26-03-10

Schermutseling in Rummen tussen de Brigands en het Franse leger

Na hun nederlaag bij Hasselt op 5 december 1798, bleven de Hagelandse Brigands de republikeinse gezagsdragers en de Franse troepen treiteren met kat- en muis-spelletjes. Ze opereerden in de grenszone tussen het Dijledepartement (Brabant) en het departement  van de Nedermaas (Limburg). Vooral de streek rond Geetbets vormde dikwijls hun uitvalsbasis. Hier bericht kantonscommissaris Coenen over dergelijke schermutseling op 31 december 1798.

Commissaris Coenen van Zoutleeuw aan departementscomissaris Mallarmé, 31 december 1798

Tienen, 11 novose jaar 7 (31 december 1798)

400 man zijn vorige nacht in de hoofdplaats van mijn kanton aangekomen. Ze kwamen van Herk in het departement der Nedermaas. Ze zijn om 7 uur vanmorgen vertrokken. Reeds om 9 uur werd de achtervolging ingezet. Er is contact gemaakt met de Brigands in de bossen van Rummen. Op het moment dat men mij geschreven heeft vanuit Zoutleeuw, is er musketvuur gehoord. Na het diner heb ik een tweede brief ontvangen, die mij toevertrouwde dat het vuur volledig opgehouden is, zonder dat men kan zeggen wat de afloop van de schermutseling is. Niettegenstaande denk ik u de zekerheid te kunnen geven dat de republikeinse troepen de overwinning hebben behaald, zonder nochtans u te kunnen zeggen of de Brigands gevangen zijn genomen. Het vuur was niet hevig en heeft niet lang geduurd, hetgeen mij doet vrezen dat de Brigands de mogelijkheid hebben gevonden om zich in veiligheid te stellen, temeer daar ze gebivakkerd zijn op 300 à 400 bunders in het bos van Raspe (?).

Morgen zal ik op de hoogte gesteld worden van deze zaak, als dit tenminste uw aandacht verdient. Ik zal u weldra het aantal Brigands overmaken. Daarover bestaat onzekerheid, de publieke opinie spreekt van 1000 man, maar een brief die ik van de municipaal agent van de gemeente Rummen heb ontvangen, spreekt van 300 à 400 man.

Groet en Broederlijkheid

Coenen

12:21 Gepost door Hagelandia in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: boerenkrijg, geetbets, brigands, directoire, rummen |  Facebook |

20-03-10

Doodsbedreigingen aan de kantonscommissaris van Zoutleeuw

Hoewel de Boerenkrijgers op 5 december 1798 bij Hasselt vernietigend verslagen waren door de Franse troepen, bleef nog lange tijd een verzetshaard smeulen in het Hageland. Geen spectaculaire feiten, maar schermutselingen, uitdagen en afdreigen van republikeinen, kat- en muisspelletjes met de Franse troepen.

Hier beschrijft commissaris Coenen van Zoutleeuw éen van die incidenten op 14-15 december. Hij overdrijft sommige dingen, om zichzelf in een beter daglicht te plaatsen. Zo schrijft hij dat hij zich in de voorhoede van de Franse troepen bevindt (ja, ik ben ijverig en moedig).

Hij zegt dat de brigands alle Franse ambtenaren die in hun handen vallen vermoorden. Dat is niet waar. Bij mijn weten was dit tijdens de Boerenkrijg zeer uitzonderlijk. Er werden wel geïsoleerde moorden bedreven door boerenkrijgers, maar die mogen niet veralgemeend worden. Dit behoort natuurlijk tot de Franse propaganda en is altijd aanwezig in een oorlogssituatie, het demoniseren van de tegenstander. Ook de Boerenkrijgers deden dit natuurlijk.

Hoewel de boerenkrijgers Coenen expliciet bedreigen in een affiche op zijn deur, schrijft hij dat hij daardoor niet bang gemaakt wordt. Dit is natuurlijk een flagrante loochening van zijn eigen gedrag, vermits hij naar Tienen vlucht. Trouwens, bij elk optreden van de brigands, kiest de commissaris van het Directoire vliegensvlug het hazenpad. Hij schrijft zelf aan zijn superieur dat hij voor de zesde maal moet vluchten. Dit getuigt niet bepaald van moedig gedrag, en dat zullen ze in Brussel ook wel geweten hebben.

Verslag van Coenen, kantonscommissaris van Zoutleeuw aan Mallarmé, commissaris van het Dijledepartement, 26 frimaire jaar 7 (16 december 1798)

In mijn brief van 13 december, Burger, heb ik u aangekondigd dat de Brigands zich in het Hageland verzamelen. Deze pest heeft reeds 's anderendaags (14 december) toegeslagen, als ze ten getale van 400 opgedaagd zijn in Geetbets. Ik werd daarvan op de hoogte gebracht door de adjunct van die gemeente, waarna ik mij spoorslags naar Tienen begaf om generaal La Croix te waarschuwen, die alle voorzorgsmaatregelen nam, 

Op 15 december zijn we om 8 uur 's morgens met een voldoende grote macht vertrokken. Ik behoorde tot de voorhoede, begeleid door een officier en een jager te paard. Toen we in Zoutleeuw aankwamen, vonden we alle deuren en vensters gesloten. Alen die doorgaan voor republikeinen, waren weggevlucht. Ik doe navraag en klaarblijkelijk zijn de Brigands reeds in Budingen. Wanneer de hoofdmacht arriveert, maken ze onmiddellijk mars naar die plaats. Ze sturen op de rechter- en linkerflank troepen. De rechterflank die door de Sint-Truidense Poort trok, werd aangevallen door de Brigands, ter hoogte van Ossenberg voor Zoutleeuw. De Brigands trokken zich terug in de bossen van Duras, die de troepen vervolgens doorzochten. Intussen hadden de Brigands via Wilderen de vlucht genomen naar Hallemael in het Departement Nedermaas, kanton Montenaken. De Franse troepen hebben gelogeerd voor Zoutleeuw om de volgende dag naar Tienen te vertrekken. 

U kan gemakkelijk zien, Burger, dat ik voor de zesde maal mijn domicilie met mijn familie moet verlaten. Ik kan nauwelijks twee dagen bij mij thuis blijven, of de helse bende duikt weer op en verplicht mij te vluchten, met achterlating van de gewapende macht. Ik kan mij onmogelijk in mijn kanton vestigen, zonder omringd te zijn door de gewapende macht. Op het moment waarop ik u schrijf, heeft elke gezagsdrager zijn woonplaats verlaten, vermits de Brigands zich op verschillende plaatsen in mijn kanton bevinden. Hun plan is huiveringwekkend: ze fusilleren elke functionaris die in hun handen valt. Vooral ik ben bedreigd omdat ze zeggen dat ik tot drie maal toe aan het hoofd heb gestaan van de troepen die hen opjagen. Ze hebben zelfs op mijn deur volgende inscriptie aangeplakt:

"Zolang er een Brabantse patriot bestaat, zal er geen genade bestaan voor meneer Coenen, die zich met de titel van burger commissaris du Directoire exécutif tooit. Bij zijn dood zal elk republikanisme verdwijnen in het eerbare kanton van Zoutleeuw."

Deze affiche heeft me helemaal geen angst aangejaagd, maar het voorbeeld van de moorden die ze bedrijven, heeft me ertoe aangezet om mijn domicilie in Tienen te vestigen. Ik ben ervan overtuigd dat, als men troepen in de vier kantons van Zoutleeuw, Glabbeek, Bautersem en Scherpenheuvel zou onderbrengen, binnen de maand het brigandisme volledig beëindigd zou zijn.

Groeten en broederljkeheid,

Coenen

Bronnen

Rijksarchief Anderlecht, Dijledepartement, nr. (nog op te zoeken)

De republikeinse gezagsdragers moeten het leger helpen

Het centrale bestuur van het Dijledepartement was eind 1798 ontstemd over de lafheid van de gemeentelijke bestuurders, die wegvluchtten bij het naderen van het republikeinse leger. Was dit omdat ze heimelijke sympathieën haden voor de Boerenkrijgers, of omdat ze bang waren voor represailles van de brigands, als ze het Franse leger hielpen, of omdat ze opzagen tegen de geweldige rompslomp en verstoring van het dagelijks leven, die het verzorgen, voeden en inkwartieren van soldaten met zich meebracht?

VRIJHEID                                                     GELIJKHEID                                                                                                             

-----------------------------------------------------------------------------------------------

De Centrale Administratie van het Dijledepartement

 Ons is ter ore gekomen dat municipale agenten en adjuncten in de plattelandsgemeenten van dit departement zich verschuilen bij het naderen van de troepen, hetgeen verhindert om hen ordelijk in te kwartieren en hen van de nodige levensmiddelen te voorzien, en de uitvoering verhindert van de bevelen van de militaire chefs en commandanten ;

Overwegende dat een dergelijk gedrag zeer laakbaar is, omdat ze de militaire operaties bemoeilijkt en de burgers aan zeer zware ongemakken en overlast onderwerpt,  et dat het dringend is daaraan te verhelpen;

Overwegende dat het de plicht is van elke openbare ambtenaar om in dergelijke omstandigheden op zijn post te blijven, vooral wanneer een beschermende krijgsmacht zijn intrede doet in een gemeente;

Gezien zijn besluit op datum van gisteren, dat aan de municipale agenten en adjuncten oplegt om, onder hun verantwoordelijkheid, de militaire chefs te instrueren omtrent de gang en het naderen van de Brigands;

Gehoord de commissaris van het Direcoire exécutif;

BESLUIT:

1)       Het wordt uitdrukkelijk verboden aan municipale agenten en adjuncten om hun post te verlaten bij het naderen van het republikeinse leger.

2)       Het wordt hen opgedragen om, van zodra een legerkorps in hun gemeente arriveert, de organisatie van de inkwartiering te regelen, alsook de nodige levensmiddelen ter hand te stellen, en de militaire chefs bij te staan in de uitvoering van de maatregelen en operaties, waarmee ze belast zijn, en waarvoor hun interventie nuttig wordt geacht;

3)       Zij die zich verschuilen en weigeren deze plichten op zich te nemen, zullen aangeklaagd en vervolgd worden als wetsovertreders en medeplichtigen van de Brigands;

4)       De militaire chefs wordt toegestaan om ten huize van hen een gewapende macht te logeren, die op hun kosten zal onderhouden worden;

5)       De Commissarissen van het Direcoire exécutif bij de municipale administraties zullen toezien op de uitvoering van dit besluit, en zullen de agenten en adjuncten die deze beschikkingen overtreden, aangeven bij deze administratie;

6)       De bevelvoerende generaals en militaire commandanten worden uitgenodigd om van hun kant diegenen aan te wijzen die zich verschuilen of weigeren hun functies te vervullen;

7)       Dit besluit zal gedrukt worden op een voldoende groot aantal exemplaren om, door de inzet van de commissarissen bij de municipaliteiten, verdeeld te worden aan elke municipale agent en adjunt; het zal gestuurd worden naar de bevelvoerende generaal van het departement;

Besloten ter zitting in Brussel, op 6 nivose jaar 7 (26 december 1798)

Aanwezig de burgers ANNEMANS, voor de voorzitter; VAN HELMONT;  D' ELDEREN; GLIBERT, bestuurders.; MALLARME, commissaris van het Direcoire Exécutif. en VAUTHIER, secretaris-generaal.

_________________________________________________________________________________

 Brussel, Drukkerij TUTOT, Naamse Straat, Nr. 940.

 

De boerenkrijgers persen de agent van Geetbets af

We hebben reeds gesproken over de Boerenkrijg in het kanton Zoutleeuw: Boerenkrijg in het kanton Zoutleeuw. Hoe de brigands eind november 1798 na hun nederlaag bij Diest afdropen naar de dorpen rond Zoutleeuw, waar ze zich hergroepeerden om naar het departement Nedermaas (Limburg) op te rukken. Ze gedroegen zich driest en bedreigden republikeinse gezagsdragers. Coenen, de kantonscommisaris van Zoutleeuw, voelde zich machteloos, omdat hij te weinig troepen had. Hij was gevlucht naar Tienen omdat hij zich niet veilig voelde.

Op 2 december ontving de municipale agent van Geetbets een afpersingsbrief van de brigans, waarin deze de betaling van 500 gulden eisten. Deze brief werd overgemaakt aan commissaris Coenen, die hem liet vertalen en overmaken naar Brussel.

Kopie van de requisisite door de commandant van de baanstropers aan de municipale agent van Geetbets

Wij bevelen aan de agent van de gemeente Geetbets, om zeven uur vandaag 500 gulden te komen betalen, die u zal overhandigen aan de schatmeester, die gelogeerd is bij Baas Arnauts, waarvan u behoorlijk kwijtschrift zal bezorgd worden bij order van de comandant van het vaderlandse volk. In geval van niet-betaling tegen die tijd, zal men u als rebel beschouwen en uw verdiende straf ondergaan ...Geresolveerd in het hoofdkwartier in Geetbets.

2 december 1798, ondertekend door de commandant, Van Haesendonck.

19-01-10

Waarom heemkunde bedrijven?

Ik spreek niet graag ove heemkunde, die term heeft nogal een Blut-und-Boden associatie. Liever spreek ik over lokale geschiedenis.

Lokale geschiedenis is redelijk populair, dikwijls bij gepensioneerde mensen, die tijd genoeg hebben om zich daarmee bezig te houden. Want vergis je niet: lokale geschiedenis is moeilijk, taai, en zeer tijdsintensief. Als men er zich niet toe wil beperken om oudere heemkunidge geschiedenissen over te schrijven (wat velen doen), dan moet men geduldig oude, nauwelijks leesbare archiefstukken doorsnuffelen, in de hoop iets te vinden dat van belang is voor de geschiedenis van zijn dorp. Men moet het geduld van een visser hebben, uren turen op zijn dobber, totdat die plots ondergaat en blijkt dat men een dikke snoek aan de haak heeft. Dit betekent: men met veel oude stukken doorgronden, veel frustraties ondergaan en niets vinden. Maar als men een belangrijke document vindt dat een nieuw licht werpt op de geschiedenis van zijn dorp, dan geeft dit een ongelooflijke vreugde.

Waarom houden mensen zich met heemkunde of lokale geschiedenis bezig? Mensen die geen affiniteit hebben met geschiedenis, kunnen misschien een beetje meewarig lachen met die heemkundigen. Zouden ze niet beter iets nuttigs doen, bv. vrijwilliger worden in een lokale vereniging, of gaan vissen?

De motivatie om zich met lokale geschiedenis bezig te houden, verschilt volgens mij nogal sterk van persoon tot persoon. Velen zijn begonnen als genealoog. Ze hebben de genealogie van hun familie opgezocht, maar op een bepaald moment is dit gedaan: er is niets meer te vinden. Ze voelen de drang om hun genealogie uit te breiden tot een familiegeschiedenis, het kale geraamte van namen en data opvullen met wat meer vlees. Of ze willen de sociale kaders waarbinnen hun voorouders leefden, beter leren kennen. De genealoog groeit aldus door tot heemkundige/lokale geschiedkundige.

Vele heemkundigen zoeken naar hun wortels, hun identiteit, hun inschakeling in de ketting van generaties, en hopen daar een gevoel van verworteling en identiteit te vinden. Ik weet niet in hoeverre ik persoonlijk mezelf in deze motivatie kan vinden. Ik zoekt het ruimer: de wortels opzoeken van de identiteit van het Vlaamse volkje, waarmee ik in een haat-liefde ben verwikkeld. Ja,wij waren een volk van keuterboertjes en landarbeiders, die in smerige boerderijtjes en lemen hutten woonden, waar een ongelooflijk armoede en een gebrek aan hygiëne heerste, die naar onze normen niet meer voorstelbaar zijn.

Voor mij heeft heemkunde nog een andere motivatie: die van de dedective. Het gaat om het zoeken naar zeer schaarse, moeilijk toegankelijke informatie. Om een vergelijking te geven: de informatie op internet is zo overvloedig, redundant en verdund, dit betekent het eindeloos herhauwen van altjd dezelfde informatie, en het van elkaar overschrijven. Het zoeken naar en het vinden van zeer schaarse informatie geeft het gevoel dat men echt iets kan toevoegen aan de stock van kennis van de mensheid, en dit geeft een ongelooflijk gevoel van vreugde.

En geloof me vrij: ik ben een zeer, zeer goede dedective. Mijn intuïtie weet altijd wel waardevolle informatie te vinden. Talloos zijn de gevallen waabij ik puur toevallig zeer belangrijke informatie vond. Ja, ik sta in een rechte lijn tot Jacques Frost, Inspector Lynley en Commissaris Barnaby. Hoe moeilijk ook, ik weet altijd de dader te vinden (symbolisch gesproken natuurlijk)...

 

14:40 Gepost door Hagelandia in Algemeen | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

28-12-09

Boerenkrijg in het kanton Zoutleeuw (november 1798)

Met de Boerenkrijg bedoelt men de opstand van hoofdzakelijk plattelandsbewoners van onze gewesten tegen het Franse regime tijdens de maanden oktober-december 1798. Ik wil mij hier niet uitspreken over de ideologische wortels van de Boerenkrijg, die in de 19de eeuw door de katholieken en de flaminganten werd geaccapareerd. In de hedendaagse visie op de Boerenkrijg was het een wanhoopspoging van de tot het uiterst getergde plattelandsbevolking die zich in haar essentiele waarden geminacht voelde door de Franse revolutionairen.

Hier geef ik in een vrije vertaling het verslag van Coenen, commissaris vqn het kanton Zoutleeuw, aan departementscommissaris Mallarmé van het Dijledepartement op 19 november 1798. Het verslag is zo levendig geschreven, dat ik mij van commemtaar onthoud. Tenzij dit: de Brigands hadden de stad Diest ingenomen, maar werden daaruit door de Franse troepen verdreven. Blijkens dit  verslag van kantonscommissaris Coenen verzamelden de verslagen Brigands zich in de kantons Zoutleeuw en Glabbeek. Naderhand zouden ze zich begeven naar Hasselt, waar ze op 5 december 1798 vernietigend verslagen werden door het Franse leger.

Coenen, commissaris van het kanton Zoutleeuw, aan Mallarmé, Commissaris van het Dijledepartement, 19 november 1798

Na hun nederlaag in Diest (15 november) zijn de Brigands op 16 november om 9 uur 's morgens gearriveerd in de hoofdplaats van dit kanton (Zoutleeuw), ten getale van 800 à 900, Na gegeten en gedronken te hebben, zijn ze vertrokken naar Rummen, waar de inwoners hen deden geloven dat de (Franse) troepen in aantoch waren.. Ze zijn gevlucht en hebben uiteindelijk halt gehouden op de Bolderberg [gehucht van Zolder?] , in de omgeving van de voormalige abdij van Herkenrode. Daar hebben ze zich verspreid: een deel is naar huis gegaan, een ander deel heeft zich diezelfde dag (16 november) op pad begeven naar het kanton Glabbeek, waar ze een schuilpaalts hebben gezocht in de bossen rond de gemeenten Kortenaken, Kersbeek, Kapellen, Hoeleden, Miskom, etc. Daar zijn ze gedurende een onbepaalde tijd gebleven. We dachten dat ze zich verspreid hadden, maar neen, integendeel, ze zijn zich aan het groeperen. De rebellen die naar andere plaatsen gevlucht waren, trekken daar naartoe..

Gisteren (18 november) heb ik iemand gestuurd om hen te bespionneren. Hij werd aangevallen door de Brigands in Kortenaken, ze rukten zijn tricolore kokarde af. Hij zegt dat hun aantal 2000 man bedraagt, een aantal dat dagelijks groter wordt. Uit de rapporten die mij bereiken, ben ik er zeker van dat de Brigands, die na hun nederlaag in Diest naar huis zijn gegaan, zich nu opnieuw naar de bovenvermelde gemeenten begeven.

Gisteren (18 november) was op de kerkdeuren van Kortenaken, Hoeleden, etc. aangeplakt dat het verzamelpunt in Kortenaken ligt. Die affiches zijn ook in mijn kanton verspreid, ze zijn onder andere in groten getale in Geetbets aangeplakt. De Brigands worden door deze opruiende affiches opgeroepen om de door God beschermde wapens op te nemen. Ze nodigen ook de conscrits uit om de wapens ter hand te nemen voor de verdediging van de Religie.

Gisteravond zijn niet alleen die van mijn kanton, maar ook die van andere kantons naar het verzamelpunt vertrokken.

Na dit alles, commissaris, u ziet dat ik niet in mijn kanton kan blijven zonder gesteund te worden door de gewapende macht, die er momenteel niet is. Ik heb geen enkele man, mijn agenten die trouw zijn gebleven durven niet naar mij te komen, tenzij incognito 's nachts, uit angst om door de Brigands vermoord te worden. Ze verspreiden pamfletten waarin ze zeggen dat ze zich zullen vergrijpen aan de ambtenaren die nog durven hun functies te vervullen.

Zo is de situatie in mijn kanton, waar ik vanmorgen teruggekeerd ben om er te blijven, totdat ze me voor de achtste keer zullen verdrijven.

 Groet en broederlijkheid

 Coenen

Bronnen

Rijksarchief Anderlecht, Dijledepartement, nr. 3878.

27-12-09

De municipaal agent van Lubbeek meldt zich ziek (januari 1796)

    We hebben het al dikwijls gezegd dat de Franse revolutionairen geen sinecure hadden om in 1795/96 geschikte bestuurders te vinden voor de gemeentelijke plattelandsbesturen. In afwachting van de verkiezingen van 1797 werden deze benoemd door de Centrale administratie van het Dijledepartement. Talrijk waren de uitvluchten waarmee de kandidaten voor de functies van municipaal agent en adjunct trachtten zich eronderuit te werken.

    Neem nu de brief brief die Henri Dillemans, die tot municipaal agent van Lubbeek was benoemd, op 10 januari 1796 aan departementscommissaris Lambrechts schreef, waarin hij de redenen uiteenzette waarom hij die functie niet kon waarnemen: Malgré mon zêle pour le bien public, je me sens de tous chefs incapable de remplir cet emploi: d' abord je ne sais pas la langue française, et je ne peux pas bien lire ni écrire le Flamand, même je ne suis pas en état de dresser une declaration et beaucoup moindre un proces-verbal ou tableau. Ma santé altérée depuis longtemps me defend de vaguer ... aux affaires publiques qui ne sont pas de mon resort...De ongelukkige Dillemans had bij deze brief zelfs een medisch attest gevoegd, waarin de chirurgijn van Lubbeek zijn aanvraag ondersteunde. Wou hij het republikeinse bestuur flutjes wijsmaken, en had hij het op een akkoordje gegooid met de dokter van Lubbeek om hem ziek te verklaren, teneinde zich aan zijn taak te onttrekken? In alle geval, het is duidelijk dat de kandidaten die door de Centrale Administratie van het Dijledepartement waren aangesteld om de plattelandsgemeenten te besturen, niet erg geneigd waren om de hen toevertrouwde taak op zich te nemen.De functies van municipaal agent en adjunct waren niet bezoldigd, hun werk en hun officiële ambt waren moeilijk te combineren, en velen beriepen zich op ziekte. Ook de verplichting om de eed van haat aan het koningschap af te leggen schrikte velen af. 

    Bronnen

    Rijksarchief Anderlecht, Dijledepartement, nr. 2867.

24-12-09

Verkiezingsfraude in Bunsbeek, jaar VI

Enkele burgers van Bunsbeek aan de Centrale Administratie van het Dijledepartement, 1 prairial jaar VI (20 mei 1798)

In vorige bijdrage hebben we gezien hoe de verkiezingen tijdens het Directoire in onze gewesten georganiseerd werden. In de kantonnale Assemblée primaire werden de kiesmannen verkozen, die later de kandidaten voor de wetgevende lichamen in Parijs konden aanduiden. Daarnaast vonden ook verkiezingen plaats waarbij de lokale bestuurders van elke gemeente werden aangeduid: de agent municipal en de adjoint. Die verkiezingen vonden plaats in de gemeentelijke Assemblée municipale.

De verkiezingsprocedure voor de lokale ambtenaren was dezelfde als voor de departementale kiesmannen: alleen burgers die ingeschreven waren in het Registre civique konden stemmen en verkozen worden. Er werd een voorzitter, secretaris en stemopnemers gekozen. De namen van de kiezers ingeschreven op het Registre civique werden voorgelezen, waarna overgegaan werd tot het kiezen van een municipaal agent en zijn adjunct.

Op lokaal vlak vond er een machtsstrijd plaats tussen overtuigde republikeinen en aanhangers van de oude orde. Elke groep trachtte de verkiezingen te gebruiken en te manipuleren ten eigen bate. We hebben een geval gevonden in verband met de verkiezingen van 1 prairial jaar VI (20 mei 1798) van de municipale agent van Bunsbeek, dat tot het kanton Glabbeek behoorde. Blijkens de klacht van enkele Bunsbeekse burgers werd Joseph Denis verkozen, die niet op de kiezerslijst was ingeschreven, hetgeen onwettelijk was. Jean Charles, Toelen en Jan van Goedtshoven, deden hierover hun beklag bij de Centrale Administratie van het Dijledepartement. Wellicht waren zij aanhangers van het Franse regime, anders zouden ze niet kunnen hopen om gehoor te vinden bij het bestuur van het departement. Opvallend is dat ze de klacht in het Nederlands maakten, terwijl alle administratie in het Frans behoorde te gebeuren.

Ik geef hier letterlijk de klacht van die verontwaardigde burgers van Bunsbeek. Maar omdat men toen nauwelijks hoofletters, komma 's en punten gebruikte, voeg ik die er zelf aantoe om de leesbaarheid te bevorderen. Ook voeg ik witregels toe, omdat monolitische teksten op internet nauwelijks leesbaar zijn. Hier staan we voor fundamentele problemen in verband met teksteditie: blijven we zo getrouw mogelijk aan de letterlijke tekst, of passen we hem aan teneinde hem voor hedendaagse lezers begrijpelijker te maken?

Vrijheijdt gelijkheijdt broederlijkheijdt

Proces verbael van wegens de gemeijnten van Bunsbeek, canton van Glabbeek

Wij ondergeschreven borgers van Bunsbeek, verclaeren hoe dat op den 13 floreal 6 jaar de Republiek, binnen onsen dorpe van Bunsbeek, canton van Glabbeek, omtrent 3 uren naer middag sijn vergaedert geweest de borgers, welke regt hebben om te kiesen, tot het kiesen voor eenen agent, ten huijse van joannes van Troeijenhoven tot Bunsbeek,

ende de gemeijnten vergaedert sijnde, is er gekosen eenen president  met eenen secretaris en drij scrutateurs, en eer den keus begonst is, den apel gedaen van de borgers staende op den borgers leijst, en den apel gedaen sijnde, is er uijtgesproken, al die op den borgers leijst oft Register civick niet en stonden, dat sij geen stem konde geven, oft niet en konde aengekosen worde,

dan is het geschiet, als dat door de meerderheijdt der stemmen is aengekosen voor agent Josephus Denis, inwoonder tot Bunsbeek, welke op den borgers leijst of register civick niet en staet, en dat wij ondergeschreven borgers protesteren tegen die stemme die Josephus Denis heeft bekomen, en dat wij seggen als dat de amt van agent souden moeten sijn aen die de meeste stemme heeft bekome naest Joseph Denis, welke op den registre civik staet,

daerom sende wij ondergeschrevenen, aen u oppermagt dees proces verbael om te laeten cesseren volgens de wetten van t republieck, ende versoeke wij ondergeschrevene dat ul: de goetheijdt souden willen hebben van cito te willen schreijven aen het canton van Glabbeek over het versoek van dese klacht

Blijve met alle eer en respeck ul: onderdaenig en houwe ons aen de wet der Republiek vive Republieck

Actum Bunsbeek canton van Glabbeek, den 1 prairial 6 jaar der Franse republieck

Jean Charles
Toelen
Jan van Goedtshoven

Bronnen

Rijksarchief Anderlecht, Dijledepartement, nr. XX.

23-12-09

Verkiezingen van het jaar VI in het kanton Glabbeek

Toen onze gewesten op 1 oktober 1795 bij de Franse Republiek werden geannexeerd, werd hier ook de grondwet van het jaar III van kracht verklaard. Die voorzag in het houden van getrapte verkiezingen voor de Conseil des Cinq-Cents en het Corps Législatif in Parijs. Alle burgers ouder dan 21 jaar, die zich hadden laten inschrijven op de kiezerslijst, het Registre Civique, konden stemmen. De kiezers waren verzameld in de Assemblée primaire per kanton. Die kozen dan een aantal kiesmannen, die later in de Assemblée électorale in de departementshoofdstad de kandidaten voor de wetgevende kamers in Parijs kozen.

De verkiezingen vonden elk jaar op 21 maart plaats. Wegens politieke redenen achtten de Franse gezagsdragers het niet opportuun om al in het jaar IV (1796) verkiezingen in de geannexeerde gewesten te organiseren. Die vonden voor het eerst plaats in het jaar V (1797). Hier geef ik het verslag van de verkiezingen van het jaar VI in het municipaal kanton Glabbeek (21 en 25 maart 1798).

De kiesverrichtingen waren strikt gereglementeerd volgens de wet. Alleen zij die ingeschreven waren in het Registre civique mochten stemmen. De oudste kiezer werd voorlopig voorzitter van het stembureau en de jongste kiezer voorlopig secretaris. Vervolgens gingen de kiezers over tot het kiezen van een definitieve voorzitter en secretaris. Op de tweede kiesdag (25 maart) kozen ze drie definitieve stemopnemers (scrutateurs), waarna de voorzitter het kiesbureau als definitief verklaarde. Tenslotte ging men over tot het verkiezen van de kandidaten door het deponeren van de stembriefjes in een urne.

Hier werden Joseph Louis Coenen, dokter en schoonbroer van de kantonnale commissaris, en Winand Pierre Schutters verkozen tot de kiesmannen van het kanton Glabbeek. Volgens kantonscommissaris Van Rattemborch waren het goede en loyale republikeinen, die niet zouden teleurstellen. Van Rattemborch stelt natuurlijk de situatie schoner voor dan hij in werkelijkheid was. Het Franse regime werd door het grootste deel van de bevolking gehaat en het was uiterst moeilijk om de burgers ertoe over te halen te gaan stemmen. In dit verslag bijvoorbeeld staat niet hoeveel kiezers er ingeschreven waren in het Registre civique, en hoeveel van hen zijn opgedaagd bij de verkiezingen. Het zullen er weinig geweest zijn, als ik afga op hetgeen ik gelezen heb over de verkiezingen in andere kantons. Ook waren er de manipulaties van de kiezerslijsten, het ongeldig verklaren van verkiezingsresultaten wanneer die het Franse bewind niet welgezind waren, etc.

 

Van Rattemborch, commissaris van het kanton Glabbeek aan Mallarmé, commissaris van het Dijledepartement, 6 brumaire jaar VI (moet VII zijn) (21 oktober 1798)  

Les habitans du canton de Glabbeek inscrits sur le registre civique aiant droit de voter, se sont assemblés du plein droit le premier germinal an 6me (21 maart 1798) de la Republique Francaise une et indivisible, à deux heures et demi du relevée, et après le son de cloche se sont formés en bureau provisoire, et le President d' âge aiant d' abord invité les citoyens aiant droit de voter, qui n' étoient pas âgés de vingt cinq ans, sachant lire et écrire à se rapprocher du Bureau, et le plus jeune d' âge sachant lire et écrire, étant réconnu pour secrétaire provisoire, et le Président d' age aiant déclaré que l' assemblée étant point definitivement constituée, on ne pouvait s' occuper d' un autre object, que l' élection d' un President, et d' un Secrétaire et scrutateurs definitifs, et le President d' âge a invite le Secrétaire provisoire de faire l' appel nominal alphabétique des Citoyens inscrits au Registre Civique du Canton de Glabbeek, qui fut remis de la part de la municipalité au Bureau provisoire et de suit le Secrétaire a commencé l' appel nominal, marquoit les noms absents, et comme le réappel, et chacun a mis son billet dans une vase close, et un billet contenant..? dans une autre vase, et après exact dépouillement, le Président ayant obtenu la majorité absolu des suffrages, ainsi que le Secrétaire aiant obtenu la majorité absolu sont reconnus Président et Secrétaire définitifs, et la Séance fut ajournée jusqu' au cinq germinal (25 maart) pour procéder au elections des scrutateurs et electeurs pour notre Canton. C' est qui a proclamé par le Président, et ces Elections ont étés publiés dans chaque commune du Canton.

Le 5 Germinal à trois heures et demi les members étant assemblés, après lecture fait sur les instructions concernant les assemblées primaires, suivant la Loi du 18 Ventose, le Président et Secrétaire définitifs aiant fait le serment aux termes de l' article XI de la Loi du 19 Fructidor, le Président a annoncé à l' assemblée qu' on alloit procéder à un seul scrutin à la nomination des trois scrutateurs définitifs, et les trois scrutateurs provisoires ont continués jusque la à en exercer les fonctions durant cette Election, et sur l' invitation du Président le Secrétaire a fait l' appel nominal de la liste remise de la part de la municipalité, et après le réappel chaque membre présent appelé à approcher le Bureau pour écrire ou faire écrire son bulletin, et a prêté individuellement le serment préscrit à haut et intelligible voix, et depuis il a deposé son bulletin dans le vase destiné à les recueillir, et après exact depouillement les trois Citoyens aians obtenus la majorité absolue des suffrages, sont reconnus et proclamés scrutateurs définitifs, et le Président aiant declare, que le Bureau définitivement organisé, on alloit procéder à l' election de deux Electeurs suivant la declaration fait par la municipalité, le Président a invite le Secrétaire a faire l' appel nominal, et après l' appel fait il a demandé à l'assemblée primaire, si les noms portés sur le Registre Civique ne devoit être disputes a aucun Citoyen, l' Assemblée a declare qu' elle ne fut pas dans le cas d' exclure aucun Citoyen porté par la municipalité sur le Registre Civique, et l' Assemblée a arrêté de procéder à l' election de deux Electeurs, et après exacte depouillement, l' Assemblée primaire du bon Conseil du Canton de Glabbeek nous a rendus deux honnêts et loyals Citoijens pour Electeurs du Département de la Dyle, savoir le citoyen Joseph Louis Coenen, médecin, mon beau frère et le Citoijen Wijnand Pierre Schutters, sur les quels on peut compter, et qui sont des vraix et bons Républicains, et qui ont beaucoup contribués..., les quels vous présenteront leur Respect à leur arrivée à Bruxelles Chef lieu du Departement de la Dyle

Salut et Respect

Van Rattemborch

Bronnen

Rijksarchief Anderlecht, Dijledepartement, nr. xxx

 

28-11-09

Veetelling Roosbeek in 1795

Tabelle van t' getal der peerden, veulens, koeijen, runderen, ossen, kalveren, vaeren (sic), verkens, boven de 6 maanden en onder, schaepen, oeijen, lammeren, sich bevindende in de gemeijnte van Roosbeek 

Henr. Monnoij, 3 paarden, 1 veulen, 9 koeien, 4 runderen, 3 kalveren, 1 vaars, 4 varkens > 6 maand, 6 varkens < 6 maand

Joannes Vranckx, 4 paarden, 1 veulen, 4 koeien, 4 runderen, 1 kalf, 5 varkens > 6 maand

Jacobus Vranckx, 3 paarden, 6 koeien, 2 ossen, 2 varkens > 6 maand, 5 varkens < 6 maand

Jacobus Dewael, 3 paarden, 1 veulen, 5 koeien, 3 runderen, 1 varken > 6 maand, 5 varkens < 6 maand

Henr. Huts sone arnoldi, 2 paarden, 1 veulen, 3 koeien, 1 rund, 1 kalf, 2 varkens > 6 maand, 4 varkens < 6 maand

Francis Geens, 2 paarden, 1 veulen, 4 koeien, 3 runderen, 3 varkens < 6 maand

Hieronimus Geens 4 koeien, 1 rund, 1 varken > 6 maand, 2 varkens < 6 maand

Guilliam vanweddingen, 1 paard, 1 veulen, 3 koeien, 2 runderen

Franc. Vanweddingen, 1 paard, 1 veulen, 3 koeien, 1 os, 1 kalf

Petrus Wera, 1 paard, 1 veul, 3 koeien, 1 rund, 1 kalf

Jan Dons, 1 paard, 1 veulen, 2 koeien, 1 rund, 1 kalf

Francis vanweddingen, 2 koeien, 2 runderen, 2 kalveren

Lamb. Festraets, 2 paarden, 3 koeien, 1 rund

Louis Lambrechts 3 koeien, 1 rund, 2 kalveren

Petrus Geens, 1 paard, 3 koeien, 1 rund, 1 kalf

Theodor Dewit, 2 koeien, 2 runderen, 1 varken < 6 maand

Henr. Vanweddingen, 1 veulen, 3 koeien, 1 kalf

Joannes Pans, 2 koeien, 1 kalf, 2 varkens < 6 maand

Adr. Serv. Desi?, 2 koeien, 1 rund, 1 varken < 6 maand

Petrus Janssens, 1 koe, 1 rund, 1 kalf, 1 varken < 6 maand

Petrus Vandecauter, 2 koeien, 1 kalf, 1 varken < 6 maand

Jac:Vrancx Sen.(ior), 2 koeien, 1 rund, 1 varken < 6 maand

Henr. Vanhaegendoren, 2 koeien, 1 rund, 1 kalf

Petrus de Coster, 2 koeien, 1 kalf

Franc Festraets, 1 koe, 1 rund, 1 varken < 6 maand

Wed. Guill. Lauers, 2 koeien, 1 rund

Arn. Geusens, 2 koeien, 1 rund

 Guill. Cauwenberghs, 2 koeien, 1 rund

Albert vandecauter, 2 koeien, 1 kalf

Petrus Huts,  2 koeien, 1 rund

Joannes Boon,  1 koe, 1 kalf, 1 varken < 6 maand

Henr. Huts, 1 koe, 1 rund, 1 varken < 6 maand

Gilis Laermans, 1 paard, 1 koe

Petrus Michiels, 1 koe, 1 rund

Jan van Sevenbergen, 2 koeien

Wed. Jacob Vanderstucken, 1 koe, 1 rund

Theodor Laermans, 2 koeien

Joannes den Abt, 1 koe, 1 kalf

Hier. Noë, 2 varkens < 6 maand

Daniel Duwaerts, 1 koe, 1 kalf

Henr. Wartel, 1 koe

Wed. Joannes Vandeput, 1 koe

Joannes Laermans, 1 koe

Wed. Lambert Coenen, 1 koe

Arn. Olivier, 1 koe

Franc. vandebossche, 1 koe

Guill. Hauteques, 1 varken < 6 maand

Nicolaus Dewit, 1 koe

Hier. Geusens, 1 koe

Judocus Swinnen, 1 koe

Maria Theresia Laurens

Peeter Peeters

Urbanus Ruisson(Buisson, Huisson?)

Aldus gedaen opgenomen ende verclaert voor die bovengenoemde persoonen coram die wethouderen van roosbeeck hac 10 januari voors. 1795, onderteekent L.D. Laurens dross(aert), Hendrick Monnoije, Lambertus Festraets, Peeter Wera en Francis Huts

Bronnen

Algemeen Rijksarchief, Administration Centrale et Supérieure de la Belgique, nr. 712, Graan- en veetelling Roosbeek, jaar III (op microfilm)

25-11-09

Verkiezingen in Budingen tijdens het keizerrijk

In 1799 kwam Napoleon aan de macht en kwam een einde aan het Directoire. Het hele verkiezingssysteem werd grondig veranderd. De grondwet van het jaar VIII (1799-1800) werd in onze gewesten van kracht. Door het senatus-consulte van het jaar X werden weer wijzigingen in het kiesssysteem aangebracht. Er was een getrapt kiessysteem, en op de laagste trap gold een quasi-algemeen stemrecht. De vergaderingen van de stemgerechtigde burgers vormden de assemblées cantonnales. Deze mochten de leden van de arrondissementele en departementale kiescolleges aanduiden. Deze stelden op hun beurt kandidaten voor voor het Tribunaat en het Corps législatif (de kamers van het parlement in Parijs) en de arrondissementele en departementale bestuursorganen. De gemeentelijke bestuurders daarentegen (maire, adjoint en gemeenteraadsleden) werden niet meer verkozen, maar benoemd door het staatshoofd of de prefect.

De kiezerslijsten uit de Napoleontische tijd zijn voor het Dijledepartement bewaard gebleven. Bij wijze van voorbeeld geef ik hier de documenten die ik heb gevonden m.b.t. de verkiezingen van 1810 in Budingen. De verkiezingen vonden in elk dorp van het kanton plaats (in de zgn. assemblée sectionnaire per dorp, de plaatselijke afdeling van de assemblée cantonnale). Er zijn vier kiezerslijsten:

  • voor het departementale kiescollege: le 1er scrutin pour le collège éléctoral du département. Designation de votans qui sont venus déposer leurs bulletins dans la section de Budingen de l' Assemblée cantonale du canton de Léau, Arrondissement de Louvain, Département de la Dyle
  • voor het arrondissementele kiescollege: le 1er scrutin pour le collège éléctoral d' arrondissement. Designation de votans, etc.
  • voor de vrederechters: le 1er scrutin pour la nomination des candidats pour les functions de juge de paix. Designation de votans, etc.
  • voor de bijzitters van de vrederechters: le 1er scrutin pour la nomination des candidats pour les functions de suppléans de juge de paix. Designation de votans, etc. 

Op elke kieslijst staan de namen van de kiezers die hun stem hebben uitgebracht. Opvallend is dat er in Budingen slechts 9 kiezers zijn voor de departementale en arrondissementele kiescolleges, tegenover 52 kiezers voor de vrederechters en hun bijzitters. Getuigt dit van desinteresse in hoofde van de kiezers van Budingen ten overstaan van het bestuur van departement en arrondissement? Of waren de kieslijsten gekuist door de sous-préfet, die krachtens de wet van 1806 de kieslijsten moest goedkeuren? En daarbij lokale tegenstanders van het regime uit de kiezerslijsten weerde? Het veel grotere aantal kiezers voor de vrederechters zou dan kunnen toegeschreven worden aan het redelijk a-politieke karakter van deze functie. Ook zou het kunnen dat de Budingse kiezers veel gemotiveerder waren om de vrederechters te kiezen, omdat die een directe impact hadden op hun concrete leven.

De kieslijsten uit het keizerrijk zijn al wat rijker dan de registres civiques uit het Directoire. Men vindt nu ook het beroep van de kiezers. Voor Budingen en andere plattelandsgemeenten waren het vooral cultivateurs en journaliers. Zeer interessant zijn aanwijzingen over het (an)alfabetisme. De gegevens van de kiezers die niet konden schrijven, werden genoteerd door een lid van het kiesbureau (noms des membres du bureau qui ont écrit pour les votans hors d' état de le faire). In Neerlinter bv. waren er op 81 kiezers niet minder dan 50 analfabeten, d.i. 60%!

Bronnen

Rijksarchief Anderlecht, Dijleprefectuur. Portefeuilles, nr. 898, Verkiezingen 1810, kanton Zoutleeuw

Bronnen voor de studie van het hedendaagse België, Brussel, 1999, p. 81-82.

De incompetente agent municipal van Kerkom

Op 1 oktober 1795 werden de Zuidelijke Nederlanden administratief geannexeerd bij de Franse republiek. Vanaf  6 december werden alle Franse wetten, alsook de grondwet van het jaar III van kracht verklaard. Kleinere gemeenten met minder dan 5000 inwoners werden tot kantons samengevoegd en onder een kantonsvoorzitter geplaatst. Voor de streek Tienen-Zoutleeuw waren dat de minicipale kantons Zoutleeuw en Glabbeek. In elke gemeente kwam er een agent municipal en een adjoint. Pas op 21 maart 1797 konden de Zuidelijke Nederlanden voor het eerst hun ambtenaren verkiezen. Tot op dat ogenblik werden ambtenaren door de Franse commissarissen benoemd.

Het was voor het regime natuurlijk niet gemakkelijk om competente bestuurders voor de gemeenten te vinden. Het Franse bewind was niet populair, de functies waren niet bezoldigd, en alle administratie gebeurde in het Frans. Dikswijls moesten lokale bestuurders ontslagen worden, omdat ze niet voldeden of passief verzet pleegden. In Kerkom bv. werd agent municipal Wera in 1796 vervangen omdat die niet competent was: citoyen Wera...a donné sa démission comme administreur, asmatique, fort incommode, ne savant lire ni écrire. Natuurlijk gaat het om de gekleurde visie van de Fransen. Kon agent municipal Wera werkelijk niet lezen en schrijven, of verstond hij geen Frans, of deed hij maar alsof, om er tussenuit te knijpen? 

Bronnen

 Rijksarchief Anderlecht, Dijledepartement, 3035,  Ambtenaren kanton Glabbeek

 

15-10-09

Gedwongen lening jaar IV in Kerkom

In Juli 1794 versloegen de Franse revolutionaire troepen het Oostenrijkse leger bij Fleurus. Dit was het begin van de tweede bezetting van onze gewesten door de Fransen. Deze stond in schril contrast met de eerste bezetting in 1792-1793. Toen beschouwden de Fransen onder leiding van generaal Dumouriez zich als bevrijders, die de democratische gedachte in de Nederlanden kwamen verspreiden. Deze keer beschouwden de Fransen zich als bezetters, die tot taak hadden onze gewesten leeg te zuigen ten voordele van de Franse oorlogseconomie.

Ze onderwierpen de bevolking aan zware oorlogsheffingen en belastingen in allerlei vormen, zoals invordering van graan, paarden en vee, schoeisel, arbeidskrachten en kunstwerken. De Fransen waren minutieuze boekhouders, die alles bijhielden wat er gebeurde, tot in de kleinste dorpen toe. We hebben lijsten van de gedwongen lening van het jaar IV voor elke gemeente van Brabant, waaruit we hier de gegevens voor Kerkom geven, gedateerd op 29 pluviose IV (18 februari 1796):

Jean Wera:  municipaal agent 'ad interim' (d.i. in afwachting van de verkiezingen), landbouwer, deels met eigen grond, deels met pachtgrond, Zijn vermogen wordt geraamd op 2500 pond, zijn inkomen op 500 pond. Hij werkt mee aan de opeisingen en draagt bij door middel van wagens en logementen.

Jean de Villers: adjunct-municipaal agent ad interim, zijn vermogen wordt geschat op 4000 pond. Bij geraamd inkomen staan twee getallen: 480 en 200 pond. Misschien is die 200 pond het bedrag van de opeising. Hij heeft een grote familie en voldoet aan de opeisingen.

Pierre Van Parijs: landbouwer met pacht- en eigen grond, geraamd vermogen: 4000 pond, inkomen: 600 pond (50 pond als opeising?). Hij heeft een grote familie en draagt bij aan de opeising door middel van karren.

Jacques Van Elderen, père: landbouwer, geraamd vermogen: 3200 pond, geraamd inkomen: 400 pond (100 pond opeising?). Hij voldoet aan de opeisingen.

Le citoyen Cleijnens: pastoor, leeft van zijn pastoorsvergoeding van 100 pond. Hij kan bijdragen aan de republiek.

Zoals uit de tekst blijkt, droegen de aangeslagenen grotendeels bij in natura: het leveren van transportdiensten met karren en de inkwartiering van soldaten.

De bedragen in pond zijn waarschijnlijk uitgedrukt in het Franse pond tournois, terwijl men tot dantoe in de Oostenrijkse Nederlanden de Brabantse gulden gebruikte. De verhouding was 49 gulden voor 90 pond tournois. Later werd het pond tournois vervangen door de decimale frank, die 5 gram zilver bevatte.

Drie personen kwamenwe reeds tegen in de strotelling van 1792 voor Kerkom: Jacobus/Jacques Wera (25.500 pond stro), de grootste landbouwer van Kerkom, Petrus/Pierre Van Parijs (17.000 pond), en Joannes/Jean de Villers (14.400 pond).

 

Bronnen

Rijksarchief Anderlecht, Dijledepartement, nr. 1347, Gedwongen lening kanton Glabbeek
Vrijheid gelijkheid of de dood. 1 oktober 1795. Brussl op een keerpunt, Brussel, 1995.

25-09-09

De brouwers van Neerlinter rond 1795

De telling van het jaar IV (1796) is een heel belangrijke bron voor de beroepsstructuur van onze dorpen op het eind van de 18de eeuw. Maar als men deze telling vergelijkt met andere tellingen uit dezelfde periode, dan ontdekt men soms anomalieën, die ons ervoor moeten hoeden om niet onkritisch van deze telling gebruik te maken.

Zo bv. zijn in de telling van het jaar IV voor Neerlinter geen brouwers te vinden. Men zou daaruit de verkeerde conclusie kunnen trekken dat deze belangrijke agrarische nijverheid in dit dorp niet aanwezig was. Dat er wel degelijk brouwers in Neerlinter waren, blijkt uit de kohieren van de patentbelasting van het jaar V (1796/97). De patentbelasting was een belasting op ambachtelijke en commerciële activiteiten, door de Fransen ingevoerd. In het kohier van Neerlinter zijn maar liefst 12 brouwers en 10 herbergiers terug te vinden. Er zijn ook cohieren uit het jaar VI en VII.

12 brasseurs: L. Pulinckx, J.A. Arnauts, Pierre Michiels, G. Kemerlinkckx, L. Kemerlinckx, la veuve Claes, Ch. Struijs, Henri Moens, Michiels, Lambert Pulinckx, L. Leenaers, M. Vugghelen

10 cabaretiers: Jean Moens, Jean Govens, Jean François, Jean Delvaux, Guillaume Aelen, George Reniers, Mahaut, Guillaume Coninckx, Jean Vaes, Pierre François

We kunnen daaruit leren dat grote boeren naast hun landbouwbedrijf ook dikwijls als nevenberoep een brouwerij uitbaatten. Het brouwbedrijf is sterk verweven met de landbouw, en alleen kapitaalkrachtigen zoals grote boeren konden een brouwerij uitbaten. We kunnen er ook uit leren dat men in de mate van het mogelijke niet op één bron mag steunen, maar zoveel mogelijk andere bronnen moet raadplegen, om de informatie samen te leggen en te synthetiseren.

Ook in de laatste 20ste penning-belasting van het Ancien Régime in Neerlinter, uit 1793, vinden we veel brouwers, stokers en tappers terug:

11 brouwers: Adriaen Michiels, Christiaen Struijs, Weduwe Anthoen Vandevin, Weduwe Guiliam Claes, Geeraert Kemerlinckx, Germanus Van Vuchelen, Jan Matthijs Pulinckx, Joannes Antoinius Arnauts, Joannes Robertus Arnauts, Lambert Pulinckx, Sr. M. Van Vuchelen.

3 stokers: Guilliam Van Bael, Joannes Antonius Arnauts, Libertus Kemerlinckx sone L.

14 tappers: Caspar Van Roelen, Weduwe Pierre Matthues, Foliaen Lamberts, Gillis Tossaint, Guilliam Viegen, Hendrik Jordens, Hendrik Moens, Jan François, Jan Pulinckx, Joris Mertens, Joris Reniers, Librecht Lenaerts, Peter Joannes Govaerts, Wouter Draelants

Men herkent veel dezelfde families van boeren-brouwers in het 20ste penningkohier uit 1793 en het kohier van de patentbelasting uit het jaar V, o.a. de Arnauts'en, de Kemerlinckx'en en de Pulinckx'en, die tot de grootste boerenfamilies van Neerlinter behoorden. Joannes Antonius Arnauts is één van de hoogst aangeslagenen in de gedwongen lening van het jaar IV, met een fortune apparente van 30.000 gulden en een produit annuel en apparence de leur industrie van 1.000 gulden. Ook weduwe Anthoen Vandevin, cultivatrice et brasseuse , met een vermoedelijk fortuin van 40.000 gulden en een geschat jaarlijks inkomen van 1.500 gulden, behoort tot de rijkste inwoners van Neerlinter.

In het algemeen is het vergelijken van persoonsgegevens uit verschillende bronnen een redelijk zenuwslopende bezigheid. Het is heel moeilijk om een individu uniek te identificeren in verschillende bronnen. Soms is iemand enkel met initialen weergegeven, soms met een dubbele voornaam en dan weer met één voornaam. Voeg daaraan toe dat de Franse ambtenaren Vlaamse namen dikwijls verbasterden en akoestisch neerschreven. Zulke vergelijking van personen uit verschillende bronnen is een zeer taaie, analytische bezigheid, waarbij men dikwijls uit frustratie zijn kap over de haag gooit. Soms vindt men bv. een 'Jan Hendrickx' in de ene bron en ook in een andere bron, men denkt dat het om dezelfde persoon gaat, maar dan ontdekt men dat er nog twee andere Jan Hendrickx' en zijn, en men kan opnieuw beginnen.

Bronnen

Telling van het jaar IV van Neerlinter, in fotocopie uitgegeven door het Algemeen Rijksarchief

Rijksarchief Anderlecht, Dijledepartement, kohieren van de patentbelasting, jaar V, Municipaal kanton Zoutleeuw, nr. 1012

Rijksarchief Leuven, Schepengriffies Vlaams-Brabant (Neerlinter), 20ste penning Neerlinter, 1793, nr. ?

Rijksarchief Anderlecht, Dijledepartement, Gedwongen lening jaar IV, kanton Zoutleeuw, nr. 1374

De boeren van Kerkom in 1790-1792

Zie mijn vorige bijdrage over de strotelling van 1792. Hier geef ik de inwoners van Kerkom (Boutersem) die stro bezitten, volgens de telling in opdracht van de Staten van Brabant, om te onderzoeken welke dorpelingen stro aan het leger kunnen leveren. Er zijn 22 inwoners die stro bezitten, met een totale hoeveelheid van 191.000 pond. Hun aandeel in de totale bevolking berekenen we aan de hand van de volwassen mannelijke bevolking volgens de volkstelling van 1784: 22 op 137 is 16 %.

Liste begrypende de opregte quantiteyt van Terwe, Coren, Haver en Gerste Stroey door ons Wethouderen van Kerkom bevonden onder onse Jurisdictie, volgens Acte van locaele Visitatie door ons genomen den 17den meert 1792

Boeren met > 20.000 pond stro
Jacobus Wera: 25.500

Boeren met 15.000-20.000 pond stro
Jacobus Van Welde, sone Arnoldi: 19.000
Joannes Tillens: 18.500
Petrus Van Parijs: 17.000
 
Boeren met 10.000-15.000 pond stro
Joannes Villers: 14.000
Weduwe Jan Swinnen: 13.500 
Andreas Van Gramberen: 13.000
Geraard Pardon: 13.000

Boeren met 5.000-10.000  pond stro
Jacobus Van Welde, sone Jacobi: 8.500 
Cornelius Vander Waeren: 8.500
Weduwe Andries Kelcom: 8.050
Joannes Roelants, senior: 6.600
Lucas Geens: 6.050
Joannes Ons: 6.000
Jan Baptist Van Welde: 5.500 

Boeren < 5.000 pond stro
Jacobus Ons: 4.750
Jacobus Roelants, sone Henrici: 2.300
Jan Baptist Van Esch: 1.800 
Joannes Brige (?): 1.500
Anthoen Plis (?): 800
Mathias Coenen: 200

Van deze 22 personen uit de strotelling van maart 1792 kunnen er 7l geïdentificeerd worden in de petitie Declaratie van de Belgike Volkeren uit januari 1790. Er liggen twee jaren tussen deze tellingen, zodat personen overleden of verhuisd kunnen zijn. Andries Kelcom leeft nog in 1790, en wordt in de strotelling van 1792 door zijn weduwe vertegenwoordigd. Jacobus Wera, Jacobus Van Welde en Joannes Ons zijn schepenen van Kerkom volgens de telling uit 1790. Lucas Geens wordt in de petitie vermeld als molder. In de strotelling van 1792 zijn er twee Roelants'en, Jacobus Roelants senior, en Jacobus Roelants, sone Hendrick. Wie daarvan moeten we toewijzen aan de Jacobus Roelants in de petitie? Hier doet zich het belangrijkste probleem voor in de vergelijking van tellingen: het identificeren van individuen met dezelfde voornaam en familienaam. Soms moet je toegeven dat je het niet kan weten. Dit is intellectueel eerlijker dan arbitrair te beslissen voor hetgeen je het best uitkomt.

Qua alfabetisatieniveau is de genoemde Jacobus Roelants in de petitie uit 1790 een randgeval: hij plaatst wel een handtekening, maar met de nodige bibber. Wellicht kon hij niet schrijven en had hij het kunstje geleerd om zijn handtekening onder officiële documenten te plaatsen, omdat kunnen schrijven een groot sociaal prestige had. Petrus Van Parijs is de enige stroboer die in de petitie zijn handtekening niet kon plaatsen.

Bronnen

De strotelling voor Kerkom is terug te vinden in Rijksarchief Anderlecht, Staten van Brabant, Cartons, nr. 283/5. De petitie Declaratie van de Belgike volkeren in hetzelfde fonds, nr. 147.

 

24-09-09

De boeren van Roosbeek in 1790-1792

Het opstellen van een sociale stratificatie van een dorp in de 18de eeuw is geen gemakkelijke opgave. Met sociale stratificatie bedoelt men het rangschikken van de dorpsbewoners volgens inkomen, rijkdom, welvaart. De onderzoeker kan wel aan de hand van bv. de volkstellingen van 1755 en het jaar IV (1796) een beroepsstructuur opstellen, zodat men weet hoeveel boeren, landarbeiders, ambachtslieden er zijn, en die in percentages uitdrukken. Maar dan nog weet men weinig over inkomen en rijkdom. Er waren immers rijke pachtboeren, naast kleine keuterboeren, en ook landarbeiders, herbergiers en ambachtslieden konden part-time een eigen landbouwbedrijfje hebben.

Daarom is het beter een beroep te doen op gegevens die de bevolking indelen naargelang het relatieve bezit van agrarische produktiemiddelen, vooral grond en vee. De fiscale tellingen van 1702 en 1747 geven belangrijke informatie over grondbezit en vee. Ook belastinglijsten, vooral de twintigste penning en dorpsbelastingen op het vee, de opeisingslijsten uit het jaar III (1794) van graan en vee zijn belangrijke bronnen. Maar omdat dit fiscale bronnen zijn is er altijd het gevaar van ontduiking en onderschatting. Dit is echter eigen aan fiscale bronnen, wij mogen niet hyperkritisch zijn, anders wordt elke poging tot het opstellen van een sociale stratificatie in onze dorpen in de kiem gesmoord.

Ook leveringen aan het leger kunnen gebruikt worden om de sociale hiërachie binnen een dorp vast te stellen. Hier bespreek ik zo 'n bron: de strotelling van maart 1792. De Staten van Brabant hielden toen een telling van het stro in de Brabantse dorpen, met het oog op levering daarvan aan het leger. Binnen de dorpen werden lijsten opgesteld met de hoeveelheden tarwe-, haver- en gerststro per inwoner. Deze telling kadert binnen de gespannen relatie tussen het revolutionaire Frankrijk en Oostenrijk. In april 1792 verklaarde Frankrijk de oorlog aan Oostenrijk. Deze strotelling is bewaard gebleven voor de meierijen Kumtich, Halen en Geten.

Hier geef ik de gegevens van deze strotelling voor Roosbeek (deelgemeente van Boutersem). Enkel de totalen worden weergegeven. De groepering in categproieën is ook van mijn hand.

Liste begrypende de opregte quantiteyt van Terwe, Coren, Haver en Gerste Stroey door ons Wethouderen van Roosbeek bevonden onder onse Jurisdictie, volgens Acte van locaele Visitatie door ons genomen den 10den meert 1792

boeren met meer dan 20.000 pond stro
Hendrick Monnoije (29.000), Franciscus Vranckx (20.000), Joannes Vranckx (20.000), Jacobus Dewael (20.000)

boeren met 10.000 - 20.000 pond stro
Weduwe Jan Van Haegendoren (11.700), Francis Van Weddingen, sone Jan (11.000), Francis Geens, molder (11.000), Hendrik Huts (10.500)

boeren met minder dan 10.000 pond stro
Lambertus Festraets (8.000), Hendrik Van Haegendoren (5.500), Francis Festraets (5.000), Lowies Lambrechts (3.600), Guilliam Van Weddingen (2.500), Hendrik Van Weddingen Linde (1.200)

Strobezit is een goede indicator voor veebezit. Er zijn in Roosbeek 14 dorpelingen met in totaal 159.000 pond stro. De strobezitters maken 20% uit van de mannelijke bevolking boven 12 jaar in 1784.

De vier grootste boeren van het dorp zijn Hendrik Monnoije, Franciscus Vranckx, Joannes Vranck en Jacobus Dewael, die in totaal 89.000 pond stro bezitten, d.i. 56% van de totale voorraad. Zijn al deze mensen 'boeren'? Men ziet bv. dat Francis Geens, met 11.000 pond stro, molenaar is. Er is ook een grote afstand tussen de grootste strobezitter Hendrick Monnoije (29.000 pond) en de kleinste strobezitter Hendrik van Weddingen (1.200 pond).  Zijn de kleinere strobezitters niet veeleer landarbeiders of ambachtslieden?

We kunnen deze mensen linken aan de ondertekenaars van de petitie 'Declaratie van de Belgique volkeren' uit 1790. We hebben ze allemaal kunnen terugvinden, op uitzondering van Jan Van Haegendoren die in 1790 nog leefde en in 1792 door zijn  zijn weduwe vertegenwoordigd wordt in de strotelling. Twee stroboeren (Hendrick Monnoije en Joannes Vranckx) zijn schepen in 1790. Van de veertien stroboeren kunnen er twee niet schrijven (Guilliam Van Weddingen en Hendrik Van Weddingen Linde). Dit betekent dat 86% van de stroboeren geletterd zijn. Dit is meer dan 64%, het globale alfabetisatieniveau van de ondertekenaars van de petitie.

Tenslotte, het feit dat al deze stroboeren de petitie van 1790 ondertekenen, betekent dat ze het conservatieve wereldbeeld van de Statisten delen, dat ze niet opgezet zijn met de nieuwlichterijen vand de democraten of de Vonckisten, die geassocieerd werden met de Franse Revolutie. Craeybeckx heeft wellicht gelijk als hij de Brabantse Revolutie als een conservatieve revolutie in een welvarend land bestempelde.

Bronnen

De srotelling uit 1792 voor Roosbeek vindt men in Rijksarchief Anderlecht, Staten van Brabant, Cartons, nr. 283/5 (meierij Kumtich). De petitie uit 1790 voor dezelfde gemeente is te vinden in hetzelfde fonds, nr. 147/19 (in de inventaris van B. Augustyn over de Staten van Brabant ten onrechte als Gaasbeek geïnventariseerd).

F. VANHEMELRYCK (ed.), Revolutie in Brabant 1787-1793, Brussel, 1990.

J. CRAEYBECKX, De Brabantse Omwenteling: een conservatieve opstand in een achterlijk land?, in: Tijdschrift voor Geschiedenis, t. 80; 1967, pp. 303-330.

 

 

20-09-09

Declaratie van de Belgike volkeren (1790)

De Brabantse Revolutie van 1789 had het Oostenrijkse regime ten val gebracht. Maar nu ontstond er een tegensteling tussen de progressieve en conservatieve krachten binnen de Belgische 'patriotten'. De zgn. Vonckisten of democraten wilden een volksvertegenwoordiging kiezen die heel wat democratischer zou zijn dan de oude gesceleroseerde Staten. De zgn. Statisten waren de partij van de gepriviligieerden, die een aantasting van hun prerogatieven vreesden.

De kerk speelde in deze conservatieve stroming een belangrijke rol. Nu vreesde ze de vermeende anti-religieuze intenties van de Vonckisten, die onder invloed stonden van de Franse Revolutie, waar de Nationale Vergadering de bezittingen en privilegies van de Kerk wilde aanpakken. De clerus allieerde zich met de gepriviligieerden en stelde haar enorme morele gezag over de bevolking ten dienste van de conservatieve stroming.

In januari en februari 1790 circuleerde in heel Brabant een petitie met de titel "Déclaration du peuple belgique". De tekst was heel reactionair en duidelijk gericht tegen de Vonckisten, die als verraders van het Vaderland werden bestempeld:

DECLARATIE VAN DE BELGIKE VOLKEREN

Wy ondergeschrevenen inwoonders van       in Brabant, verclaeren by dese dat onse intentie is ende altyt syn sal dat onse Heylige Religie ende Constitutie blyve in hun geheel soo als die van te voren geweest syn ende voor de welke wy ons bloet gestort hebben ende dat onse Heeren die dry Staeten onlangs geswooren hebben te onderhouden, verclaeren verders dat wy geene andere Representanten van de Volkeren en kennen ofte geene andere en begeiren als de dry leden der Staeten volgens onse Constitutie, dat sy voor ende in den naem van de Volkeren moeten bedryven de Souvereyne autorityt die ande Volkeren toe behoort ende dat de Volkeren hun toevetrouwt hebben dat wy diens volgens wel expresselyck protesteren tegens alle het gene men soude bedryven ofte willen bedryven aen onse Religie ende aen onse Constitutie contrarie, verclaeren veraders van het Land ende stoorters der gemeyne ruste alle ende igelyk die soude willen eenige veranderinge ofte nieuwigheden indringen t' sy in de Religie, t' sy in de Constitutie: versoeken de Heeren Staeten te willen vervolgen ofte doen vervolgen deze stoorters de gemeyne ruste.

Gedaen tot        den          1790

De Vonkisten klaagden aan dat de clerus achter dit maneuver zat. Inderdaad, uit sommige formulieren kan men afleiden dat het aartsbisdom achter deze petitie zat. Zo bv. voor Kumtich: "te bestellen in het aertsbisdom tot Malines", de petitie van Sint-Margriet-Houtem vermeldt: "te bestellen in het paleijs van den aertsbisschop tot Brussel".

De handtekeningen werden heel vlug verzameld en de petitie werd overgedragen aan de Staten van Brabant op 17 februari 1790. Volgens de conservatieve Statisten zouden er maar liefst 400.000 handtekeningen verzameld zijn. Andere bronnen spreken van 200.000 handtekeningen.

In het archief van de Staten van Brabant zijn de originele exemplaren van deze petitie voor sommige Brabantse dorpen bewaard gebleven, met handtekeningen. Spijtig genoeg zijn het er zo weinig. Volgens een raming zouden de exemplaren van slechts 17% van de dorpen bewaard zijn gebleven. Het kwartier Antwerpen is heel goed vertegenwoordigd. Er zijn er 15 voor het kwartier Tienen, waarvan 11 voor de meierij Kumtich: Attenrode, Bautersem, Bunsbeek, Butsel, Kumtich, Goetsenhoven, Sint-Margriete-Houtem, Kerkom, Neerheylissem, Neervelp, Opheylissem, Opvelp, Roosbeek, Tielt, Sint-Martens-Vissenaken, Sint-Pieters-Vissenaken. Er zijn weinig formulieren van belangrijke steden. De petitie had blijkbaar het meest succes in rurale regio 's, waar de clerurs nog een sterke greep had op haar onderhorigen.

Het aantal handtekeningen verschilt sterk van plaats tot plaats. In enkele parochies zijn het vooral de notabelen die tekenen: burgemeester, schepenen, pachters, molenaars, herbergiers, etc. Dit is het geval voor Attenrode, Goetsenhoven, Sint-Margriete-Houtem, Neervelp en Sint-Pieters-Vissenaken. 

Welk was de 'penetratiegraad' van deze enquête in de Tiense dorpen? Laten we ons beperken tot de mannelijke ondertekenaars. Als men het aantal mannelijke ondertekenaars in verhouding tot de mannelijke bevolking ouder dan 12 jaar uitzet, dan bekomen wij hetvolgende beeld:

Aantal ondertekenaars <25 %: Goedsenhoven (8%), Sint-Margriete-Houtem (10%), Kumtich (11 %); Kerkom (16%), Sint-Pieters-Vissenaken (20%) Attenrode (23%)

Aantal ondertekenaars tussen 25-50%: Bunsbeek (26%), Neervelp (26%), Sint-Martens-Vissenaken (26%), Bautersem (42%), Butsel (50%)

Aantal ondertekenaars > 50 %: Opheylissem (62%), Tielt (66%), Opvelp (68%), Neerheylissem (73%), Roosbeek (107%)

De dorpen zijn te klein om ons af te vragen of deze verschillen betekenisvol zijn. Ze tonen wel aan dat de lokale geestelijkheid erg succesvol was om hun parochianen deze petitie te laten ondertekenen, gemiddeld 40 % van de mannelijke bevolking ouder dan 12 jaar. Als men de dorpen waar enkel de notabelen ondertekenden (zie hoger) buiten beschouwing laten, dan stijgt dit tot bijna de helft (49%).

Het zou naief zijn om aan de ondertekenaars van deze petitie een al te groot politiek bewustzijn toe te schrijven. De Kerk had op het platteland nog een zeer grote macht over de mensen. Het is niet onwaarschijnlijk dat ongeletterde boeren en landarbeiders onder druk werden gezet om te tekenen.

De petitie laat ook toe de alfabetisatiegraad te onderzoeken, zij die konden schrijven tekenden met hun handtekening.  Zij die dit niet konden, tekenden met een kruisje. Als we de dorpen waar enkel de notabelen obdertekenden buiten beschouwng laten, alsook die dorpen waar er weinig mensen ondertekenden, dan is het percentage geletterden: Bautersem (73%), Roosbeek (63%), Bunsbeek (58%), Butsel (57%), Tielt (54%), Opvelp (47%), Opheylissem (36%), Neerheylissem (35%). Men ziet dat er in dorpen waar meer dan de helft van de mannelijke bevolking de petitie ondertekenden, er een lage geletterdheid is: Opvelp (68% ondertekenaars en 47% alfabetisme), Opheylissem (62% ondertekenaars en 36% alfabetisme) en Neerheylissem (73% ondertekenaars en 35% alfabetisme). Voor Neerheylissem en wellicht ook voor Opheylissem herkent men de zeer sterke invloed van de abdij van Heilissem.

Tot slot, als het u interesseert: als u voorouders in de besproken dorpen hebt, dan is de kans groot dat u uw voorouders tussen deze ondertekenaars van de petitie kunt terugvinden. Alvast een verhaal waarmee u uw familiegeschiedenis kunt verrijken.

Bronnen

De formulieren van deze petitie is terug te vinden in Rijksarchief Anderlecht, Staten van Brabant. Cartons, nr. 149.

SOENEN, M., Un élément d' information sur le taux d' alphabétisation en Brabant à la fin du XVIIIe s.: La Déclaration du Pëuple Belgique de janvier-février 1790, in: Miscellania Lucienne van Meerbeeck, 1991.

TASSIER, S., Les démocrates belges de 1789. Etude sur le Vonckisme et la révolution brabançonne, Brussel, 1931.

 

16-09-09

Kwartier Leuven: administratieve indeling in 1570

Ook als men een dorp of een kleine gebiedsomschrijving in het hertogdom Brabant bestudeert, doet men er goed aan de grotere instellingen en structuren te kennen, waarbinnen dat dorp of de gebiedsomschrijving is ingebed. Belangrijk is een goed begrip van de territioriale omschrijvingen op gerechtelijk, fiscaal en bestuurlijk vlak. Zo weet je waar je bronnen moet zoeken. Zeker voor de middeleeuwen en ook nog voor de 16de eeuw zul je immers weinig bronnen op lokaal niveau aantreffen in het archief van de schepengriffie, en dien je je te behelpen met bronnen van een hiërarchisch hoger niveau.

Op gerechtelijk vlak was het Hageland onderverdeeld in de hoofdmeierijen Leuven en Tienen, waaronder ondergeschikte meierijen ressorteerden. Zo was de hoofdmeierij Tienen onderverdeeld in de ondermeierijen Kumtich, Geten, Halen en Zoutleeuw.

De fiscale en bestuurlijke onderverdeling sloot gedeeltelijk aan bij die gerechtelijke organisatie, maar week er ook van af. Vanaf de late middeleeuwen was het Kwartier het hoogste ressort op bestuurlijk en fiscaal vlak. Zo waren er bv. voor het Vlaamstalig gedeelte van het hertogdom de Kwartieren Antwerpen, Brussel en Leuven, die grosso modo overeenkomen met de latere provincies of arrondissementen. Binnen het Kwartier werd gedeeltelijk aangesloten bij de gerechtelijke ondermeieriijen, maar men maakte van de belangrijke heerlijkheden aparte administratieve entiteiten, de zgn. Landen en smalheren.

Hier geef ik de onderverdeling van het Kwartier Leuven rond 1570, zoals die naar voren komt uit de kohieren van de 100ste penning van de hertog van Alva. Die werden uitgegeven door STABEL en VERMEYLEN. We geven hier enkel de onderverdeling voor het Vlaamstalig gedeelte van het Kwartier Leuven.

Leuven en het Kwartier van Leuven

Leuven

Meierij van Heverlee : Heverlee, Oud-Heverlee en Eigenhoven, Vaalbeek, Bertem, Beisem, Assent, Buken, Blanden 

Meierij van Herent : Herent, Winksele, Veltem, Tildonk, Korbeek-Dijle, Neerijse

Meierij van Lubbeek: Lubbeek, Pellenberg, Korbeek-Lo, Lovenjoel, Dutsel, Sint-Pieters-Rode, Holsbeek, Kortijk-Dutsel, Linden, Loonbeek, Wilsele

Hertogdom van Aarschot: Aarschot, Langdorp, Rillaar, Betekom, Messelbroek, Testelt, Bierbeek, Hamme, Sint-Joris-Weert, Mille

Wezemaal: Wezemaal

Land van Sint-Agatha-Rode: Sint-Agatha-Rode, ottenburg, Nethen, Archennes

Land van Diest; Diest, Kaggevinne

Onder de smalheren van Diest:  Meerhout, Vorst, Hoeleden, Lummen

Land van Zichem: Zichem:  Tielt, Waanrode, Miskom, Bekkevoort, Houwaart, Nieuwrode, Molenbeek-Wersbeek

Tienen

Onder de smalheren van Tienen: Sint-Margriete-Houtem, Stok, Bunsbeek, Vissenaken-Sint-Martens

Meierij van Zoutleeuw: Zoutleeuw

Meierij van Halen: Halen, Sint-Joris-Winge, Kersbeek, Geetbets, Webbekom, Deurne, Kapellen, Zuurbeemde, Glabbeek, Meensel, Attenrode, Wever, Kiezegem, Kortenaken

Meierij van de Gete: Landen, Racour, Hakendover, Laar, Eliksem, Gussenhoven, Walsbets, Wommersom, Overhespen, Neerhespen, Wulversom, Overwinden, Neerwinden, Rumsdorp, Neerlanden, Waasmont, Dormaal, Opheylissem

Onder de smalheren van Geten: Neerheylissem, Waalhoeven, Goetsenhoven, Ezemaal, Wange

Meierij van Kumtich: Kumtich, Oorbeek, Willebringen, Vertrijk, Neervelp, Roosbeek, Vissenaken-Sint-Pieter, Binkom

Onder de smalheren van Kumtich: Boutersem, Butsel, Meldert, L' Ecluse, Kerkom, Opvelp, Oplinter, Neerlinter, Budingen, Molenstede

Bronnen

STABEL, P. en VERMEYLEN, F., Het fiscale vermogen in Brabant, Vlaanderen en in de heerlijkheid Mechelen: de Honderdste Penning van de hertog van Alva (1569-1572), Brussel, 1995, p. 62-70.

 

12-09-09

Het vorstelijk domein van Tienen: rekeningen van de ontvanger

De hertog van Brabant was grootgrondbezitter in de streek van Tienen. Veel grond in die streek was niet in leen uitgegeven en behoorde tot zijn rechtstreeks domein. De domeininkomsten waren het belangrijkste inkomen van de vorst in de middeleeuwen. In de late middeleeuwen werden domaniale inkomsten langzamerhand overvleugeld door belastingen op de onderdanen. In de Nieuwe tijd tenslotte waren belastingen veel belangrijker geworden dan domaniale inkomsten. Maar die domeininkomsten bleven tot het eind van het Ancien Régime bestaan.

De rekeningen van de ontvanger van Tienen zijn vanaf de late 14de eeuw bewaard gebleven. Volgende dorpen behoorden tot het domein Tienen: Glabbeek, Kersbeek, Geetbets, Binkom, Vissenaken, Attenrode, Hakendover, Neerhespen, Neerlanden, Landen, Laar, Meldert, Lubbeek, Ormaal, Halen en Kortenaken.

Het inkomen van de vorst uit het domein van Tienen was van velerlei aard: er waren de cijnzen en erfpachten, verpachtingen van hoeves en gronden, tollen en banrechten op bv. molens, transportkarweien van abdijen en kloosters, etc.

Ik heb een beetje gegrasduind in enkele rekeningen uit de 16de en 17de eeuw, om na te gaan wat je met die bronnen kan doen. Het zijn, zoals te verwachten viel, droge rekeningen. Ze geven ons een goed inzicht in de domaniale rechten en inkomsten van de hertog van Brabant, later de Spaanse Koningen in de streek van Tienen.

Voor genealogen zijn ze nauwelijks interessant, omdat er weinig namen in voorkomen. Voor heemkundigen en lokale historici zijn ze al wat interessanter: voor de vermelde dorpen vind je heel wat gegevens over grondrechten, cijnzen en renten, tollen, etc.  De structuur van de rekeningen verandert blijkbaar nauwelijks doorheen de tijd. Eenmaal je de structuur hebt doorgrond, vind je er gemakkelijk je weg in (aangenomen dat je het duistere schrift leert lezen).

Voor mij persoonlijk zijn er drie dingen interessant: 1) gegevens over herstellingen aan de hertogelijke molens 2) een overvloed van prijsgegevens van  -voornamelijk- landbouwprodukten. 3) een overvloed van (reken)muntgevens en de verhoudingen tussen munten.

Er zijn overvloedige gegevens over de herstellingen aan de hertogelijke molens van Tienen, Halen, Heylissem en Landen. Je krijgt een beter inzicht hoe een molen in elkaar steekt, welke materialen daarbij gebruikt worden, welke ambachtslieden daarvoor nodig zijn, bv. reparagien aende moelen te Haelen: ...stoffe van tymerluden, dachueren van tymmerluden, daghueren van scailedeckers (schaliedekkers), stoffen van plekkers, yserenweerck, Claes Tongen heeft geleyt eenen yseren bant aen den molenboom binnen Halen, dairaen verducht 18 d. groten dats voir mynen genedigen heere derdendeel 7 d. groten...Men vindt dus namen van ambachtslieden in de rekeningen.

Als je geinteresseerd bent in prijsgegevens, kom je in de rekeningen van het domein van Tienen ruimschoots aan je trekken: prijzen van rogge, tarwe, haver, etc., prijzen van kapuinen (gesneden hanen) en "pullen" (kippen).

Zoek je naar muntverhoudingen, om te weten te komen wat oude munten in latere munten waard zijn, dan kom je hier zeker niet van een kale reis thuis. Oude middeleeuse cijnzen bv. bleven eeuwen overanderdlijk uit gedrukt in dezelfde oude munten. Ze werden dan omgereken naar eigentijdse rekenmunt. In de 16de eeuw was dat het pond Brabantse groten: 1 pond Brabantse groten = 20 schellingen Brabantse groten = 240 penningen of denieren Brabantse groten. In de 17de was dat het pond Artois, wat eigenlijk hetzelfde was als het pond van 40 Vlaamse groten (en hetzelfde als de gulden, bestaande uit 20 stuivers, vermits 1 stuiver = 2 Vlaamse groten).

Zo kan je te weten komen wat bv. een oude middeleeuwse cijns van 2 denieren lovensch waard was in ponden, schellingen en penningen Brabantse groten in de 16de eeuw, of hoeveel een middeleeuwse cijns van 20 schellingen payment waard is in ponden Artois in de 17de eeuw. Je kan eventueel vervolgens een cijnsbedrag uitdrukken in liter graan, zodat je weet wat een cijnsbedrag voorstelt in reële termen.

De rekeningen van de ontvanger van Tienen zijn bestudeerd door Eddy van Cauwenberghe, maar dit werk is voor lokale historici niet zo interessant, omdat de studie gaat over het vorstelijk inkomen en niet om lokale toestanden. Maar methodologisch geeft het veel achtergrondinformatie voor een eventuele lokale studie van de domeinrekeningen van Tienen. Er is ook een licentiaatsverhandeling gemaakt over de domeinrekeningen van Tienen in de 16de eeuw, maar die heb ik nog niet ingekeken.

Bronnen:

De domeinrekeningen van Tienen vind je in het Algemeen Rijksarchief Brussel, fonds Rekenkamer, nrs. 4013-4151.

VAN CAUWENBERGHE, E., Het vorstelijk domein en de overheidsfinanciën in de Nederlanden (15de en 16de eeuw), Brussel, 1982.

VAN SETERS, E., Domeinrekeningen van Tienen. Een economisch-conjuncturele analyse 1500-1600, onuitg. lic. verh., KULeuven, 1994-1995.

04-09-09

Brabants landcharter uit 1292

Het Brabants landcharter van Jan I uit 1292 was een belangrijke stap in de richting van een sterkere homogenisernig van het Brabantse strafrecht. Er zijn drie varianten ervan, één voor het schoutschap Antwerpen, een tweede voor de ammanie Brussel, en een derde voor het ressort van Nijvel. Het is mij een raadsel waarom er geen aparte versie voor de meierijen Leuven en Tienen werd uitgevaardigd.

IK geef hier een hertaling van enkele belangrijke artikelen uit het landcharter, voor zover die betrekking hebben op de kleine criminaliteit.

(1) iemand beschuldigen van leugens of meineed, of iemand vervloeken: 5 schellingen lovens.

(2) iemand met de handen slaan of met de voeten stampen, bij de kleren of de haren trekken, zonder bloedverlies: 10 schellingen.
iemand neerslaan: 15 schellingen 
iemand slaan met bloedverlies: 20 schellingen.


(4) iemand met een stok bedreigen: 10 schellingen
iemand met een stik slaan zonder bloedverlies: 20 schellingen
iemand met een stok neerslaan, zonder bloedverlies: 30 schellingen
iemand met een stok slaan, met bloedverlies, zonder verminking: 3 ponden
iemand met een stok slaan, met ernstige verminkingen: 5 ponden
.

(5) iemand met een zwaard bedreigen: 20 schellingen
iemand met een zwaard verwonden, zonder verminking: 5 ponden
iemand met een zwaard verminken, zonder verlies van lid: 7 ponden
iemand een lid afhakken: lid voor lid
iemand doden met een zwaard: lijf voor lijf
.

12:38 Gepost door Hagelandia in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

03-09-09

Rekenmunten in het 14de-eeuwse Brabant

In de late middeleeuwen waren veel verschillende munten in omloop: gouden en zilveren munten, munten met een laag gehalte aan edelmetaal, munten met een hoog gehalte aan edelmetaal, Vlaamse, Brabantse, Luikse, Franse munten, etc. Om al die munten tot één uniforme waardemeter te herleiden, gebruikte men een rekenmunt, een soort fictieve munt gebruikt in boekhoudingen en rekeningen.

Een goed voorbeeld om het concept rekenmunt beter te begrijpen, is de euro. Nu is dit een reële munt, maar voor haar introductie in 2000, was dit een rekenmunt, gebaseerd op de waarde van de verschillende Europese munten, zoals de Belgische frank, de Hollandse gulden, de Duitse mark, de Italiaanse lire, etc. Of omgekeerd, de Belgische frank, die niet meer bestaat, is voor de sommigen van ons nog een imaginaire rekenmunt, waarmee wij waarden in euro omrekenen.

In het 14de eeuwse Brabant werden twee soorten rekenmunten gebruikt:

  • rekenmunten die een vast gewicht aan goud of zilver voorstellen, waarbij men verwijst naar niet meer geslagen munstukken, waarvan gewicht en gehalte algemeen bekend zijn. Men noemt dit reknmunt type A.
  • rekenmunten die gebaseerd zijn op een nog bestaande munt, die van waarde kan veranderen, omdat gehalte en gewicht ervan wijzigingen kunnen ondergaan. Men noemt dit rekenmunt type B.

Algemeen gesproken, werden inkomsten die in nominale termen onveranderlijk bleven -zoals cijnzen-, in rekenmunten met een vast goud- of zilvergehalte uitgedrukt. Daarentegen werden inkomsten die jaarlijks konden veranderen, meestal in rekenmunt met een veranderlijk metalliek basisgewicht uitgedrukt.

Rekenmunten die een vast gewicht aan edelmetaal vertegenwoordigen (rekenmunten type A), zijn o. a.

  • de oude groot = een zware zilvermunt geslagen door de Franse koning Lodewijk IX de Heilige (1226-1270) . Die bevatte 4,22 gr. zilver en was juist gelijk aan 1 schelling tournois of 12 denieren tournois. Hij werd 'oude' groot genoemd om hem te onderscheiden van latere uitgiften van minder gewicht of minder gehalte
  • het oude schild = een gouden muntstuk, geslagen onder koning Filips VI van Frankrijk (1328-1350). Hij had een gewicht van 4,532 gr. fijn goud. Ook hij werd 'oud' schild genoem om hem te onderscheiden van nieuw aangemunte lichtere schilden. Het oude schild was 16 oude groten waard.
  • het pond lovensch, met zijn onderverdelingen schelling lovensch en penning lovensch. 1 penning lovensch = 1/9 oude groot.
  • het pond oud geld. De penning daarvan wordt in de Leuvense stadsrekeningen penning goed geld of oude cijns genoemd, met een waarde van 1/12 oude groot. In cijnsboeken weergegeven met de afkorting 'boon' van 'bonae monetae (goed geld), bv. 2 denieren boon.
  • de oude sterling of ingelsche; aanvankelijk was de sterling een sterke denier, in de 13de eeuw geslagen door de Engelse koning. Later werd de sterling ook in Brabant geslagen. Ook hier het adjectief 'oud' om he te onderscheiden van latere uitgiften met minder allooi. 1 sterling =1/3 oude groot, of 1 oude groot = 3 sterlingen.

Alleen bij rekenmunten die een onveranderlijk gehalte aan edel metaal vertegenwoordigen, zijn er vaste verhoudingen;

  • 1 oude groot = 1/16 oud schild
  • 1 oud schild = 16 oude groot 
  • 1 penning lovensch = 1/9 oude groot
  • 1 penning goed geld (1 denier boon) = 1/12 oude groot
  • 1 oude sterling = 1/3 oude groot

De oude groot en het oude schild waren aanvankelijk klinkende muntstukken. Vanaf het midden van de 14de eeuw werden ze niet meer aangemunt. Maar ze werden verder gebruikt als rekenmunten in boekhoudingen, cijnsboeken en andere documenten, dus als een rekenkundige grootheid waarin men de waarde van goederen, diensten en schulden uitdrukte.

Rekenmunten die gebaseerd waren op een reële, in omloop zijnde munt, die in waarde kon variëren, waren o.a. :

  • rekenmunten gebaseerd op gouden munten: de peter, de frank, de gulden, de nobel, de mottoen
  • rekenmunten gebaseerd op zilveren munten: het pond payment,  het pond Vlaamse groten, en het pond Brabantse groten

Het pond payment 

De basismunt van deze rekenmunt was de zilveren penning payment. Zijn Het pond payment kende de klassieke onderverdeling 1 pond payment = 20 schellingen payment = 240 penningen of denieren peyment, waarbij 1 schelling payment = 12 penningen/denieren peyment. Het payment werd in de boekhoudingen en rekeningen vooral gebruikt voor kleinere bedragen. Het payment was tegelijkertijd ruil- en rekengeld. het was vanaf 1337 het gewone dagelijkse geld van de Brabanders.

In de stadsrekeningen van Leuven werd de waarde van het payment uitgedrukt in termen van de oude groot, maar dan via een medium, een gouden munt: het oude schild, de  mottoen en tenslotte de Peter.

  • bv. op 4 augustus 1349 was 1 oud schild = 4 pond 1 schelling 6 denieren payment
  • bv. in juni 1369: 1 mottoen = 9 ponden 8 schellingen payment
  • bv. in augustus 1393: 1 Peter = 26 ponden 8 schellingen payment.

Het payment kende in de tweede helft van de 14de eeuw een pijlsnelle devaluatie. Dit blijkt uit de Leuvense stadsrekeningen, maar ook uit de rekeningen van de ontvanger van de domeinen van Tienen In 1370 was 1 oude groot = 24 s. 3 d. payment of 291 penningen payment. In 1400 was 1 oude groot = 60 s. payment. of 720 penninsgen payment. Of omgekeerd, zodat de  waardevermindering duidelijker naar voren komt. In 1370 was 1 schelling payment = 1/24 oude groot, en in 1400 nog maar 1/60.

Het pond Vlaamse of Brabantse groten

De groot is, zoals hoger gezegd, een zwaar zilverstuk, geslagen onder de Franse koning Lodewijk IX. Door de grote politieke invloed van de Franse koning, drong de groot in het geldwezen van onze gewesten binnen. De graaf van Vlaanderen en de hertog van Brabant begonnen weldra hun eigen groten te slaan, die aan de basis lagen van de rekenmunt pond Vlaamse groten en het pond Brabantse groten.

  • 1 pond Vlaamse groten = 20 schellingen Vlaamse groten =  240 penningen (of denieren) Vlaamse groten, waarbij 1 schelling Vlaamse groten = 12 penningen/denieren Vlaamse groten
  • 1 pond Brabantse groten = 20 schellingen Brabantse groten =  240 penningen (of denieren) Brabantse groten, waarbij 1 schelling = 12 penningen/denieren Brabantse groten

Weldra begonnen de graaf van Vlaanderen en de hertog van Brabant het zilvergehalte van de groot te verminderen, zodat er 'sterke', 'lichte', 'goede', 'nieuwe' groten in omloop waren. De verhoudingen tussen al die groten zijn te complex om die hier te bespreken. Laten we volstaan met te zeggen dat bv. tussen 1384 en 1390 volgende verhoudingen golden: 1 Vlaamse groot = 3 oude lichte Brabantse groten = 12 schellingen Brabants payment. Pas vanaf de munthervorming van hertog Filips de Goede in 1435 gold een vaste verhouding tussen de Vlaamse groot en de Brabantse groot: 1 Vlaamse groot = 1,5 Brabantse groten.

 

Bronnen:

De beste inleiding tot het moeilijke probleem van rekenmunten in de middeleeuwen vind je in: H. VAN DER WEE en J. MATTERNE, De muntpolitiek in Brabant tijdens de late middeleeuwen en bij de overgang naar de nieuwe tijd, in: VAN DEN EERENBEEMT, H.F.J.M., Bankieren in Brabant, Tilburg, 1987, p. 27-58.

Voor de muntgeschiedenis van het Hageland zijn de werken van VAN UYTVEN en PEETERS van groot belang:

VAN UYTVEN, R., Stadsfinanciën en stadsekonomie te Leuven van de XIIe tot het einde der XVIe eeuw, Brussel, 1961, p. 56-73.

J.P. PEETERS, De financiën van de kleine en secundaire steden in Brabant vand e 12de tot het midden der 16de eeuw, Brussel, 1980, deel 3, p. 530-597.

CAMERLINCKX, F., en HOLEMANS, F., Het cijnsboek van de heren van Aarschot 1368-1375, 1993.

VAN CAUWENBERGHE, E., Het vorstelijk domein en de overheidsfinanciën in de Nederlanden (15de en 16de eeuw), Brussel, 1982.

21:06 Gepost door Hagelandia in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: geld, tienen, hageland, munten, brabant, muntgeschiedenis |  Facebook |

01-09-09

Het geld in de rekeningen van de meier van Kumtich

Wanneer men een rekening van een instelling uit het Ancien Régime bestudeert, dan wordt men overmijdelijk met het probleem van de gebruikte munteenheden geconfronteerd. Men dient een inzicht te krijgen in die problematiek, wil men geen verkeerde conclusies trekken uit de vermelde geldbedragen. Laten we eens kijken hoe geldsommen in de rekeningen van de meier van Kumtich worden uitgedrukt, en welke de gebruikte munten zijn.

In de aanhef van de rekening, beschrijft de meier welke munten gebruikt worden: ...welcke reckening gemaict is in diverse munten, die alle gevalueert zijn in ponden schellingen ende penningen groten brabants gelts, te weten den zilveren penninck geheeten stuver voir iii d(enieren) gro(ten) ende alle anderen munten naer die gelande gereekent...

Men moet dit als volgt voorstellen: de veroordeelde betaalde zijn boete met munten, die in het reële leven circuleerden. In dit geval met zilveren stuivers, die sinds de 15de eeuw in omloop waren. Zoals hoger vermeld, was de stuiver 3 penningen -of denieren- groten waard. De groot was in de 15de en 16de eeuw de basis van het rekenmuntsysteem in Brabant. Met rekenmunt bedoelt men een systeem van geldverhoudingen, al dan niet gebaseerd op een reële munt, waarmee verschillende munten tot één uniforme waardemeter konden herleid worden. In dit geval het rekensysteem van ponden, schellingen en denieren Brabantse groten, steeds volgens de eeuwenoude verhouding 1 pond Brabantse groten = 20 schellingen Brabantse groten, en 1 schelling Brabantse groten = 12 denieren Brabantse groten.

Als de meier bv. een boete van 6 stuivers oplegde, dan werd dit volgens de equivalentie 1 stuiver = 3 denieren Brabantse groten, in de rekening genoteerd als 1 schelling 6 denieren Brabantse groten (of 18 denieren, waarbij 1 schelling = 12 denieren).

Vanaf de jaren 1530 werd de Carolusgulden, die 20 stuivers waard was als munteenheid vermeld:...welcken rekening gemaickt is in diverse munten, te weten den gouden carolusgulden tot xx stuvers, den philippusgulden tot xxv stuvers, den stuver voer iii groten brabants...De Karolusgulden was een nieuwe gouden munt, die door Keizer Karel V in 1526 geslagen was. Hij lag aan de basis van een nieuw rekenmuntsysteem, dat van gulden-stuivers, dat vanaf de late 16de eeuw, het oude rekenmuntsysteem van ponden-schellingen-denieren zou vervangen. Maar nu nog werden bedragen in gulden en stuivers omgerekend naar schellingen en denieren Brabantse groten. Soms werd een boete ook betaald met Rijnsguldens.

De boetes werden volgens een uniform tarief geheven, bv. 20, 25 of 30 schellingen. Die zijn blijkbaar gebaseerd op het landcharter of rurale keure voor het Kwartier Leuven uit de 13de eeuw. In 1291 had hertog Jan I een keure uitgegeven, waarin het strafrecht voor het platteland was gecodificeerd, voor de ammanie Brussel, het schoutschap Antwerpen en het ressort van Nijvel. Ik heb dit landcharter voor het Kwartier Leuven tot nu toe niet teruggevonden. In de rekeningen van de meier van Kumtich wordt voor Bunsbeek, Kumtich, Kerkom en Meldert vermeld dat recht werd gesproken volgens het landcharter. Zo bv. zegt men voor Bunsbeek: ...alle keuren en broeken useert men te nemene nae den lantzarten, den ouden groten des coninx Lodewychs munten voer IX d.

Het landcharter stamt uit de 13de eeuw, en de boetes worden daarin uitgedrukt in ponden, schellingen en denieren lovensch. Die geldbedragen bleven nominaal dezelfde, terwijl de reële munten in zilverwaarde verminderen en dus minder waard werden. De denier lovensch werd een gestolde waarde, die geklonken werd aan de oude groot van de Franse koning Lodewijk IX. De Franse groot was een zwaardere zilvermunt dan de in omloop zijnde denieren. De groot lag aan de basis van de rekenmunt ponden tournois, die door het groot prestige van de Franse koning ook in onze gewesten gebruikt werd. Het pond tournois werd later ook het pond oude groten genoemd. Daarmee werd verwezen naar oud geld, goed geld met een hoge zilverwaarde, temidden van de muntdevaluaties van de 14de en 15de eeuw. De denier lovensch was onveranderlijk 1/9 oude groot.

Zo moet dit begrepen worden: den ouden groten des coninx Lodewychs munten voer IX d. : er gaan 9 denieren lovensch in de oud groot, of omgekeerd: 1 denier lovensch = 1/9 oude groot. De vermelding van de oude groot dient om te zeggen dat de denier lovensch, waarin de boetes worden uitgedrukt, een gestolde munt is, een rekenmunt type A in de terminologie van Hans Van Werveke, met een vast zilvergehalte. De veroordeelde betaalde zijn boete niet met denieren lovensch (die niet meer in omloop waren), maar met zilveren stuivers, die vervolgens boekhoudkundig werden omgerekend naar de rekenmunt in denieren Brabantse groten. Dit om aan te tonen hoe ingewikkeld de muntgeschiedenis van de late middeleeuwen en de vroege Nieuwe Tijd is.

Bronnen

Algemeen Rijksarchief Brussel, Rekenkamer, nr. 12621, Rekeningen van de meier van Kumtich.

Grondbezit in de late middeleeuwen: algemene principes

De geest van de moderne mens is analytisch: wij delen graag alles in duidelijke categorieën en hokjes in. Die houding hebben wij ook als wij in het verleden het bezit van onze voorouders of het grondbezit in een dorp willen bestuderen. We zijn gewend aan de zeer concrete gegevens -tot op de are nauwkeurig-, die ons sinds het 19de-eeuwse kadaster ten dienste staan, en die ons weinig problemen opleveren. Wij gaan ook uit van het concept van absolute eigendom: het eigendomsrecht behoort toe aan één persoon, en aan niemand anders. Zo zit ons privaatrecht sinds het Burgerlijk Wetboek uit 1804 in elkaar.

Wij worden dan ook in verwarring gebracht, wannneer wij het grondbezit in het Ancien Régime willen bestuderen, met die wirwar van bezitsvormen. Leengoederen, feodale verhoudingen, domaniale rechten, cijnsgronden, heerlijke rechten, het is allemaal nogal verwarrend. Want wie is nu de 'echte' eigenaar van een stuk grond?

In 2008 verscheen een boek dat een verhelderend beeld schetst van de bezitsverhoudingen op het platteland in de omgeving van de handelsmetropool Antwerpen: Michael Limberger, Sixteenth-century Antwerp and its Rural Surroundings. Dit model kan op andere regio 's toegepast worden, met name op het Hageland.

Enige opmerkingen over de terminologie die ik hier gebruik: Het Nederlands bezit geen woord voor het Franse 'tenure', d.i. een stuk grond of een goed dat van een ander persoon wordt 'gehouden'. Een tenure kan een leengoed of een cijnsgoed zijn. Vermits dit woord goed uitdrukt dat het om een goed gaat waarop eigendom en gebruiksrecht aan verschillende personen behoren, nemen we het over. Ook worden de begrippen 'eigendom' en 'bezit' door elkaar gebruikt, omdat die in het Ancien Régime eigenlijk zinledig zijn. 

Net zoals in de rest van Europa, bezaten de vorst, de adel en de Kerk een groot deel van de grond. In de praktijk waren zij echter niet de feitelijke gebruikers van de grond. Zij gaven een groot deel daarvan uit in leen of in tenure, in ruil waarvoor zij een jaarlijkse betaling ontvingen van de houders daarvan. De tenurehouders hadden een aantal bezitsrechten, en konden beschikken over de grond die ze van een heer hielden: ze konden het verkopen, aan hun erfgenamen nalaten, hypotheceren of verhuren.

Het eigendomsconcept in de laat-middeleeuwse periode was niet zo strikt gedefinieerd als vandaag. Verschillende personen konden bezitsrechten uitoefenen op eenzelfde goed, in verschillende vormen, wat de situatie heel complex maakt. Bovendien was grondbezit ook ingebed in domaniale en feodale verhoudigingen. De 'heerlijkheid' in welke vorm ook, was het cement van de laat-middeleeuwse bezitsverhoudingen. De plaats die de verschillende partijen in dat domaniaal-feodaal of heerlijk netwerk innamen, bepaalde ook de status van de bezitter.

Grosso modo kunnen we op vlak van bezitsverhoudingen van twee groepen spreken. De eerste groep waren zij die aan de top van de hiërachie van grondbezitters stonden: de vorst, de adel, het stedelijk patriciaat, en de kerkelijke instellingen. De tweede groep waren zij die grond van de eerste groep in tenure hielden.

Zoals reeds gezegd, is ons hedendaags concept van eigendom niet van toepassing op de laat-middeleeuwse bezitsrelaties. In de middeleeuwen konden verschillende personen rechen hebben op één goed. Het middeleeuwse recht onderscheidde:

  • allodiaal of vrij bezit
  • leenbezit
  • cijnzen en erfpachten

Elk van die bezitsvormen hield voor de houder ervan een verschillende afhankelijkheid in ten opzichte van de vorst, de 'eigenaar' of heer. Naargelang van de status van zijn bezit, moest de houder successierechten en/of een jaarlijkse rente betalen, of gewoon de vererving en transacties van het goed laten registreren. Al deze bezitstypes kunnen niettemin als 'eigendom' in de moderne vorm beschouwd worden, zij het dan niet in de vorm van een absoluut eigendomsrecht. Allodiaal, leen- en cijnsgoed waren relatieve termen. Ze stonden in een hiërarchische relatie tot elkaar. Een leenman kon een stuk grond van de vorst in leen houden, en vervolgens dit in cijns uitgeven. Naargelang het perspectief is hetzelfde stuk grond nu eens leengoed, dan weer cijnsgoed.

Een allodium was de hoogste vorm van eigendom. Het was niet onderworpen aan enige vorm van betaling of successierechten. Het was ook niet gebonden aan enige registratie in een leen- of cijnshof. De beziter van een allodiaal goed was de vrije en soevereine eigenaar van zijn goed in de moderne betekenis. Zulke allodiale gronden kwamen nog maar weinig voor in de late middeleeuwen, omdat de bezitters daarvan ofwel hun gronden in leen hadden opgedragen aan de vorst of een andere heer, ofwel door hen daartoe gedwongen waren.

De houder van een leengoed was afhankelijk van de leenheer, ofwel de vorst, of één van zijn vazallen. Hij was niet gehouden tot een jaarlijkse betaling en hij kon zijn leengoed verkopen of hypotheceren, maar hij moest elke transactie laten registreren in het leenhof van zijn leenheer. Een nieuwe bezitter van een leengoed moest wel successie- of verheffingsrechen betalen aan het leenhof, waarvan hij zijn goed in leen hield. Aanvankelijk moest een leenman militaire diensten leveren als de leenheer daar om vroeg, maar die waren in de late middeleeuwen in onbruik geraakt, omdat de vorst nu vooral op huursoldaten een beroep deed.

De overgrote meerderheid van tenures aan de onderkant van de bezitspyramide waren cijnsgoederen. Deze tenures waren onderworpen aan jaarlijkse betalingen in geld of in natura. Bezitters van cijnsgoederen werden als quasi-eigenaars beschouwd in de 15de eeuw. Cijnshouders konden hun goederen nalaten aan hun erfgenamen, ze verkopen of hypotheceren. In theorie was de grond eigendom van feodale heren, maar in de praktijk hadden de cijnshouders het reële bezit. De waarde van in geld uitgedrukte cijnzen was immers ten gevolge van inflatie en muntontwaardingen dramatisch gedaald, zodat ze na verloop van tijd niet meer dan een symbolische betekenis hadden gekregen.

Hoewel deze verschillende bezitsvormen juridisch van elkaar verschilden, bezat de houder ervan het praktisch eigendomsrecht, of hij nu een allodaal, leengoed of cijnsgoed bezat. Dus, als we alleen de top van de hiërarchie zouden bekijken als de eigenlijke eigenaars, dan zouden we een onrealistisch beeld hebben, als zou een groot deel van de grond in handen zijn van de hertog, adel en clerus. Langs de andere kant, als we alleen de onderste kant van de pyramide zouden bekijken, de cijnshouders en pachters, die de gronden bewerkten, dan zouden we evenzeer een vals beeld hebben van de bezitsverhoudingen op het platteland. Daarom moeten we  kijken naar de verschillende niveau 's van grondbezit, en naar de relaties daartussen.

(moet nog aangevuld worden met heerlijke rechten en bronnen voor de diverse types van grondbezit)

Bronnen:

LIMBERGER, M., Sixteenth-century Antwerp and its Rural Surroundings, Turnhout, 2008.

Hoewel ik er hier geen gebruik van gemaakt heb, geeft rechtshistoricus Godding ook een heel goede beschrijving van de verschillende types bezitsverhoudingen in het Ancien Régime:

GODDING, Ph., Le droit foncier à Bruxelles au moyen âge, Brussel, 1960.

GODDING, Ph., Le droit privé dans les Pays-Bas méridionaux du 12e au18e siècle, Brussel, 1987.

Heerlijkheden in het Hageland: verpanding in de 16de eeuw

In vorige bijdrage heb ik gesproken over de verpanding van dorpen en heerlijkheden in de 16de eeuw, waardoor die aan de rechtsmacht van de meier van Kumtich werden onttrokken. Concreet betekent dit voor de onderzoeker van de criminele justitie, dat we geen gegevens meer terugvinden voor de betreffende dorpen in de rekeningen van de meier. Misdrijven die op het territorium van een verpande heerlijkheid plaatsvonden, werden gevonnist door de officieren van de heer. Als je geluk hebt, kan je daarover gegevens terugvinden in het heerlijkheidsarchief of het familiearchief van de heer, maar dit is enkel het geval als het om een belangrijke heerlijke familie gaat.

Meer algemeen, voor de studie van de criminaliteit op het platteland in het hertogdom Brabant hebben we relatief veel gegevens tot ongeveer 1560, toen dorpen massaal als heerlijkheden met hoge rechtsmacht werden verpand onder koning Filips II. Van dan af, voor de late 16de, 17de en 18de eeuw, is het heel moeilijk om gegevens te vinden over criminele justieie op het platteland, tenzij voor heerlijkheden in handen van grote adellijke families, zoals bv. de Croy 's en Arenbergs in het hertogdom Aarschot.

Laten we eens enkele verpandingen in de meierij Kumtich nader bekijken. In 1505, onder Filips de Schone, werden vier dorpen, met alle rechten die de kroon daar bezat, verpand. Roosbeek en Vertrijk kwamen in handen van M. de Croy, graaf van Porcien. Jan Uuterliemingen verwierf voor 200 Filipsgulden Willebringen, en Jan de Hertoge verwierf de rechten in Sint-Pieters-Vissenaken. De verpanding van deze vier dorpen was inclusief de hoge rechtsmacht, naast de middelbare en lagere rechtsmacht en de cijnzen die de vorst daar bezat. De betreffende dorpen kwamen in 1550 terug aan het domein.

In het begin van de regering van koning Filips II, tijdens de jaren 1556-1560, werden talloze dorpen uit de meierij Kumtich, inclusief hoge rechtsmacht, verpand. Men moet voor ogen houden dat de kroon niet voor haar plezier of voor die van de adel grote delen van haar domein vervreemdde. Ze deed dit uit financiële noodzaak. In ruil voor het afstaan van haar rechten op plattelandsdorpen, ontving de kroon financiële middelen, waarmee ze de exponentiëel stijgende uitgaven voor het staatsapparaat mede kon financieren. Verpanding van dorpen in de vorm van heerlijkheden was dus een vorm van krediet. Langs de andere kant kregen de pandheren de inkomsten uit die dorpen, maar bovenal het sociaal prestige van een heerlijke titel. Zich 'heer van..' kunnen noemen was een sociaal zeer begerenswaardig goed. Het zou interessant zijn om na te gaan uit welke sociale groepen deze pandhouders behoorden: tot de reeds gevestigde adel, tot de opkomende ambtsadel, of tot de burgerij, die via de verwerving van heerlijkheden tot de adelsstand wilde toetreden?

Volgende dorpen uit de meierij Kumtich werden in de jaren 1556-1560 verpand:

  • Neerbutsel (1556) voor 80 ponden Artois aan Jan de Wittem, baron van Boutersem
  • Binkom (1558) (n.s.) voor 721 ponden Artois aan François de Baillet, heer van Neerlinter
  • Sint-Pieters-Vissenaken (1559) voor 236 ponden Artois aan Jan de Houtem
  • Roosbeek (1559), voor 817 ponden (van 40 Vlaamse groten) aan François de Baillet, heer van Neerlinter (ongedaan gemaakt in 1569)
  • Vertrijk (1559) voor 1122 ponden Artois aan Jean de Houtem, heer van Kwabeek (Vertrijk)
  • Willebringen (1559) voor 792 ponden Artois aan Jean de Limminghe
  • Meldert (1559) voor 1960 ponden Artois (van 40 Vlaamse groten) aan M. d' Oyenbrugge
  • Neervelp (1560) voor 150 ponden Artois aan Thomas van Rollema

Dit waren 'nieuwe' heerljikheden: dorpen die tot dan toe tot het vorstelijk domein behoorden, en nu voor het eerst onder de rechtsmacht van een particuliere heer kwamen te staan, die ook de hoge rechtsmacht had. Maar ook de oude middeleeuwse heerlijkheden zoals Neerlinter en Budingen, die tot dan toe slechts de middelbare justitie bezaten -waarbij het recht van lijf en lid aan de vorst behoorde-, verwierven in die jaren de hoge rechtsmacht. Philippe de Baillet, heer van Neerlinter, kocht die in 1557 voor 500 gulden, en Jean d' Oyenbrugge de Duras, heer van Budingen, verwierf in 1559 voor 450 Ponden Artois de hoge rechtsmacht over Budingen.

Het zou ons te ver voeren om in deze bijdrage de verdere geschiedenis van deze heerlijkheden te beschrijven. Laten we volstaan met te zeggen, dat deze verpandingen in de 16de eeuw als tijdelijk bedoeld waren. De kroon kon altijd -indien zij dat kon of wenste-, deze dorpen opnieuw inkopen, door de pandsom terug te betalen. In de 17de eeuw werden de rechten op veel van deze dorpen definitief aan particuliere heren verkocht.

Wie meer over het verder verloop van deze heerljkheden wil weten, kan altijd terecht in het werk van Wauters (zie hieronder), of in het archief van het Leenhof van Brabant, bewaard in het Rijksarchief Anderlecht.

Bronnen: A. WAUTERS, Géographie et histoire des communes belges. Brussel, 1874 (anastatische herdruk van 1963).

29-08-09

Munten in Hagelandse cijnsboeken uit de 16de eeuw

Cijnsboeken uit het Ancien Régime zijn moeilijk toegankelijk voor lokale historici en genealogen. Niet alleen is er het moeilijk leesbare geschrift. Ook de talloze schrappingen en latere toevoegingen in een ander handschrift zijn niet bevorderlijk voor de leesbaarheid. Tenslotte zijn er de cryptische afkortingen en symbolen, waardoor men geneigd is die slordige kladboekjes -want zo komen ze over- terzijde te schuiven.

Dit is spijtig, want als men de moeite doet deze documenten te doorgronden, dan zijn cijnsboeken waardevolle bronnen voor de genealogie, de toponymie, de bezitsstructuur en de landbouwgeschiedenis.

Een cijnsboek is een lijst van cijnsplichtigen, die in ruil voor het gebruik van een stuk grond, aan een grondbezitter, een heer of een kerkelijke instelling een jaarlijke cijns dienden te betalen. Een cijns is een bedrag in geld of een levering in natura, bv. een bepaalde hoeveelheid haver, of in veel gevallen een aantal kapuinen -gesneden hanen-.

Cijnzen uitgedrukt in geld bleven eeuwen onveranderd. Door de geldontwaarding en de stijgende prijzen werd het inkomen uit cijnzen van de heer in reële termen na verloop van tijd alsmaar lager. En omgekeerd, de last die op de cijnsplichtige boeren drukte, werd lichter. Zodanig dat de cijnzen eerder een symbool werden van de oorspronkelijke afhankelijkheidsverhouding van de cijnsplichtigen ten aanzien van de grondheer.

Ook juridisch werd de cijnsplichtige tenslotte erkend als de bijna-volledige eigenaar van zijn cijnsgoed: hij kon het verkopen en met een rente belasten, maar hij moest dit wel laten registreren in het cijnshof van de heer. Een cijnshof of laathof was een rechtbank van de cijnsplichtigen van een grondheer, waarin alle transacties betreffende de cijnsgoederen werden geattesteerd, en waarin betwistingen rond cijnsgoederen werden beslecht.

Laten we ons hier met de gebruikte munten in cijnsboeken bezighouden. Volgende voorbeelden komen uit het cijnsboek uit 1589 van de Abdij Vrouwenpark voor goederen in Langdorp:

Pieter Dielis te voeren Wouter Sijne iii d(enieren) boon
van een pleck lants, daer een huijs plach op te staene, houdende omtrent 1 1/2 dach(mael)

Anthonis Scutters te voeren Pauwel Peeters xx sch(ellingen) pay(ment)
van huijs ende hoeve

Pieter Dielis moet 3 denieren boon betalen voor 1 1/2 dagmaal gond, d.i.  ongeveer een halve hectare. Anthonis Scutters is 20 schellingen payment verplicht voor een huis en hoeve. Wat betekenen die bedragen en munten? Belangrijk voor het begrijpen van het geld in het Ancien Régime is dat een gedbedrag dikwijls uit twee componenten bestaat: 1) de eenheid: ponden, schellingen en denieren -ook wel penningen genoemd- 2) de gebruikte muntsoort.

Sinds de Karolingers was het geld aldus onderverdeeld: 1 pond = 20 schellingen = 240 denieren, waarbij 1 schelling = 12 denieren. Die verhoudingen golden binnen elke muntsoort. Tot in de 13de eeuw was de denier de enige klinkende munt, die bij betalingen werd gebruikt. Schellingen en ponden waren boekhoudkundige veelvouden van de reële zilveren dienier, om grotere bedragen gemakkelijker te kunnen voorstellen.

Door de heropleving van de handel en het groeiende bestuursapparaat van de vorsten, kwam er een tekort aan geld. De vorsten begonnen dan maar het zilvergehalte van de munten te verlagen. Uit eenzelfde hoeveelheid zilver werden grotere hoeveelheden denieren geslagen, waardoor die een lager zilvergehalte hadden dan de reeds in omloop zijnde denieren.

Dit zette natuurlijk kwaad bloed bij de heren die van cijnzen en andere vaste inkomsten moesten leven. Want als een cijnsplichtige zeg maar drie denieren betaalde met gedevalueerde munstukken, die minder zilver bevatten, dan ging het inkomen van de heer in reële termen achteruit. Hertog Jan I wou aan deze situatie verhelpen. In 1291 bepaalde hij dat de cijnzen aan om het even welke grondheer in Brabant betaald moesten worden in nieuwe denieren, waarbij 3 oude denieren gelijk waren aan 4 oude denieren. 1 oude denier was dus 1,3 nieuwe denieren, of 1 nieuwe denier was 0,75 oude denieren.

Om de daaruit voortspruitende muntverwarring tegent te gaan, werden vanaf de late 13de eeuw adjectieven toegevoegd aan geldbedragen om uit te drukken of het om 'oud' of 'nieuw' geld gaat. Oud geld omschreef men bv. als bone et legalis monete. Men wil benadrukken dat het gaat om 'oud', 'wettelijk' of 'goed' geld. Wanneer men een contract sluit, dan willen de partijen zich beschermen tegen de gedevalueerde en bijgevolg slechte denieren. die meer en meer in de omloop belanden.

Binnen deze ontwikkeling past ons voorbeeld uit het cijnsboek van de Abdij Vrouwenpark uit 1589: een bedrag van 3 denieren boon. 'Boon' is de afkorting van bona moneta, goed geld. Geld van vroeger, dat meer zilver bevatte. Vermits cijnsbedragen eeuwenlang onveranderd blijven, kunnen we concluderen dat deze vercijnzing in de late 13de of vroege 14de eeuw moet gebeurd zijn, toen men zich zorgen begon te maken over de geldontwaarding.

De slechte, gedevalueerde munten werden vanaf het einde van de 13de eeuw uitgedrukt als parve monete. Hiermee wil men de gedevalueerde denieren aanduiden. Ook spreekt men van monete, communiter currentis in Brabatia of penningen paiments, alse altoes in borse gaen sal. Het 'payment' wordt vanaf de 14de eeuw een nieuw rekenmuntsysteem in Brabant, naast vele andere.

Hier komt ons tweede voorbeeld uit het cijnsboek van de Abdij Vrouwenpark uit 1589 op d proppen: Anthonis Scutters moet 20 schellingen payment betalen.  De vercijnsing moet dus ergens vanaf de  14de eeuw hebben plaatsgevonden, toen het payment in Brabant gebruikt werd om bedragen uit te drukken die betaald werden in 'lopend geld', geld dat door muntontwaardingen steeds meer van zijn oorspronkelijke waarde verloor, in tegenstelling tot 'goed geld'.

Als we ons beperken tot onze twee voorbeelden uit het cijnsboek van 1589, 3 denieren 'goed geld', en 20 schellingen payment, kunnen we dan nog achterhalen welke de waarde van die bedragen is? We zouden die oude bedragen moeten kunnen omrekenen naar geld uit die tijd, eind 16de eeuw dus. Gemakshalve maak ik gebruik van het oud cijnsboekje uit de 18de eeuw dat Jan Verbesselt heeft gevonden: Den schat der cheynsen, uitgegeven rond 1745. De auteur ging toen reeds te rade bij een oudere uitgave uit 1689, die op zijn beurt teruggreep op documenten uit de late 16de eeuw. De auteur schreef zijn boekje om tegemoet te komen aan de wensen van vele cijnsheffers, die reeds toen de diverse cijnzen en munten niet goed begrepen. Dus ook de tijdgenoten krabten zich dikwijls net als wij in hun haar bij die archaïsche geldbedragen.

 

Bronnen

Rijksarchief Leuven, Kerkarchief, nr. 9891, Cijnsboek van Abdij Vrouwenpark in Langdorp; 1589.

J.P. PEETERS, De financiën van de kleine en secundaire steden in Brabant vand e 12de tot het midden der 16de eeuw, Brussel, 1980, deel 3, p. 530-597.

J. VERBESSELT, Oude cijnzen, munten en maten, uitgegeven door VVF (overdruk uit Eigen Schoon en de Brabander, 1955)

 

27-08-09

De meierij Kumtich: gerechtelijke organisatie van het Hageland

Het gerechtelijk systeem, waarover de laatste tijd zoveel te doen is, hebben wij aan de Fransen te danken. Die veegden vanaf 1795 de eeuwenoude instellingen weg. Rationalisering en centralisering waren de boodschap.

Laten we ons in deze bijdrage beperken tot de strafrechteljk organisatie in het Hageland tijdens het Ancien Régime.  Aan de top daarvan stond de hoofdmeier van Tienen. Hij was de vertegenwoordiger van de hertog van Brabant en had als gerechtsofficier de taak om misdrijven te vervolgen en voor de bevoegde rechtbanken te brengen. Men kan de meier van Tienen vergelijken met de procureur-generaal binnen het rechtsgebied van het Hof van Beroep.

Onder de meier van Tienen waren er vier ondergeschikte meiers; de meiers van Zoutleeuw, Kumtich, Geten en Halen. Die hadden dezelfde functie als de hoofdmeier van Tienen, binnen hun eigen ressort. Men kan ze vergelijken met de procureur des Konings binnen een gerechtelijk arrondissement. De meier van Tienen was echter bevoegd voor de zwaarste misdrijven, die met de doodstraf of verminking bestraft werden (lijf ende lid).

Laten we eens meer in detail zo 'n ondergeschikte meierij bekijken, met name de meierij Kumtich. Dit ressort bevatte volgende dorpen: Kumtich, Hoksem, Oorbeek, Willebringen, Vertrijk, Neervelp, Molenstede, Roosbeek, Sint-Pieters-Vissenaken, Neerbutsel, Breisem, Bunsbeek, Sint-Emmelen-Vissenaken, Kerkom, Boutersem, Sluizen, Meldert, Budingen, Binkom, Hoeldeden, Oplinter, Neerlinter. Deze dorpen behoren tot de huidige fusiegemeenten Tienen, Boutersem, Glabbeek, Hoegaarden, Kortenaken en Diest.

Aan het eind van de middeleeuwen viel het grootste deel van deze dorpen en vlekken onder de directe rechtsmacht van de hertog. Volgende dorpen stonden onder het gezag van particuliere heren: Molenstede, Boutersem, Sluizen, Budingen, Hoeleden, Oplinter en Neerlinter. Zij werden de smalheren van Kumtich genoemd. In deze heerlijkheden hadden de heren de rechtsmacht, behalve voor de zwaarste misdrijven, die van lijf ende led, dat aan de hertog voorbehouden bleef.

In het gebied van de hertog waren er vier schepenbanken:

  • Kumtich: bevoegd voor Kumtich, Oorbeek, Willebringen, Honsem, Vertrijk, Neervelp, Roosbeek, Sint-Pieters-Vissenaken, Neerbutse en Breisem
  • Bunsbeek: bevoegd voor Bunsbeek, Sint-Emmelen-Vissenaken en Kerkom
  • Meldert: bevoegd voor Meldert
  • Binkom: bevoegd voor Binkom

Deze gerechterlijke situatie zou in de loop van de zestiende eeuw nogal dikwijls veranderen. De vorsten van de Bourgondisch-Habsburgse dynastie zaten omwille van hun eindeloze oorlogen dikwijls in geldnood. Ze waren genoodzaakt op allerlei manieren aan geld te komen. Eén van die manieren was het verpanden of verkopen van hun rechtsmacht in plattelandsdorpen. In 1505, onder Filips de Schone, werden volgende dorpen verpand aan particuliere heren: Willebringen, Vertrijk, Roosbeek en Sint-Pieters-Vissenaken. In 1550 werden deze dorpen gelost, dit wil zeggen dat ze opnieuw tot het vorstelijk domein terugkeerden.

Maar onder Filips II was er vanaf 1559 een nieuwe verpandingsgolf, zodat de meeste dorpen nu onder een dorpsheer vielen. Die verwierven in de meeste gevallen de hoge rechtsmacht, het recht om doodsvonnissen uit te spreken. Sommige heren verzamelden heerlijkheden, bv. de Baillets, heren van Neerlinter, Binkom, Roosbeek en Geetbets. Neerlinter was een oude middeleeuwse heerlijkheid met middelbare rechtsmacht, met uitzondering van doodsvonnissen. In 1557 verwierf Philippe de Baillet in pand de hoge rechtsmacht over Neerlinter. Ook de meierij Lubbeek werd door het kroondomein aan Baillet verpand. De zestiende-zeventiende eeuw was, meer algemeen gesproken, getuige van een uitverkoop van het vorstelijk domein op het platteland, zodat bijna elk dorp zijn eigen dorpsheer met hoge rechtsmacht had.

In de meierij Kumtich bleven vanaf de tweede helft van de 16de eeuw enkel volgende gemeenten tot het vorstelijk domein behoren: Kumtich, Oorbeek, Bunsbeek, Sint-Emmelen-Vissenaken, Kerkom.

In een volgende bijdrage zal ik het hebben over het eigenlijke strafprocesrecht en de bestrafte misdrijven. In de zestiende eeuw werd nog recht gesproken volgens het landcharter van de dertiende eeuw, dat onder hertog Jan I werd uitgevaardigd. Laten we nu al verklappen dat het in de plattelandsmeierij Kumtich hoofdzakelijk om de kleine geweldscriminaliteit ging: gevechten, messteken, slagen en verwondingen, caféruzies, beledigingen, etc... We kunnen heel wat leren over geweld in het verleden en hoe het gerecht daarmee omging.

Bronnen: Deze bijdrage is gebaseerd op de rekeningen van de meier van Kumtich, 1477-1562, bewaard in het Algemeen Rijksarchief Brussel, Rekenkamers, nr. 12621.

17-08-09

Enkele uitgegeven cijnsboeken uit het Hageland

KEMPENEERS, P., Cijnsboek van het Sint-Germeinskapittel (Tienen), ca. 1698, Tienen, 2008. Zie Website Paul Kempeneers

KEMPENEERS, P., Cijnsboek van de hertog van Brabant in Tienen vernieuwd 1699, Bijdragen van het Hagelands Historisch Documentatiecentrum. Nummer 2, 1995.

KEMPENEERS, P., cijnsboek van de Eerw. Vrouwe Abdis van Vrouwenpark gelegen onder Kumtich, Breisem, Kerkom, Willebringen, Honsem, etc., vernieuwd 1680.

EVERAERTS, W., Het cijnsboek van "Het Hof van Schoenenberghe", gelegen te Lubbeek (1573) (vervolg), in: Oost-Brabant, 1996-1997.

HENDRICKX, J, Cijnsboek en leenboek Hof van Calsteren Neerlinter van 1542, uitgave VVF Tienen.

EVERAERTS, W. "Cijnsboek van Binkom, Kiezegem, Kerkom en omgeving", in: Oost-Brabant, XVI, 1979, p. 101-122 en 177-178.

VRANKEN, P., Rillaar in cijnsboeken, in: Oude Land van Aarschot, 1993.

CAMERLINCKX, F. en HOLEMANS, P., Het cijnsboek van de heren van Aarschot van 1368-1375, Bijdragen tot de geschiedenis van het Land van Aarschot, 9, 1993.

CLAES, F.M., Cijnsboek van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Diest (14de eeuw), 1986.

Het cijnsboek van Jacob de Witte met betrekking tot het Hof van Boerzevael te Lubbeek, in: Oost-Brabant, 1990-1994.

Cijnsboek van Anthoenis de hertoghe 1533. Zie Website Paul Kempeneers

23:31 Gepost door Hagelandia in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: landbouw, hageland, cijnsboeken |  Facebook |