eos qui ejusmodi publice consuluerunt, absolvere tentent absque publica poenitentia.

Wij vragen aan alle wereldlijke autoriteiten, dat ze dit kwaad uit de maatschappij uitroeien, en dat ze geen enkele naam (?) tolereren; ze moeten allen die antwoorden geven over toekomstige gebeurtenissen en geheimen, verbannen, en zij die hen raadplegen, streng straffen.

Caput IV
Incantatores et qui carminibus suis mira machinantur, adeo ut etiam animos hominum fascinare se dicant, multo erunt severius a magistratibus profligandi.

Bezweerders en zij die met hun toverspreuken wonderbaarlijke dingen in kaart zetten, in die mate dat ze beweren de menselijke geest te kunnen betoveren, moeten nog strenger door de wereldlijke overheid worden uitgeroeid.

Caput V
Ad magnam etiam divini nominis irecerentiam pertinet depravatissimus mos jurandi variis et abominandis modis: adeo ut hac in parte multi ipsis blasphemis daemonibus videantur exequandi. Hoc peccatum quantum Deo dislplicet, et quantam iram Dei in populum excitet, satis testatur poena quae jussu Dei blasphemo fuit irrogata: voluit enim Deus illum ab omnibus lapidari extra castra, ut ostenderet vindictam illius irreverentiae ad omnes pertinere. Hinc curandum est magistratui, ut severa in ejusmodi homines animadversione iram Dei avertant.

Provinciale synode van Kamerijk (1586)

Signa vel Imagines, annulive, orationes scriptae, vel, ut vocant, brevia, characteribus, aut nominibus incognitis impressa, ne ad alicujus morbi hominis, jumentive curationem adhibeantur: ne etiam ligaturae matrimonii actum impedientes, aliave veneficia, vel fascinationes superstitiosa observatione fiant, aut dissolvantur: nec vulnera aut plagae ullae superstitiosa observatioso adhibito signorum, verborum aut precum numero, linteolis, vel alia, quae a Medicis comprobata son sit, ratione curentur. Denique quicumque hujusmodi, vel aliis superstitionibus, Daemonum invocationibus, implicitis vel explicitis pactis cum iisdem usi fuerint, quive artem Astrologicam judiciariam, a Sanctissimo Domino nostro Sixto V. speciali Constitutione damnatam, exercuerint, excommunicationem incurrant, & per Pastores in suis concionibus publicae excommunicati denuntientur, & aliis poenis a jures impositis subjaceant.

Tekens of beelden, ringen, geschreven gebeden, of zoals ze genoemd worden, briefjes, met onbekende letters of namen bedrukt, mogen niet gebruikt worden ter genezing van mensen of dieren....wonden of ziekten mogen niet met bijgelovige praktijken, zoals aantal tekens, woorden of gebeden, linten, of andere, die door de medici niet goedgekeurd zijn, genezen worden. Tenslotte worden zij geëxorciseerd, die deze of andere bijgelovige praktijken uitoefenen, die impliciete of explicite pacten met demonen sluiten, die de kunst van de gerechtelijke astrologie bedrijven, die door Zijne heiligheid Sixtus V in een speciale constitutie verboden is geworden... 

Derde provinciaal concilie van Mechelen (1607)

Het eerste provinciaal concilie van Mechelen in 1570 omschrijft, onder de hoofding IX "De Superstitione"  wat de kerk onder bijgeloof verstond. Er is sprake van bijgeloof wanneer men iets tracht te bereiken, zonder de naam van God of de kerk aan te roepen, zonder tussenkomst van de heiligen, of zonder redelijke middelen. Het derde provinciaal concilie van Mechelen in 1607 veroordeelde, onder de hoofding XV "De Superstitione", in veel concretere termen wat zij als bijgelovige praktijken beschouwde (1):

1. Nemo ad morbos vel vulnera hominum aut brutorum curanda superstitiosis remediis utatur; vel super rebus deperditis aut super futuris eventibus; ac quibusvis secretis, divinos, seu pro divinis se venditanter, consulere praesumat. Si aliquis aliquid horum fecerit, et monitus non abstinuerit, mox ipsi ordinario vel officiali denuntietur, juxta Bullam Sixti V editam contra exercentes Astrologiae judiciariae artem, quae incipit: Coeli  et terrae creatos. 

Niemand mag bijgelovige middelen gebruiken om ziektes of wonden van mensen of dieren te genezen. Ook is het verboden waarzeggers te raadplegen voor het terugvinden van verloren zaken of toekomstige gebeurtenissen. Diegene die dit toch doet, en hij volhardt na gewaarschuwd te zijn, dient onverwijld naar de kerkelijke rechtbank verwezen te worden. [Er wordt ook gesproken over astrologie, en de bul van paus Sixtus V "Coeli et terrae creatos", maar vermits de astrologie tot de geleerde magie behoorde, en we ons hier met de volksmagie bezighouden, laten we dit terzijde]. 

2. Et nihilominus haec Synodus mandat Judicibus Ecclesiasticis, ut in exilium mittant, vel mitti curent, omnes qui super futuris eventibus aliisque secreta responsa dant; eosque qui tales consulunt, graviter puniant,et multo gravius animadvertant in maleficos, et incantatores, et etiam omnes qui vulgo Aegyptii vocantur.

Deze synode maant de kerkelijke rechters om hen te verbannen of te laten verbannen, die geheime antwoorden geven over toekomstige gebeurtenissen of anderszins. Des te meer dienen ze te letten op tovenaars [maleficos], bezweerders [incantatores], en zij die in het gewone spraakgebruik zigeuners [Aegyptii] genoemd worden.

3. Et quoniam rudis populus saepe ex ignorantia superstitionibus inquinatus; Parochi subditos suos diligenter de illis doceant: et inter coetera, superstitiosum esse, exspectare quemcumque effectum a quacumque re, quem res illa, nec ex sua natura, ne ex insitutione divina, nec ordinatione vel approbatione Ecclesiae producere potest.

Vermits het ruwe volk zich dikwijls uit onwetendheid tot het bijgeloof wendt, dienen de pastoors hun onderhorigen daarover te onderrichten, onder andere, dat het bijgeloof is om het even welk effect te verwachten van om het even welke zaak, dat die zaak, noch vanuit goddelijke instelling, noch vanuit de wijding of goedkeuring van de Kerk, kan voortbrengen [Hier wordt verwezen naar de algemene definitie van bijgeloof van het eerste concilie van Mechelen in 1570].

4. Nullus omnimo exorcisare praesumat sine licentia Ordinarii in scriptis obtenta: nemo utatur aliis exorcismis quam ab Ordinario approbitis, vel potestate exorcisandi ulla ratione abutatur, sub poena perpetuae privationis illius officii, et alias arbitraria.

Niemand mag exorciseren zonder schriftelijke toelating van de kerkelijke overheid; niemand mag gebruik maken van andere exorcismen dan diegene die door de kerkelijke overheid goedgekeurd zijn, noch misbruik maken van het recht om te exorciseren, voor om het even welke reden, op straffe van eeuwige uitsluiting van dit recht. 

Interessant zijn ook de opmerkingen van de dekens en pastoors op dit derde provinciaal concilie van Mechelen in 1607 (2):

Metuunt non posse impediri hanc superstitionem sine subsidio saecularium magistratuum; et etiam quia non desunt viri docti, qui haec referant ad gratiam sanitatum; et quia promiscue fere omnes fabri ferrarii utuntur mediis superstitiosis, saltem in aliquibus districtibus, in curandis equis.

Ze vrezen dit bijgeloof niet te kunnen verhinderen zonder de hulp van het wereldlijk gezag, omdat er zelfs veel geleerde mannen zijn, die dit bijgeloof toepassen, ten bate van de gezondheid, en omdat bijna alle hoefsmeden, ten minste in sommige streken, bijgelovige middelen gebruiken om paarden te genezen.

quid sentendiendum sit de mulierculis distinguentibus varia genera morborum Sanctis adscripta, quae putant certis observationibus, vulgo "met boeten te houden", curari debere.

Hoe moet geoordeeld worden over die vrijpostige vrouwen, die verschillende ziektes onderscheiden, en aan heiligen toeschrijven, die ze met zekere 'voortekens' (observationes), in de volksmond "met boeten te houden", denken te moeten genezen.  

Tweede diocesane synode van Mechelen (1609)

Titulus XIV De superstitionibus et exorcismis (3):

1. Abominanda est eorum vanitas et superstitio, qui certo numero et praescripta forma Missarum vel precum affirmant certas designatas e Purgatorio semper liberari; quive certo pollicentur sine poenitentia et Sacramentis ex hac vita non migraturos eos, qui hunc vel illum ex Sanctis coluerunt.

Het is bijgeloof en ijdelheid te geloven dat men zekere zielen altijd uit het Vagevuur kan verlossen door middel van een welbepaald aantal missen of gebeden, of in een voorgeschreven vorm; aan personen verzekeren die deze of gene heilige aanroepen, dat ze niet zonder penitentie of sacramenten zullen sterven.

2. Licentiam exorcizandi a nobis adeptus

De toelating tot exorciseren wordt door mij verleend [d.i. de aartsbisschop van Mechelen]

3. Mulieri energumenae exorcismum adhibiturus, id praestet duabus saltem personis probatae vitae praesentibus; iisque, si fieri possit, energumenae consanguineis, aut affinibus.

Bij het exorcisme van een bezeten vrouw, dienen twee personen van goede levenswandel aanwezig te zijn, zo mogelijk, verwanten of bekenden van de bezetene.  

14de dekenale vergadering aartsbisdom Mechelen (1612)

Mandat etiam dictus Illustrissimus Dominus omnibus Decanis ut porrô suis Pastoribus in proxima eorum Congregatione injungant ut doceant populum superstitiosam esse vulgatissimam consuetudinem stramine circumligandi arbores cum exspectatione uberiorum fructuum qualis etiam est superstitio quôd carpantur herbae in profesto S Joannis tamquàm homines ab infortunio et domos ab incendio conservaturœ (4).

Het is ordinair bijgeloof om bomen met stro te omwikkelen in de hoop op rijkere oogsten. Ook is het bijgeloof om op de vooravond van St.-Jan Baptist kruiden te plukken om mensen tegen kwaad en huizen tegen brand te beschermen.

25ste dekenale vergadering aartsbisdom Mechelen (1623)

Omnes et singuli Pastores iisdem diebus pluries successive acriter et cordatè pro concionibus moneant populum abstinere à superstitiosis remediis contra morbos et ad noscendum occulta quae vitia videntur multùm hoc tempore invalescere. Et in Capitulis proximis inter se communicatione habita Pastores conficiant cataloguai istorum casuum inter quos censendœ sunt pœnitentiae quas vocant boeten certis diebus et formis prœscriptœ contra morbos per imperitas mulierculas et alios sine debito examine et judicio Ecclesiae cum promissione vel expectatione certi eventûs (5).

De pastoors dienen het volk te waarschuwen zich afzijdig te houden van bijgelovige remedies tegen ziektes en ervaringen met occulte middelen. Deze misbruiken schijnen heden ten dage steeds meer voor te komen. De pastoors dienen lijsten van dergelijke gevallen op te stellen, o.a. van de praktijken die men "boeten" noemt. Deze worden tegen ziekten gehouden, op welbepaalde dagen en in een voorgeschreven vorm, door ongeschoolde vrouwen en anderen, zonder het verplichte onderzoek en oordeel van de Kerk, met de hoop op zekere effecten.

2de dekenale vergadering bisdom Gent (1614)

Dekenale vergadering Ieper (1631)

Verloofden weigeren de afkondiging van hun bannen op feestdagen te aanhoren, maar enkel op zondagen; vrouwen weigeren op een vrijdag gezuiverd te worden; dienstmeisjes weigeren op een maandag in dienst te treden; het op bepaalde dagen omwikkelen met stro, in de hoop op betere oogsten,etc.

11de dekenale vergadering bisdom Gent (1632)

13de dekenale vergadering bisdom Gent (1650)

 

Andere kerkvergaderingen

Moreau, in zijn Histoire de l' Eglise en Belgique geeft nog andere voorbeelden van door de concilies en synoden veroordeelde vormen van populair bijgeloof (6):

  • een welbepaald aantal kaarsen branden voor die of die aangelegenheid
  • het vee beschermen tegen aanvallen van wolven door zekere magische formules uit te spreken (6)
  • het raadplegen van waarzeggers om de auteur van een diefstal te achterhalen
  • populaire of oneervolle liederen op de beiaard spelen
  • De H. Mis verlaten na het tonen van de hostie. Men vindt hier een overblijfsel van een bijgelovige opvatting uit de middeleeuwen, volgens dewelke het voor de gelovige voldoende was om de hostie te zien, om tegen het Kwaad beschermd te zijn.
  • op de vooravond van Sint-Jan (22 juni) kruiden plukken om mensen tegen onheil en huizen tegen brand te beschermen
  • een reis onderbreken omdat men eksters hoort krassen
  • verloofden weigeren de afkondiging van hun huwelijksbannen te horen op een feestdag, maar enkel op een zondag (7)
  • dienstmeisjes willen niet op  een maandag in dienst treden
  • enzovoort

-----------------------------------------------------

(1) DE RAM, Synodicon Belgicum, dl.I, p. 388 e.v. De vertalingen zijn niet letterlijk, maar parafraserend.
(2) DE RAM, o.c., dl.I, p. 319.
(3) DE RAM, o.c., dl. II,p. 232.
(4) DE RAM, o.c., dl. II, p. 270.
(5) DE RAM, o.c. dl. II,p. 286.
(6) MOREAU, Histoire de l' Eglise en Belgique, dl.V, p.68 en 360-361. Voorbeelden uit synodes van Mechelen, Doornik, Gent en Ieper.
(7) zie ook H. STORME, Die trouwen wilt voorsichtelijck, 1992, p. 342.

12:29 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

29-04-16

Onttovenaars, magiërs, genezers in het Mechelse rond 1600

Via E. Raes zijn we op de hoogte van het optreden van enkele magiërs, exorcisten of genezers in het Mechelse op het einde van de 16de eeuw (1). Hoewel de algemene principes van het magisch wereldbeeld waarin de mens van het Ancien Regime leefde universeel waren, kunnen de terminologie en de concrete praktijken regionaal verschillen. Eén van die beginselen was het 'magisch evenwicht' waarbij de kwade hand, die verantwoordelijk werd geacht voor ongeluk, ziekte of dood van mens of dier, door magische verweermiddelen tenietgedaan werd (2). In de Mechelse regio bv. geloofde men dat een onbekende heks een 'ongeluk' begraven of verborgen had op het erf van haar slachtoffer. Dit begraven 'ongeluk' was dikwijls menselijk haar, vermits men ervan overtuigd was dat daar het kwaad van de heks in zat (3). Voor de uitdrijving of de bestrijding van het kwaad gebruikten de exorcisten of onttoveraars, naast geheime gebeden, boetedoening en andere geestelijke handelingen,  het begraven van een 'heiligdom', d.i de tegenpool van het begraven kwaad, bv. stukjes van een gewijde Paaskaars, kruisjes, schapulieren,enz...), kabbalistische tekens of teksten, geschreven op muren of op briefjes die omgehangen of begraven werden (4). In het samenspel van het begraven 'ongeluk' en 'heiligdom' ziet men mooi de werking van het magisch evenwicht, van actie en reactie, van kracht en tegenkracht. 

Zo is er het verhaal van de exorciste Margaretha Cornelis die het kwaad bezweerde op de Gasthuishoeve in St.-Kathelijne-Waver, waar ze het begraven ongeluk zocht in de paardenstal (5). Volgens een getuige krabte ze eerst met een schop de vuiligheid weg onder de kribbe van het paard, waarna ze met de zijkant van de schop een vierkant trok. Vervolgens stak ze een schop aarde en legde die opzij. Ze vroeg aan de omstaande vrouwen of iemand een schort wou lenen, waarin ze de schop aarde legde, ook een tweede schop aarde lei ze op de schort. De aarde werd met de handen doorzocht, en tenslotte werd een klot haar gevonden (volgens sommige getuigen ook een speld). Het haar werd vervolgens op aanwijzing van de onttoveraarster verbrand. Het haar brandde haast niet en stonk erg. Daarna maakte Margaretha Cornelis kruisjes van gekliefde hazelaarscheuten van één jaar en was van een gewijde paaskaars. Deze 'heiligdommen' gaf ze aan de aanwezigen, zeggende dat ze onder de drempel moesten gelegd worden, tegen het kwaad volk om het ongeluk af te weren dat mensen, kinderen en beesten bedreigde. 

---------------------------------------------

(1) E. RAES, Hekserij en exorcisme, 1993, p. 41-63. De auteur baseert zich op bronnen in het Mechelse stadsarchief.
(2) Dit wordt goed uitgelegd in D. VANYSACKER, Hekserij in Brugge : de magische leefwereld van een stadsbevolking, 16de-17de eeuw, 1988; en in M. THERRY, Religieuze beleving bij de leken in het 17de-eeuwse bisdom Brugge (1609-1706), 1988.
(3) E. RAES, o.c., p. 41-42.
(4) E. RAES,o.c., p. 42.

(5) E. RAES, o.c., p.48. Margaretha Cornelis werd een eerste maal in 1592 opgesloten in Mechelen, en een tweede maal in 1598. Het geestelijk hof leverde haar over aan het wereldlijk gerecht. We beschikken niet over het vonnis. Volgens Raes zou het kunnen dat het geval Margaretha Cornelis 'één van de ongekende heksenverbrandingen in Mechelen' was.

19:46 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

10-04-16

Bijgeloof en magische praktijken in de provincie Antwerpen (eerste helft 17de eeuw)

Landdekenij Antwerpen

We volgen hierbij de licentiaatsverhandeling van K. De Raeymaecker, Het godsdienstig leven in de landdekenij Antwerpen (1610-1650) (1). Soms vermeldt de auteur de oorspronkelijke Latijnse termen in voetnoot, maar niet altijd. We vergelijken met M. Gielis' magistraal artikel over het onderscheid tussen hekserij en het onderliggende 'magisch universum' (2), en met de gegevens van Dupont-Bouchat over de repressie van het bijgeloof door de kerkelijke en wereldlijke autoriteiten (3).

In Oorderen (1614) werd de deken gewaarschuwd dat door de kwade hand (usum maleficii) schade aan huwelijken werd berokkend. Om dit tegen te gaan hebben verloofden de gewoonte om een ring op de grond te werpen (quod ut evadant, sponsi proiiciunt annulum in terram). Er worden waarzegsters gesignaleerd in Niel en Hoboken (1613), nogmaals in Niel in 1623 (4). In 1620 moest de meid van Egidius Pooters, inwoner van Wilrijk, ondervraagd worden over het opwekken van geestesverschijningen (super confictis a se apparitionibus spirituum). In 1633 schreven de inwoners van Edegem de ongelukken toe aan de kwade invloed van een vrouw die er onlangs was komen wonen.

In Hoboken (1619) woonde een man die bijgeloof en belezingsformules bleef aanwenden tegen koortsen (perseverat in suis superstitionibus et abusu scedularum contra febres). Vooral de Spanjaarden namen het de kerkelijke overheid kwalijk dat deze praktijken verboden werden. Alleen Spaanse formules (solum idioma hispaniense) beschouwden ze als een effectief middel tegen ziekten en demonen (adversus morbos et demones). Ook in Ekeren (1621) had iemand de reputatie mensen en dieren te kunnen genezen met bijgelovige praktijken. Hij verdedigt zich door te zeggen dat hij slechts natuurlijk remedies aanwendt.

Geen enkele priester mocht exorciseren zonder de toelating van de bisschop op straffe van uit zijn ambt te worden ontzet. In de landdekenij Antwerpen hadden in 1620 alleen de priesters van Ranst, Ekeren, Berchem, Zandvliet, Schoten en Hoboken de bevoegdheid om te exorciseren. De pastoor van Schilde klaagde in 1619 erover dat de pastoor van Boechout op zijn parochie vaak veestallen kwam belezen. In 1644 werden alle licenties tot exorciseren ingetrokken omdat er te veel misbruiken waren. Bij het belezen door priesters mochten niet eender welke formules gebruikt worden. Alleen formules die opgenomen waren in het Romeinse Rituaal, het Mechels Pastoraal of het boek van Maximiliaan van Eynatten, het Manuale exorcisorum, waren toegelaten.

De Raeymaecker besluit: 'Bijgeloof, waarzeggerij, het belezen van mensen en dieren en andere occulte praktijken waren in de 17de eeuw vrij algemeen verspreid. De landdekenij Antwerpen vormde hierop geen uitzondering. (...) Tegen bijgelovige praktijken kon men weinig ondernemen. Ze zaten immers reeds jaren in de volksziel verankerd.Wel oefende de Kerk zoveel mogelijk controle uit op het belezen van mensen en dieren, wat alleen door priesters met een speciale vergunning en volgens erkende formules mocht gebeuren'. (5)

Dekenij Herentals

De dekenale visitaties bieden veel concrete gegevens over bijgelovige en magische praktijken (6). Zo signaleren de dekens bij herhaling genezers en bezweerders:

Vorselaar (1611): de inwoners zijn volgens de dekens zeer bijgelovig en gingen naar een genezer in Tongerlo.

Hulshout (1617): sommigen hielden zich bezig met het genezen van paarden en andere dieren met formules, en het bezweren van wolven, opdat die geen schade aan de schapen zouden berokkenen.

Olen (1631): Barbara Elsmans, een gewezen vroedvrouw, werd bij zieken geroepen om hen te exorciseren. Ze hield daarbij een kandelaar in de hand en sprak allerlei bijgelovige formules uit.

Beerse (dekenij Hoogstraten): vanuit het district Herentals ging men naar een waarzegger in Beerse, die op biljetjes formules schreef om zieken te genezen. Deken Brumelius kreeg zo 'n biljet in handen en plakte het in zijn verslag van 1631.

Hulshout (1632): men raadpleegt een waarzegster voor zieke kinderen en paarden.Aan haar klanten legt ze bijgelovige reizen op.

Morkhoven (1626): van een oude man wordt gezegd dat hij een bijgelovig lied tegen zieke honden en tegen wolven zong

Kasterlee (1617 en 1626): Sebastianus Simoens, de kapelaan, hield zich bezig met het genezen van dieren

Poederlee (1614 en 1618): pastoor Petrus Vander Veken (1598-1619) liet zich met magie in. In 1612 werd hem het verbod opgelegd zich nog langer met in te laten met exorcisme of bijgelovige praktijken, die hij dikwijls aanwendde tegen betoveringen.

Herselt (1618): een man wendde het bijgeloof van 'Egyptische vrouwen' [d.i. Zigeuners] aan om zijn vrouw van een kwetsuur te genezen. Hij geloofde in hun magische krachten, omdat een stapel stro, waarbij zij vuur hadden geworpen, slechts lichtjes brandde. (7)

Westmeerbeek (1623 en 1624): Susanna Walrans werd in 1623 voor de kerkelijke rechtbank gedaagd omdat zij beweerde met de geesten te kunnen spreken.

Meerhout (1618): in 1618 kwam een zekere Joannes Ooms uit Tongerlo in het dorp wonen, een zeer bijgelovig man. Een dominicaan had hem o.a. horen zeggen dat de Turken beter konden gered worden dan de katholieken (8)

DUPONT-BOUCHAT geeft nog enkele gevallen, die we niet bij BRAEKEN terugvinden: 

Herenthout, St.-Pieter (1618): Catharina Verloo, giftmengster (9).

Bouwel (1633): Petrus Ghaert, door de duivel bezeten, wordt door de promotor van de kerkelijke rechtbank geëxorciseerd (10).

Dekenij Lier

De licentiaatsverhandeling van H. VAN KIEL, Priesters en gelovigen in de dekenij Lier (1603 - 1661) levert enkele gegevens op over bijgeloof, magie en waarzeggerij (11). Vanuit Oelegem (1613) gingen bijgelovige inwoners vaak naar een waarzegger uit Ekeren (superstitiosi qui facile currunt pro consilio ad ariolos). Deze man schreef op een stukje perkament (in membrana) verschillende nauwelijks leesbare namen zoals Hubertus + patre + sactie + Huberte +. Hij zei dat het zieke vee, dat betoverd werd geacht (quae omnia iudicat maleficata), deze papiertjes moest opeten en schreef nog veel andere bijgelovige zaken voor(et multa superstitiosa et pernitiosa praecipiens). Een smid van Rumst (1647) gebruikte allerhande kwakzalvermiddeltjes (utitur vetis et superstitiosis ritibus) om zieke dieren te genezen. Ondanks herhaalde vermaningen door de deken verbeterde hij zich niet, waardoor de deken het noodzakelijk achtte gerechtelijke stappen te ondernemen. In Duffel (1613) werd een oude vrouw ervan verdacht magische praktijken toe te passen (suspecta de magia). In Viersel (1618) werd de vrouw van Martinus Maressens door velen voor een waarzegster en tovenares gehouden (habetur adhuc a multis pro saga et incantatrice) gehouden, zonder dat dit bewezen kon worden. In Broechem (1643) waren er oude grieven tegen een waarzegster (contra quandam veridicam) die met haar bijgeloof de naburige plaatsen aanstak.

Dekenij Mechelen

Perk (1595): er is een vaag gerucht over een persoon die niet vrij zou zijn van magie en toverij. De pastoor belooft een oogje in het zeil te houden (12).

Bonheiden (1598): er wordt een persoon vermeld, die twee jaar voordien in Brussel in de gevangenis had gezeten wegens beschuldigingen van duistere praktijken (12).

Bonheiden (1599): een inwoner wordt beschuldigd, die vroeger van magie beschuldigd was, maar uit de gevangenis was ontsnapt (13).

Elewijt (1610) en Kampenhout (1612, 1614 en 1615): enkele personen worden geraadpleegd voor ziekte van mensen en dieren. De deken vraagt dat ze daarmee stoppen (13).

Muizen (1608): het gerucht doet de ronde dat de familie uit het "Muijsen Huijsken" aan superstitie doet.Men beweert dat in de stal paardenschedels en -beenderen aan de muur zijn opgehangen. De pastoor echter, die alles onderzocht heeft, heeft niets van dat alles gezien (13).

______________________________________________________________________________________ 

(1) K. DE RAEYMAECKER, Het godsdienstig leven in de landdekenij Antwerpen (1610-1650), Belgisch Centrum voor Landelijke Geschiedenis, 1977, p. 189-192.
(2) M. GIELIS, 'Magie en religie in het oude hertogdom Brabant. Een verkennend onderzoek naar de heksenwaan en de waan der historici', in: Taxandria, 1994, p. 5-110. Deze tekst is in enigszins herwerkte versie ook te vinden in: MOSTERT en DEMYTTENAERE, Betovering van het middeleeuwse christendom: studies over ritueel en magie in de Middeleeuwen, 1995.

(3) M.S. DUPONT-BOUCHAT, 'La  répression des croyances et ds comportements populaires dans les Pays-Bas: l'Eglise face aux superstitions (XVIe-XVIIIe S.)', in: De hekserij in de Nederlanden,  Standen en Landen, 86, 1987, p. 128-137.
(4) DUPONT-BOUCHAT, o.c., p. 130 spreekt in plaats van waarzegsters in Hoboken (1613) over 'plusieurs sorcières' en ze schrijft 'Wiel' in plaats van Niel (p. 132).
(5) K. DE RAEYMAECKER, o.c., p. 192.
(6) L. BRAEKEN, De dekenij Herentals 1603-1669 : bijdrage tot de studie van het godsdienstig leven in het bisdom Antwerpen, Leuven, 1982, p. 181-183. 
(7) Bij DUPONT-BOUCHAT, p. 131,nr. 31-32, vermeld als Johannes Mesens en zijn vrouw, Herselt, 1618, 'pratiques superstitieuses avec des femmes égyptiennes'.
(8) Bij DUPONT-BOUCHAT, p. 131, nr. 42, vermeld als 'superstition et magie', 'souvent dénoncé'.
(9) DUPONT-BOUCHAT, p. 130, nr. 30.
(10) DUPONT-BOUCHAT, p. 133,nr. 60.
(11) H. VAN KIEL, Priesters en gelovigen in de dekenij Lier (1603 - 1661), onuitg. lic. verh., KULeuven, 1988, p. 206-207.
(12) A. JANS, Dekenale visitaties in het Mechelse, 1559-1598, onuitg. lic. verh. KULeuven, 1955-1956, p. 113.
(13) H. GEETS, Het kerkelijk leven in de landsdekenij Mechelen volgens de Visitatieverslagen van deken Antonius De Mol (1599 - 1616)
onuitg.lic. verh. KULeuven, 1959-1960, p. 128.

14:04 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

26-02-16

Bijgelovige praktijken in Oost-Brabant (17de eeuw)

1601 en 1602
Judovicus Bouwens, Tielt, dekenij Diest, laat de doden verschijnen, aangegeven aan de promotor

1605-1606
een weduwe, Glabbeek, dekenij Diest, bijgeloof, verlaat het dorp

1607
een vrouw, Wersbeek, dekenij Diest, genezeres, aangegeven een de vicaris-generaal

1608
Maria Commenaers, Sint-Joris-Weert, dekenij Leuven, waarzegster

1609
Willem Cloops, St.-Maria-Tielt, dekenij Diest, bijgeloof en bezweringen

1609-1610
Margaretha Prengaerts, Wersbeek, dekenij Diest, bijgeloof, aangegeven aan de promotor

1610
de koster, Linkhout, dekenij Diest, bijgeloof

1630
een arme vrouw, Budingen, dekenij Zoutleeuw, bijgeloof

1630
een vrouw, Neervelp, dekenij Tienen, voorspellingen en bijgeloof

1633
Catharina Van Linters, Neerheilissem, dekenij Tienen, bijgeloof, veelvuldig aangeklaagd

1652 en 1660
Maria Michiels, Neerlinter, dekenij Zoutleeuw, incantaties en hekserij, de pastoor weigert haar de absolutie

1656
Elisabeth Van Ongelege, Geetbets, dekenij Zoutleeuw, waarzegster

1658
Maria Burgels, Neerlinter, dekenij Zoutleeuw, waarzegster

1660
Vigilia Van Huverdael, Hoeleden, dekenij Zoutleeuw, hekserij en 'perditissima'

1672-1683 en 1684-1685
Engelbert Reydanus, Winksele, dekenij Leuven, hardnekkig waarzegger, opgesloten bij de Alexianen van Leuven, in de hoop hem te bekeren, wordt ontvoerd door zijn zonen, vlucht naar Brussel waar hij zijn praktijken herneemt

1676
Anna Scheppers, Tielt, dekenij Diest, magie

1681, 1687 en 1697
Anna Van den Plas, Langdorp, dekenij Diest, 'notaria peccatrix', waarzegster, bijgeloof

1690
een religieus van Averbode, pastoor van Messelbroek, dekenij Diest, doet exorcismen zonder toelating

 

Bronnen

M.-S. DUPONT-BOUCHAT, La répression des croyances et des comportements populaires dans les Pays-Bas: l' Eglise face aux superstitions (XVIe-XVIIIe S.), in: ID, De hekserij in de Nederlanden, Standen en Landen, 86, 1987, p. 117-143.

De licentiaatsverhandelingen over de dekenijen Leuven, Diest en Zoutleeuw, leverden geen gegevens op over bijgeloof, magie, bezweringen, etc.:

F. VANDERICK, Het kerkelijk leven in de 40 landelijke parochies van de dekenij Leuven (1598 - 1640), onuitg. lic. verh., KULeuven, 1977. 
T. MORREN, Het dekenaat Diest (1599-1700): bijdrage tot de studie van de katholieke hervorming in het aartsbisdom Mechelen, Belgisch Centrum voor Landelijke Geschiedenis, nr. 103, 1993.
T. BRONCKAERS, De dekenij Zoutleeuw (1598-1702) / een bijdrage tot de studie van het religieus leven in het aartsbisdom Mechelen, onuitg. lic.verh., KULeuven, 1980.

14:21 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

11-07-15

De voedselcrisis van 1740

Het jaar 1740 wordt soms beschouwd als de laatste voedsel -en mortaliteitscrisis in pre-industrieel Europa. Oorzaak van de inzinking van de voedselproduktie was de strenge winter van 1739-1740. De winter van 1740 had twee kenmerken: zeer lage temperaturen en onvoldoende graanvoorraden. De temperaturen waren uitzonderlijk hoog naar 18de-eeuwse standaarden. In Brussel, bijvoorbeeld, waren temperaturen van -18 of -19 graden celsius niet ongewoon.

Bovendien was de winter ongewoon lang. In het collectieve geheugen, was de legendarische winter van 1709 een uitzonderlijk koude winter, terwijl die van 1740 herinnerd wordt voor zijn langdurige vriesperiode.  Omwille van die lange vorstperiode -negatieve temperaturen werden tot in mei opgetekend- waren veel gewassen gedeeltelijk of volledig vernietigd. De gewassen die de extreme temperaturen overleefden, konden slecht zeer laat geoogst worden.  De winter van 1740 verstoorde de jaarlijkse groei en aanbodscyclus van gewassen, en verminderde het per capita voedselaanbod. Bovendien, vergeleken met voorgaande jaren, was de oogst van 1739 opmerkelijk mager, zodat de graanvoorraden onvoldoende waren om de afstand tot de late oogst van 1740 te overbruggen. Toen de stocks eind-april, begin-mei uitgeput waren, en de vooruitzichten voor een vroege en overvloedige oogst verdwenen, begonnen de prijzen te stijgen. Het is waarschijnlijk dat de stijgende prijsniveau 's in de lente van 1740 zowel door paniek als door een ernstige verstoring van vraag en aanbod.

De vrieswinter van 1740

Bron: E. VANHAUTE en T. LAMBRECHT, 'Famine, exchange networks. A comparati< ve analysis of the subsistence crises of the 1740s and the 1840s in Flanders', in: Continuity and Change, 2011, p. 155-186. 

12:57 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

16-05-15

Rookverbod in 1740

In 1740 was het tabak roken in Tervuren blijkbaar ingeburgerd geworden. Inderdaad, de schepenen van deze vrijheid verwijzen in de aanhef van een ordonnantie over de brandveiligheid, naast het niet schoonmaken en vegen van de schouwen, naar de tabaksrokers, "waarvan het aantal zodanig is aangegroeid, dat men bijna geen enkele werkman of pachter zonder pijp in de mond ziet, met zulke genegenheid dat ze zich er niet van kunnen onthouden in de schuren, stallen, op de mesthopen, op de daken van huizen of gebouwen bedekt met stro". Daarom gebieden de wethouders eenieder om hun schouwen te doen vegen, en verbieden zij het roken (waarbij niet zo duidelijk is of het om een algemeen rookverbod gaat, of dat het verbod enkel geldt voor brandgevaarlijke ruimten zoals stallen, schuren, etc.)

(Bron: E.J. DAVIDTS, in Eigen Schoon en de Brabander, 1956, p. 368-369)

09:24 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

09-05-15

Gedwongen lening jaar IV kanton Zoutleeuw

Nauwelijks waren de Zuidelijke Nederlanden bij het revolutionaire Frankrijk geannexeerd, toen de Franse gezagsdragers beslisten dat er een 'gedwongen lening' zou komen op de 'gegoede burgers' (wet van 19 frimaire jaar IV, 14 december 1795). Als vuistregel nam men aan dat de gegoede burgers of citoyens aisés tot de één kwart hoogst belasten of belastbaren van ieder departement behoorden. Naast de objectief vaststelbare belastingbasis, speelde er ook het principe van de algemene bekendheid, la notoriété publique, het belang van de publieke opinie. Men legde immers de nadruk op het belang van de nieuwe rijken sinds de revolutie (bv. de opkopers van zwart goed). De gedwongen leners werden volgens hun vermogen ingedeeld in 16 klassen, van de eerste klasse, de minst rijken, tot de 16e klasse, de rijksten. 

Hier geef ik de gegevens over de gedwongen lening voor het kanton Zoutleeuw: naam, beroep, woonplaats, belastingbedrag in livres en belastingklasse. Er zijn ook gemeentelijke fiches voor de rijksten van elke gemeente, waarin hun fortune apparente en vermoedelijk inkomen geschat worden. Al die gegevens geven een goed beeld van de rurale elite van het kanton Zoutleeuw aan het eind van het Ancien Régime, of het begin van de moderniteit. 

Les soeurs grises, Léau, 1200 livres,  15de klasse

Jacques Corthouts, cultivateur marchand, Léau, 1200 livres,  15de klasse

L.? Vandenessche, cultivateur, Bosch commune de Léau, 1200 livres,  15de klasse

Charel Rouchet, cultivateur, Wezer sous Léau, 1200 livres,  15de klasse

Les enfants Lowet, cultivateur, Orsmal, 1200 livres,  15de klasse

Jacques Vanderschouwen?, cultivateur d' une ferme de Duras, Graesen, 1200 livres,  15de klasse

Jean Antoine Arnouts, idem, Neerlinter, 1200 livres,  15de klasse

Jean Louriers, idem, Wommersom, 1200 livres,  15de klasse

Vandormael, cultivateur, Wommersom, 1200 livres,  15de klasse

Schrijnenmaekers, rentier, Dormael, 1200 livres,  15de klasse

Berwaerts, rentier, Geetbets, 1200 livres,  15de klasse

Louis De Hertoghe, cultivateur, Weze sous Léau, 1200 livres,  15de klasse

La veuve Vandenpoel, cultivateur, Bosch commune de Léau, 1000 livres,  13de klasse

La veuve Vandenvinne, cultivateur et brasseur, Neerlinter, 1000 livres,  13de klasse

P.J. Dehertoghe, notaire, Léau, 900 livres,  12de klasse

Veuve Luyten, cultivateur, Léau, 900 livres,  12de klasse

Jean Goossens, cultivateur, Wezer sous Léau, 900 livres,  12de klasse

La veuve Lowet, cultivateur, Orsmael, 900 livres,  12de klasse

Le curé, cultivateur, Rummen, 900 livres,  12de klasse

Struys, locataire du château et des biens, Budingen, 800 livres,  11de klasse

Arnouts Père, cultivateur, Geetbets, 800 livres,  11de klasse

Veuve Goossens, cultivateur, Halle, 800 livres,  11de klasse

Henri Vandenweyer, cultivateur, Budingen, 700 livres,  10de klasse

N. Daenen, béguine, Léau, 600 livres,  9de klasse

Jean Vandenputte, notaire, Léau, 600 livres,  9de klasse

G. Janssens, cultivateur, Léau, 600 livres,  9de klasse

P.? Grants, locataire du chäteau et biens, Rummen, 600 livres,  9de klasse

Claes Weggers, cultivateur, Rummen, 600 livres,  9de klasse

Lambert Maha?, cultivateur, Rummen, 600 livres,  9de klasse

Les enfants Vanthienen, cultivateur, Graesen, 600 livres,  9de klasse

Buytenaecken prêtre, cultivateur, Halle, 600 livres,  9de klasse

Arnold Jacobs, cultivateur, Geetbets, 600 livres,  9de klasse

Renier Goossens, cultivateur, Halle, 600 livres,  9de klasse

Vanvuchelen, ci-devant secrétaire Bets, Neerlinter, 500 livres,  8de klasse

Pierre Duarta, cultivateur, Geetbets, 500 livres,  8de klasse

Goossens, curé et cultivateur, Halle, 400 livres,  7de klasse

Veuve Vantilt, cultivateur, Rummen, 300 livres,  6de klasse

M. Quaetspeerts, cultivateur, Rummen, 300 livres,  6de klasse

Theodore Arnouts fils, cultivateur, Geetbets, 300 livres,  6de klasse

Jean Mosoy, cultivateur, Rummen, 200 livres,  5de klasse

Pierre Schats, cultivateur, Rummen, 200 livres,  5de klasse

Antoine Dendas, cultivateur, Rummen, 200 livres,  5de klasse

Pol Schuermans, cultivateur, Rummen, 200 livres,  5de klasse

Jean Mickmans, cultivateur, Rummen, 100 livres,  4de klasse

George Vandermeeren, cultivateur, Rummen, 100 livres,  4de klasse

Mich. Houbrechts, cultivateur, Rummen, 100 livres,  4de klasse

H. Frenteur?, cultivateur, Rummen, 50 livres,  1de klasse

Bron: RA Anderlecht, Dijledepartement, nr. 1374
K.Vanden Abeele, De gewongen lening van het jaar IV (1795-1796): haar nut voor de sociale geschiedenis van Leuven onder Frans bewind, IUCHG, 31, Leuven, 1963. Gebaseerd op zijn licentiaatsverhandeling aan de KULeuven, 1962. Daar vindt men nominatieve gegevens over de gegoede stand in Leuven.

09:43 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

27-04-15

Aardappelziekte en Rozenkransen (1845)

"Jaar 1845. Zeer beminde lezer, hier moet ik voor u en ter eeuwigen gedachtenis beschrijven wat voor wonderlijks in deze gemeente Lippelo is voorgevallen. Het is begonnen, toen er een ziekte aan de patatten ontstond, die eerst begon in de streek van Kortrijk en Ieper, dan oversloeg naar de provincie van Gent, en tenslotte naar onze provincie, en zo hevig woedt, dat de patatten in bijna het hele rijk door deze ziekte zijn aangetast. Eerst zag men aan het loof dat er van onderen bruin vlekken aan de bladeren kwamen, almaar hoger en hoger en tenslotte zag men vlekken aan de stam. Dit nam dusdanig toe dat zij bijna droog werden en dat men ze waarachtig in brand kon steken. 

De eerste keer dat men dit in onze contreien zag, was op 20 juli. Dan ondervond men aanstonds dat de mensen naar onze kerk op bedevaart kwamen voor de patatten, omdat zij geloofden dat het door St.-Antonius was dat de patatten aangetast waren. Het is ongelooflijk hoe deze toeloop groeide, want gij lezer moogt geloven dat er tussen 18 juli en 15 augustus zoveel volk is geweest, dat het niet te beschrijven valt. Van de kant van Brussel, van Waterloo, van de streek van Leuven, van Tienen, St.-Truiden, Turnhout, Lier, Antwerpen, van al die kanten, zelfs van heel Belgenland, groepen van vijftig, honderd, tweehonderd, allemaal van één parochie, zelfs met hun pastoor erbij. De gebeden die men hier hoorde bidden, zijn niet te geloven. Men hoorde hen bijna de hele nacht door in de gemeente komen, in groepen die de rozenkrans lazen, zozeer, dat het om te wenen was, alleen bij het aanhoren ervan. Gij lezer moogt geloven dat er dagen waren dat er 7000 mensen op de gemeente waren."  

(Hertaald uit: M. SACRE, Uit het dagboek van Judocus de Keyser, in: Eigen Schoon en de Brabander, jg. 17, 1934, p. 361-362)

12:22 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

26-04-15

Honger en voedselrellen in 1817

De jaren 1816 en 1817 kenden slecht weer, magere oogsten, veel armoede en honger. Leuvenaar J.-B HOUS in zijn Leuvense Kroniek beschrijft alles zeer mooi en plastisch (1). We hertalen enkele pasages uit het jaar 1817. 

"Er heerst tegenwoordig een ongelooflijke armoede onder het gewone volk. Het doet opnieuw niets anders dan regenen. Dit jaar zullen er honderden bunders land onbewerkt blijven liggen, vooral zij die laaggelegen zijn (...) De levensduurte is algemeen in alle landen. Op de openbare wegen worden mensen aangevallen en alles afgenomen wat ze hebben. Er wordt gestolen dat het geen naam heeft.

Het jaar 1817 gaat dezelfde weg op als het ongelukkige jaar 1816. Het is vandaag 5 januari en het heeft niets anders gedaan dan geregend, men zegt dat het graan door de slakken wordt opgegeten. Het is nu een dure tijd, en als God ons niet helpt  alvorens het jaar ten einde is, wordt het een ongelukkige tijd, zowel voor de mensen als voor de beesten.

Men zegt dat er arme mensen zijn die patattenschillen gaan vragen aan de huizen om die op te eten. Het is niet te geloven hoeveel arme mensen er tegenwoordig zijn, zowel in de stad als op de buiten. Hoe lang duurt het nog voor de oogst er is? 's Avonds om half tien of tien uur lopen de armen nog achter de mensen die uit de herberg komen om een aalmoes te vragen.

Toen dit land nog tot Oostenrijk behoorde, onder Maria Theresia, waren er ook arme mensen, maar die waren arm bij naam, maar niet bij daad, want in alle kloosters gaven ze 's middags potagie en in de abdijen elke dag brood en dat aan al het arm volk dat zich aanbood, tot de kinderen toe, die ze in hun armen droegen; die kregen ook een homp brood.

Er zullen mensen van honger sterven, de armoede is groot, zo 'n duren tijd heb ik nog nooit meegemaakt, iedereen klaagt. De rijke klaagt dat hij niet betaald wordt van zijn revenuen, de ambachtsman klaagt dat hij met zijn dagloon niet kan leven, de arme klaagt dat er zo weinig gegeven wordt, buiten op de dorpen placht men aan de arme mensen brood te geven, maar nu met de duurte van het graan, geeft men oorden of Luikse oorden, maar daarmee is het arm volk niet content, ze willen brood hebben of patatten.

Op 18 juni, deze memorabele dag [18 juni 1817, de tweede verjaardag van de slag van Waterloo], zijn er in Brussel grote rellen geweest, door de duurte van het graan en alle andere levensmiddelen. Het gewone volk liep in massa naar de Barakstraat, waar ze een graanmagazijn plunderden. Nauwelijks had de erfprins [de prins van Oranje, die op dat moment in Brussel was] dit vernomen, of hij reed er in burgerkleren naartoe, vergezeld van een adjudant, om het volk te kalmeren, waarna het volk riep: "Wij willen brood -Wij sterven van de honger". De bakkers of broodmakers deelden aanstonds al het brood uit dat ze in hun winkels hadden, uit vrees om geplunderd te worden (...) De prins beloofde aan het volk dat er maatregelen zouden genomen worden, dat toekomende vrijdag alles goedkoper zou zijn.

In Brussel is alles gekalmeerd, maar hier in Leuven is op 23 juni ook tumult ontstaan. Het begon op de botermarkt met een gespuis van kleine jongens. Vandaar gingen ze naar de Graanmarkt en na het begaan van enige buitensporigheden, gingen ze naar het huis het Rozenkranske in de Parijsstraat, naar bakker Smeesters en daar plunderden ze al het brood. Vandaar gingen ze naar bakker Vanham in dezelfde straat en daar werd al het brood geplunderd. Vandaar gingen ze naar Malherp, tegenover het Vleeshuis, en deden ze wat ze bij de eerste twee bakkers gedaan hadden, en verder bijna van bakker tot bakker. Veel bakkers en bakkersvrouwen zijn er ziek van geworden. Nauwelijks was dit bezig, of er werd aan de militairen bevolen om de wapens op te nemen en te patrouilleren door de stad, ook aan de gendarmes en de burgerwacht. Er zijn er enigen opgepakt, alle winkels waren van de weeromstuit gesloten en zo is het beëindigd.

Op 21 juni heeft zich in Namen hetzelfde voorgedaan als in Brussel en Leuven, alsook in Gent, Brugge en Kortrijk, Antwerpen, Lier, Lokeren en Bergen. In deze laatste stad was het zo dat, terwijl ze bezig waren de stad te plunderen, er buiten de stad drie à vierduizend werklieden bezig waren te werken aan de versterkingen van de stad. Nauwelijks hadden ze dit vernomen, of zij wilden de stad intrekken, maar de poorten werden aanstonds gesloten en het kanon werd tegen hen gericht, het volk riep niets anders dan 'Brood, brood'.

Op 27 juni, vrijdag, gewone marktdag alhier, waren alle militairen bezig, van 's morgens vroeg. De gendarmerie deed patrouilles, alsook de burgers om elk oproer te voorkomen. Men zegt dat dit op alle marktdagen zal gebeuren."

(1) J.-B. HOUS, uitgegeven door J. DE KEMPENEER, Leuvense Kroniek (1780-1829), Heverlee, 1964, p. 256-261. De Maesschalck heeft de dagboeknotities van Hous voor de Franse tijd verwerkt: E. DE MAESSCHALCK, Overleven in Revolutietijd. Een ooggetuige over het Franse bewind (1792-1815), Leuven, 2003.
Nota: Ik denk dat men bij het hertalen van oud Vlaams-Nederlands een compromis moet maken tussen modernisering enerzijds en respect voor de originele woordenschat en syntaxis anderzijds. Daarom laat ik 'patatten' en 'beesten' staan, omdat die een andere gevoelswaarde hebben dan 'aardappelen' en 'dieren'.

11:24 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

27-03-15

Miliciens-Boerenkrijgers uit het Hageland

In de militielijsten van het kanton Zoutleeuw uit het jaar 7 (1798-1799) vond ik een twintigtal miliciens, die als brigand (Boerenkrijger) omschreven worden. Deze namen kunnen vergeleken worden met de lijsten in Gebruers en Martens (1). Onderzoek van de militielijsten van de kantons Zemst, Merchtem en Londerzeel, leverde geen vergelijkbare gegevens op.

Conscrits 1de classe (tussen 20 en 21 jaar)

Wenseleers Philippe, 20, menuisier, Zoutleeuw, brigand
Gregassé Jean, 20, maréchal, Zoutleeuw, brigand
Jonkers Jean François, 20, geen beroepsvermelding, Neerlinter, brigand, on le dit mort
Gilis Jean, 20, Budingen, brigand
Beelen Jean François, 20, Budingen, brigand
Reniers Adrien, 20, cultivateur, Budingen, brigand
Loomans, Jean François,  journalier, Budingen, brigand
Roelans Michel, 20, Geetbets, brigand

Conscrits 2de klasse (tussen 21 en 22 jaar):

Leonard Hollanders, 21 jaar, brasseur, Zoutleeuw, dans les brigands
Jean François Pantsaerts, 21 jaar, tailleur, Dormaal, dans les brigands
Guillaume Schepers, Geetbets, 21 jaar, fils de fermier, dans les brigands
Steegmans Pierre, Geetbets, fils de fermier, 21 jaar, dans les brigands

Conscrits 3de klasse (tussen 22 en 23 jaar)

Van Herk Jacques, 22, cordonnier, Zoutleeuw, dans les brigands
Van Horen Robert, 22, domestique, Hall, dans les brigands
Trekels Guillaume, 22, tisserand, Neerlinter, a été fait prisonnier à l’ affaire d’ Hasselt
Gilis Guillaume, 22, maréchal, Budingen, a été avec les brigands
Neyskens, Jean François, 22, ouvrier, Budingen, dans les brigands

Conscrits 4 klasse (tussen 23 en 24 jaar)

Scholts, Leonard, 23, cordonnier, Zoutleeuw, blessé parmi les brigands
Erterykx, Jean François, 23, tailleur, Neerlinter, fait prisonnier parmi les brigands

Conscrits 5de klasse (tussen 24 en 25 jaar)

Jongmans Henri, 24, ouvrier, Budingen, dans les brigands

Bron: RA Anderlecht, Dijledepartement, nr. 3357.

(1) E. MARTENS, De Boerenrkrijg in Brabant (1798-1799), 2005.

10:27 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

19-03-15

Patriottisch vuur van de boeren in 1790

"Op 12 juni 1790 om 10.30 uur arriveerden in Brussel een groot aantal inwoners van verschillende dorpen, te weten Groot en Klein Willebroek. Ze werden voorafgegaan door een detachement dragonders, vrijwilligers van Brussel, en door trompetten en pauken; ze waren gekleed in de livrei van deze stad. Ze werden vergezeld door een mooie muziekkapel die ze hadden meegenomen. Na de muzikanten volgden enkele jongens die een standaard droegen, waarop men lezen kon:

DE HEREN STATEN ZIJN ONZE VADERS
DE VONCKISTEN ZIJN VERRADERS

Dit laat zien hoezeer advocaat Vonck en zijn aanhangers in ongenade waren gevallen, zelfs op het platteland, waarvan ze snoefden dat ze er veel aanhangers hadden.

Men las op een ander plakkaat:

WILLEBROEK HEEFT 'T SPEL BEGOST
SIJ VOLHERDEN KOST DAT KOST

Inderdaad, de inwoners van Willebroek waren bij de eersten om de wapens op te nemen voor de verdediging van de constitutie en de privilegies van de religie.

Deze inwoners waren ten getale van 6 à 700, waarvan 60 te paard. Onder hen waren meerdere matrozen en schippers, sterke en robuuste mannen, bijna allen gewapend met geweren."

(uit het Frans vertaald vanuit: GERARD, Journal des troubles des Pays-Bas, 1790, dl. IV, p. 125-126)

"Op 30 juni 1790 zag men in Brussel de inwoners van verschillende dorpen arriveren. De eersten die aankwamen waren die van Lovenjoel. Ze werden gevolgd door de inwoners van Vertrijk, Boutersem, Binkom, Holsbeek, Linden, Pellenberg, Breissem, Attenrode, St.-Joris-Winge, St.-Pieters-Rode, Kortijk, Kerkom en van enkele andere dorpen, die in de buurt van genoemde dorpen liggen. Ze vormden een korps van 4 à 5000 man, waarvan 4 à 500 te paard. Een aantal van die dorpen liggen in het kwartier van Brabant, dat men het Hageland noemt, waarvan de inwoners altijd gekend waren om hun onverschrokkenheid, en en die door hun buren gevreesd werden.

Omstreeks één uur in de namiddag kwamen de inwoners van Berlaar, een groot dorp, gelegen in het kwartier van Antwerpen. Ze waren ten getale van 1500, waarvan ongeveer 200 te paard, en een mooi korps van vrijwilligers, ongeveer van dezelfde grootte, die rode kragen en omslagen droegen. Ze hadden bij hen een vlag met een kruis, met de inscriptie:

IN DIT TEKEN ZULT GIJ OVERWINNEN

Op de andere kant waren kanonnen en andere wapens geschilderd, met de woorden:

AANGENAAM IS HET TE STERVEN VOOR HET VADERLAND

De vrijwilligers van Berlaar waren zeer goed geoefend in het hanteren van de wapens. Voor het gebouw van het Congres deden ze verschillende militaire manoeuvres, en ze beloofden zich naar het patriottisch leger te begeven. Vermits hun aanwezigheid daar op het moment niet nodig was, dankte men hen voor hun goede wil en drukte men hen op het hart zich te blijven toeleggen op militaire exercities."

Uit het Frans vertaald vanuit: GERARD, Journal des troubles des Pays-Bas, 1790, dl. IV, p. 285-286. Zie over de eindeloze stoeten van plattelandsbewoners, die hulde brachten aan de Staten in juni-juli 1790 o.a. J. VERBESSELT, Van Revolutie tot Concordaat (1787-1801). Verzet en collaboratie in Brabant, in: Eigen Schoon en de Brabander, 1989, p. 281-322; A. HENNE en A. WAUTERS, Histoire de la ville de Bruxelles, 1845, dl. II, p. 389 e.v.

16:24 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

12-03-15

Huldebetoon door de boeren aan Leider Van der Noot (1790)

Het jaar 1790, waarin de kortstondige 'Verenigde Nederlandse Staten' zich intern en extern trachtten te organiseren, is een zo onwezenlijke periode, zo aartsreactionair, zo absurd, ja, zo op het randje van het belachelijke, dat het niet verwonderlijk is dat deze periode later in de geschiedschrijving met enige plaatsvervangende schaamte beschreven werd. Anyway, De Oostenrijkers waren weliswaar verdreven, maar in de loop van 1790 werd duidelijk dat die weleens terug zouden kunnen komen. Daarom trachtten de patriotten een legertje van vrijwilligers op de been te brengen. Dit groeide weldra uit tot een huldebetoon aan Van der Noot, de conservatieve voorman van de Natie. Men kan dit als een collectief ritueel beschouwen en daarom op zich interessant. Een collectief ritueel is 'een plechtige, van het alledaagse onderscheiden reeks van handelingen, waarin op directe of meer symbolische wijze de algemene waarden, normen en doeleinden van de gemeenschap worden bevestigd'.

Wij laten hier pastoor Heylen van Grimbergen aan het woord (1). Hij is in zijn kroniekje vaag qua chronologie, maar dit voorval speelt zich wellicht af in juni-juli 1790, toen de vrijwilligers uit de verschillende dorpen hun hulde brachten aan de Staten van Brabant, vertegenwoordigd door de conservatieve voorman Van der Noot. Pastoor Heylen schrijft dat de abdij van Grimbergen vond dat ze iets voor het vaderland moest doen. Ze bracht vele mannen en jongemannen op de been, deed hen in rijen van twee marcheren, met aan het hoofd de prior van de abdij, die te paard reed. De stoet werd voorafgegaan door een trommelaar en een fluitspeler, twee kleine jongetjes.

"Wanneer de jongens in Brussel aankwamen, werd er onmiddellijk getrommeld en op de fluit gespeeld, waarop al de mensen uit hun huizen kwamen. Toen zij die mannen zagen in een lange en ordentelijke colonne en daar die witte heren, waarvan velen wisten dat zij van onze abdij waren, riepen ze: "LEVE GRIMBERGEN! DAT ZIJN DE KERELS VAN GRIMBERGEN!". De provisor reed met zijn gevolg voorop naar de Sint-Goedelekerk. Met hetzelfde gevolg ging hij naar het hoogkoor en gaf hun allen, met de toestemming van het kapittel, de zegen met het Venerabel. Zijn doel was ongetwijfeld dat God de ijver en de trouw die zij gingen beloven, zou sterken en ook hen tot daden laten overgaan als de nood dit zou vereisen. De mensen, die in grote getale in de kerk waren meegekomen, waren heel ontroerd. Het was dan ook iets dat nog nooit gezien was.

Na de zegen gingen ze naar de Warande, met veel volk dat hen volgde. Toen ze aan het comité aankwamen, deed de provisor en twee andere heren (Van de Velde en Mary) hun mannen rondom hen in orde opstellen, en ging de provisor binnen bij Van der Noot. Na hem kort gesproken te hebben, kwam hij met hem naar buiten. Van der Noot was blij toen hij al die mannen zag, en hun eerbewijzen op hun manier. Dan gaf de provisor hem een mooi compliment, vertelde hem hoe al die mannen hun diensten kwamen aanbieden tot bescherming van het land, hoe zij allen wilden optrekken tegen de vijand, hoe zij hun leven in gevaar wilden stellen en ten beste geven, liever dan nog door de Duitsers [de Oostenrijkers] gekweld te worden. Deze en nog andere uitspraken deed de provisor aan Mr. Van der Noot. Dit ging hem zo ter harte dat hij zich niet kon inhouden. Dit toespraak en het zien van die mannen perste hem de tranen uit de ogen. Hij bedankte hen voor hun mooi aanbod en offer, gaf hun goede moed en zegde hen vriendelijk tot weerziens."

Pastoor Heylen beschrijft vervolgens hoe andere parochies het voorbeeld van Grimbergen volgden: 

"Sommigen kwamen deels te paard, deels te voet. Anderen hadden naast hun pastoor oversten met opvallende kledij. Anderen kwamen in een zeker uniform, bv. rode mouwen aan hun vest en een teken op de schouder; anderen kwamen met mooie muziek; anderen hadden bij hen wagens met verschillende afbeeldingen van de oorlog. Die van Duffel hadden bij hen een wagen waarop de oudste mannetjes van de parochie zaten. Die wagen kwam voor het comité en één van die mannetjes gaf een compliment aan Van der Noot en zei dat ze het weinige bloed dat ze nog hadden, ingeval van nood, voor het Vaderland wilden vergieten. Bijna de hele zomer duurde het dat de boeren kwamen. Het was een goede tijd voor Brussel en andere steden, waar er comités waren. Men had veel plezier en voor velen was het nog voordelig ook. Het bier werd bij de herbergiers niet gauw zuur, want het was rap weg."

Tja, over de Belgen en bier, de Franse revolutionair Camille Desmoulins schreef dat de Belgen een absurd Oosters volk zijn, bij wie hun knikkebollende rede nooit vooruitgang maakt en bij wie zowel de geest als het bier jaar na jaar exact dezelfde blijven (2).

De kroniek van het Roklooster schrijft het volgende over het huldebetoon van de dorpen aan de Staten van Brabant (3): "In het jaar 1790, in juni, omstreeks H. Sacramentsdag zag men alle parochies van Brabant persoonlijk hun hulp aanbieden aan de Staten. Ze bestonden uit veel gewapende mannen en vrouwen met stokken en hooivorken, degens en musketten, trommels, fluiten en andere muzikale instrumenten, vendels, zowel te voet als te paard, met hun respectieve pastoors, onderpastoors, capucijnen, minderbroeders, gewapend met degens en pistolen. Ze brachten geld mee voor het onderhoud van ons leger, sommige veel, andere weinig, 100, 1000 gulden en meer gecollecteerd, bij hun onderdanen, uit ijver voor hun vrijheid en religie.

Op H. Sacramentsdag ging de pastoor van Sint-Pieters-Woluwe na de vespers de verschuldigde eerbied aan de Staten betonen, met omtrent 150 gewapende mannen. Hij zat te paard met ontblote degen in de hand, maar ik ging mee met een stok. In de stad aangekomen, traden wij de hoofdkerk binnen, waar wij van de pastoor de zegen met het H. Sacrament van Mirakel ontvingen. Van daar gingen wij naar het Congres in de Warande, waar we onze hulde betoonden. Vervolgens trokken we naar de Grote Markt onder het roepen van "Leve de Staten, leve het Congres, leve Heintje [Hendrik van der Noot]. Na daar een kleine wapenoefening gezien te hebben, vonden we onze verlosser ten huize van  J.B. Van der Noot. De pastoor werd binnengeroepen en beschonken met een glas champagne, terwijl Heintje met ons sprak en ons geruststelde. De aanleiding was dat een kwaadwillige partij Ternat wilde bestormen, zoals ze in andere parochies gedaan hadden. De pastoor kwam in Brussel de zaak onderzoeken, gewapend met een degen."

Tja, de keizersgezinden en de Vonckisten maakten zich natuurlijk in vele pamfletten en karikaturen vrolijk over dit aartsreactionaire, clericale boerenleger...

1) D.J. DELESTRE, 'De Patriottentijd en de Franse Omwenteling in de streek van Grimbergen-Meise', in: ESB, 1967, p. 265-289. Voor een degelijke, wetenschappelijk behandeling van de huldebrenging van de boeren aan het comité van Van der Noot, zie: C. BRUNEEL, 'L' Adhésion populaire à la révolution: les campagnes brabançonnes en 1790', in: Handelingen van het Colloquium over de Brabantse Omwenteling 13-14 oktober 1983, 1984, p. 133-166. Bruneel buigt zich over de moeilijk te beantwoorden vraag of de duizenden boeren die in Brussel hulde brachten, dit uit vrije wil deden, dan wel of ze daartoe gedwongen werden door de machtshebbers. Hij wijst daarbij vooral op de rol van de grote abdijen. Een knappe analyse van de feesten van de Brabantse Omwenteling geeft P. DELSAERDT, 'Beatus populus qui scit jubilationem'. De feesten van de Brabantse Omwenteling (1789-1790), in De droom van de revolutie. Nieuwe benaderingen van het Patriottisme, 1988, p. 116-1134. 
2) J.L. POLASKY, 'Révolution et contrerévolution à Bruxelles', in: Idem, p. 124.
3) Kroniek van het Roklooster 1777-1809.

13:49 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |