01-09-09

Grondbezit in de late middeleeuwen: algemene principes

De geest van de moderne mens is analytisch: wij delen graag alles in duidelijke categorieën en hokjes in. Die houding hebben wij ook als wij in het verleden het bezit van onze voorouders of het grondbezit in een dorp willen bestuderen. We zijn gewend aan de zeer concrete gegevens -tot op de are nauwkeurig-, die ons sinds het 19de-eeuwse kadaster ten dienste staan, en die ons weinig problemen opleveren. Wij gaan ook uit van het concept van absolute eigendom: het eigendomsrecht behoort toe aan één persoon, en aan niemand anders. Zo zit ons privaatrecht sinds het Burgerlijk Wetboek uit 1804 in elkaar.

Wij worden dan ook in verwarring gebracht, wannneer wij het grondbezit in het Ancien Régime willen bestuderen, met die wirwar van bezitsvormen. Leengoederen, feodale verhoudingen, domaniale rechten, cijnsgronden, heerlijke rechten, het is allemaal nogal verwarrend. Want wie is nu de 'echte' eigenaar van een stuk grond?

In 2008 verscheen een boek dat een verhelderend beeld schetst van de bezitsverhoudingen op het platteland in de omgeving van de handelsmetropool Antwerpen: Michael Limberger, Sixteenth-century Antwerp and its Rural Surroundings. Dit model kan op andere regio 's toegepast worden, met name op het Hageland.

Enige opmerkingen over de terminologie die ik hier gebruik: Het Nederlands bezit geen woord voor het Franse 'tenure', d.i. een stuk grond of een goed dat van een ander persoon wordt 'gehouden'. Een tenure kan een leengoed of een cijnsgoed zijn. Vermits dit woord goed uitdrukt dat het om een goed gaat waarop eigendom en gebruiksrecht aan verschillende personen behoren, nemen we het over. Ook worden de begrippen 'eigendom' en 'bezit' door elkaar gebruikt, omdat die in het Ancien Régime eigenlijk zinledig zijn. 

Net zoals in de rest van Europa, bezaten de vorst, de adel en de Kerk een groot deel van de grond. In de praktijk waren zij echter niet de feitelijke gebruikers van de grond. Zij gaven een groot deel daarvan uit in leen of in tenure, in ruil waarvoor zij een jaarlijkse betaling ontvingen van de houders daarvan. De tenurehouders hadden een aantal bezitsrechten, en konden beschikken over de grond die ze van een heer hielden: ze konden het verkopen, aan hun erfgenamen nalaten, hypotheceren of verhuren.

Het eigendomsconcept in de laat-middeleeuwse periode was niet zo strikt gedefinieerd als vandaag. Verschillende personen konden bezitsrechten uitoefenen op eenzelfde goed, in verschillende vormen, wat de situatie heel complex maakt. Bovendien was grondbezit ook ingebed in domaniale en feodale verhoudigingen. De 'heerlijkheid' in welke vorm ook, was het cement van de laat-middeleeuwse bezitsverhoudingen. De plaats die de verschillende partijen in dat domaniaal-feodaal of heerlijk netwerk innamen, bepaalde ook de status van de bezitter.

Grosso modo kunnen we op vlak van bezitsverhoudingen van twee groepen spreken. De eerste groep waren zij die aan de top van de hiërachie van grondbezitters stonden: de vorst, de adel, het stedelijk patriciaat, en de kerkelijke instellingen. De tweede groep waren zij die grond van de eerste groep in tenure hielden.

Zoals reeds gezegd, is ons hedendaags concept van eigendom niet van toepassing op de laat-middeleeuwse bezitsrelaties. In de middeleeuwen konden verschillende personen rechen hebben op één goed. Het middeleeuwse recht onderscheidde:

  • allodiaal of vrij bezit
  • leenbezit
  • cijnzen en erfpachten

Elk van die bezitsvormen hield voor de houder ervan een verschillende afhankelijkheid in ten opzichte van de vorst, de 'eigenaar' of heer. Naargelang van de status van zijn bezit, moest de houder successierechten en/of een jaarlijkse rente betalen, of gewoon de vererving en transacties van het goed laten registreren. Al deze bezitstypes kunnen niettemin als 'eigendom' in de moderne vorm beschouwd worden, zij het dan niet in de vorm van een absoluut eigendomsrecht. Allodiaal, leen- en cijnsgoed waren relatieve termen. Ze stonden in een hiërarchische relatie tot elkaar. Een leenman kon een stuk grond van de vorst in leen houden, en vervolgens dit in cijns uitgeven. Naargelang het perspectief is hetzelfde stuk grond nu eens leengoed, dan weer cijnsgoed.

Een allodium was de hoogste vorm van eigendom. Het was niet onderworpen aan enige vorm van betaling of successierechten. Het was ook niet gebonden aan enige registratie in een leen- of cijnshof. De beziter van een allodiaal goed was de vrije en soevereine eigenaar van zijn goed in de moderne betekenis. Zulke allodiale gronden kwamen nog maar weinig voor in de late middeleeuwen, omdat de bezitters daarvan ofwel hun gronden in leen hadden opgedragen aan de vorst of een andere heer, ofwel door hen daartoe gedwongen waren.

De houder van een leengoed was afhankelijk van de leenheer, ofwel de vorst, of één van zijn vazallen. Hij was niet gehouden tot een jaarlijkse betaling en hij kon zijn leengoed verkopen of hypotheceren, maar hij moest elke transactie laten registreren in het leenhof van zijn leenheer. Een nieuwe bezitter van een leengoed moest wel successie- of verheffingsrechen betalen aan het leenhof, waarvan hij zijn goed in leen hield. Aanvankelijk moest een leenman militaire diensten leveren als de leenheer daar om vroeg, maar die waren in de late middeleeuwen in onbruik geraakt, omdat de vorst nu vooral op huursoldaten een beroep deed.

De overgrote meerderheid van tenures aan de onderkant van de bezitspyramide waren cijnsgoederen. Deze tenures waren onderworpen aan jaarlijkse betalingen in geld of in natura. Bezitters van cijnsgoederen werden als quasi-eigenaars beschouwd in de 15de eeuw. Cijnshouders konden hun goederen nalaten aan hun erfgenamen, ze verkopen of hypotheceren. In theorie was de grond eigendom van feodale heren, maar in de praktijk hadden de cijnshouders het reële bezit. De waarde van in geld uitgedrukte cijnzen was immers ten gevolge van inflatie en muntontwaardingen dramatisch gedaald, zodat ze na verloop van tijd niet meer dan een symbolische betekenis hadden gekregen.

Hoewel deze verschillende bezitsvormen juridisch van elkaar verschilden, bezat de houder ervan het praktisch eigendomsrecht, of hij nu een allodaal, leengoed of cijnsgoed bezat. Dus, als we alleen de top van de hiërarchie zouden bekijken als de eigenlijke eigenaars, dan zouden we een onrealistisch beeld hebben, als zou een groot deel van de grond in handen zijn van de hertog, adel en clerus. Langs de andere kant, als we alleen de onderste kant van de pyramide zouden bekijken, de cijnshouders en pachters, die de gronden bewerkten, dan zouden we evenzeer een vals beeld hebben van de bezitsverhoudingen op het platteland. Daarom moeten we  kijken naar de verschillende niveau 's van grondbezit, en naar de relaties daartussen.

(moet nog aangevuld worden met heerlijke rechten en bronnen voor de diverse types van grondbezit)

Bronnen:

LIMBERGER, M., Sixteenth-century Antwerp and its Rural Surroundings, Turnhout, 2008.

Hoewel ik er hier geen gebruik van gemaakt heb, geeft rechtshistoricus Godding ook een heel goede beschrijving van de verschillende types bezitsverhoudingen in het Ancien Régime:

GODDING, Ph., Le droit foncier à Bruxelles au moyen âge, Brussel, 1960.

GODDING, Ph., Le droit privé dans les Pays-Bas méridionaux du 12e au18e siècle, Brussel, 1987.

Commentaren

sixteenth century Antweerp Leuk om te horen dat je het boek interessant vond.

Gepost door: Michael Limberger | 13-10-09

Reageren op dit commentaar

De commentaren zijn gesloten.