27-08-09

De meierij Kumtich: gerechtelijke organisatie van het Hageland

Het gerechtelijk systeem, waarover de laatste tijd zoveel te doen is, hebben wij aan de Fransen te danken. Die veegden vanaf 1795 de eeuwenoude instellingen weg. Rationalisering en centralisering waren de boodschap.

Laten we ons in deze bijdrage beperken tot de strafrechteljk organisatie in het Hageland tijdens het Ancien Régime.  Aan de top daarvan stond de hoofdmeier van Tienen. Hij was de vertegenwoordiger van de hertog van Brabant en had als gerechtsofficier de taak om misdrijven te vervolgen en voor de bevoegde rechtbanken te brengen. Men kan de meier van Tienen vergelijken met de procureur-generaal binnen het rechtsgebied van het Hof van Beroep.

Onder de meier van Tienen waren er vier ondergeschikte meiers; de meiers van Zoutleeuw, Kumtich, Geten en Halen. Die hadden dezelfde functie als de hoofdmeier van Tienen, binnen hun eigen ressort. Men kan ze vergelijken met de procureur des Konings binnen een gerechtelijk arrondissement. De meier van Tienen was echter bevoegd voor de zwaarste misdrijven, die met de doodstraf of verminking bestraft werden (lijf ende lid).

Laten we eens meer in detail zo 'n ondergeschikte meierij bekijken, met name de meierij Kumtich. Dit ressort bevatte volgende dorpen: Kumtich, Hoksem, Oorbeek, Willebringen, Vertrijk, Neervelp, Molenstede, Roosbeek, Sint-Pieters-Vissenaken, Neerbutsel, Breisem, Bunsbeek, Sint-Emmelen-Vissenaken, Kerkom, Boutersem, Sluizen, Meldert, Budingen, Binkom, Hoeldeden, Oplinter, Neerlinter. Deze dorpen behoren tot de huidige fusiegemeenten Tienen, Boutersem, Glabbeek, Hoegaarden, Kortenaken en Diest.

Aan het eind van de middeleeuwen viel het grootste deel van deze dorpen en vlekken onder de directe rechtsmacht van de hertog. Volgende dorpen stonden onder het gezag van particuliere heren: Molenstede, Boutersem, Sluizen, Budingen, Hoeleden, Oplinter en Neerlinter. Zij werden de smalheren van Kumtich genoemd. In deze heerlijkheden hadden de heren de rechtsmacht, behalve voor de zwaarste misdrijven, die van lijf ende led, dat aan de hertog voorbehouden bleef.

In het gebied van de hertog waren er vier schepenbanken:

  • Kumtich: bevoegd voor Kumtich, Oorbeek, Willebringen, Honsem, Vertrijk, Neervelp, Roosbeek, Sint-Pieters-Vissenaken, Neerbutse en Breisem
  • Bunsbeek: bevoegd voor Bunsbeek, Sint-Emmelen-Vissenaken en Kerkom
  • Meldert: bevoegd voor Meldert
  • Binkom: bevoegd voor Binkom

Deze gerechterlijke situatie zou in de loop van de zestiende eeuw nogal dikwijls veranderen. De vorsten van de Bourgondisch-Habsburgse dynastie zaten omwille van hun eindeloze oorlogen dikwijls in geldnood. Ze waren genoodzaakt op allerlei manieren aan geld te komen. Eén van die manieren was het verpanden of verkopen van hun rechtsmacht in plattelandsdorpen. In 1505, onder Filips de Schone, werden volgende dorpen verpand aan particuliere heren: Willebringen, Vertrijk, Roosbeek en Sint-Pieters-Vissenaken. In 1550 werden deze dorpen gelost, dit wil zeggen dat ze opnieuw tot het vorstelijk domein terugkeerden.

Maar onder Filips II was er vanaf 1559 een nieuwe verpandingsgolf, zodat de meeste dorpen nu onder een dorpsheer vielen. Die verwierven in de meeste gevallen de hoge rechtsmacht, het recht om doodsvonnissen uit te spreken. Sommige heren verzamelden heerlijkheden, bv. de Baillets, heren van Neerlinter, Binkom, Roosbeek en Geetbets. Neerlinter was een oude middeleeuwse heerlijkheid met middelbare rechtsmacht, met uitzondering van doodsvonnissen. In 1557 verwierf Philippe de Baillet in pand de hoge rechtsmacht over Neerlinter. Ook de meierij Lubbeek werd door het kroondomein aan Baillet verpand. De zestiende-zeventiende eeuw was, meer algemeen gesproken, getuige van een uitverkoop van het vorstelijk domein op het platteland, zodat bijna elk dorp zijn eigen dorpsheer met hoge rechtsmacht had.

In de meierij Kumtich bleven vanaf de tweede helft van de 16de eeuw enkel volgende gemeenten tot het vorstelijk domein behoren: Kumtich, Oorbeek, Bunsbeek, Sint-Emmelen-Vissenaken, Kerkom.

In een volgende bijdrage zal ik het hebben over het eigenlijke strafprocesrecht en de bestrafte misdrijven. In de zestiende eeuw werd nog recht gesproken volgens het landcharter van de dertiende eeuw, dat onder hertog Jan I werd uitgevaardigd. Laten we nu al verklappen dat het in de plattelandsmeierij Kumtich hoofdzakelijk om de kleine geweldscriminaliteit ging: gevechten, messteken, slagen en verwondingen, caféruzies, beledigingen, etc... We kunnen heel wat leren over geweld in het verleden en hoe het gerecht daarmee omging.

Bronnen: Deze bijdrage is gebaseerd op de rekeningen van de meier van Kumtich, 1477-1562, bewaard in het Algemeen Rijksarchief Brussel, Rekenkamers, nr. 12621.

De commentaren zijn gesloten.