01-09-09

Heerlijkheden in het Hageland: verpanding in de 16de eeuw

In vorige bijdrage heb ik gesproken over de verpanding van dorpen en heerlijkheden in de 16de eeuw, waardoor die aan de rechtsmacht van de meier van Kumtich werden onttrokken. Concreet betekent dit voor de onderzoeker van de criminele justitie, dat we geen gegevens meer terugvinden voor de betreffende dorpen in de rekeningen van de meier. Misdrijven die op het territorium van een verpande heerlijkheid plaatsvonden, werden gevonnist door de officieren van de heer. Als je geluk hebt, kan je daarover gegevens terugvinden in het heerlijkheidsarchief of het familiearchief van de heer, maar dit is enkel het geval als het om een belangrijke heerlijke familie gaat.

Meer algemeen, voor de studie van de criminaliteit op het platteland in het hertogdom Brabant hebben we relatief veel gegevens tot ongeveer 1560, toen dorpen massaal als heerlijkheden met hoge rechtsmacht werden verpand onder koning Filips II. Van dan af, voor de late 16de, 17de en 18de eeuw, is het heel moeilijk om gegevens te vinden over criminele justieie op het platteland, tenzij voor heerlijkheden in handen van grote adellijke families, zoals bv. de Croy 's en Arenbergs in het hertogdom Aarschot.

Laten we eens enkele verpandingen in de meierij Kumtich nader bekijken. In 1505, onder Filips de Schone, werden vier dorpen, met alle rechten die de kroon daar bezat, verpand. Roosbeek en Vertrijk kwamen in handen van M. de Croy, graaf van Porcien. Jan Uuterliemingen verwierf voor 200 Filipsgulden Willebringen, en Jan de Hertoge verwierf de rechten in Sint-Pieters-Vissenaken. De verpanding van deze vier dorpen was inclusief de hoge rechtsmacht, naast de middelbare en lagere rechtsmacht en de cijnzen die de vorst daar bezat. De betreffende dorpen kwamen in 1550 terug aan het domein.

In het begin van de regering van koning Filips II, tijdens de jaren 1556-1560, werden talloze dorpen uit de meierij Kumtich, inclusief hoge rechtsmacht, verpand. Men moet voor ogen houden dat de kroon niet voor haar plezier of voor die van de adel grote delen van haar domein vervreemdde. Ze deed dit uit financiële noodzaak. In ruil voor het afstaan van haar rechten op plattelandsdorpen, ontving de kroon financiële middelen, waarmee ze de exponentiëel stijgende uitgaven voor het staatsapparaat mede kon financieren. Verpanding van dorpen in de vorm van heerlijkheden was dus een vorm van krediet. Langs de andere kant kregen de pandheren de inkomsten uit die dorpen, maar bovenal het sociaal prestige van een heerlijke titel. Zich 'heer van..' kunnen noemen was een sociaal zeer begerenswaardig goed. Het zou interessant zijn om na te gaan uit welke sociale groepen deze pandhouders behoorden: tot de reeds gevestigde adel, tot de opkomende ambtsadel, of tot de burgerij, die via de verwerving van heerlijkheden tot de adelsstand wilde toetreden?

Volgende dorpen uit de meierij Kumtich werden in de jaren 1556-1560 verpand:

  • Neerbutsel (1556) voor 80 ponden Artois aan Jan de Wittem, baron van Boutersem
  • Binkom (1558) (n.s.) voor 721 ponden Artois aan François de Baillet, heer van Neerlinter
  • Sint-Pieters-Vissenaken (1559) voor 236 ponden Artois aan Jan de Houtem
  • Roosbeek (1559), voor 817 ponden (van 40 Vlaamse groten) aan François de Baillet, heer van Neerlinter (ongedaan gemaakt in 1569)
  • Vertrijk (1559) voor 1122 ponden Artois aan Jean de Houtem, heer van Kwabeek (Vertrijk)
  • Willebringen (1559) voor 792 ponden Artois aan Jean de Limminghe
  • Meldert (1559) voor 1960 ponden Artois (van 40 Vlaamse groten) aan M. d' Oyenbrugge
  • Neervelp (1560) voor 150 ponden Artois aan Thomas van Rollema

Dit waren 'nieuwe' heerljikheden: dorpen die tot dan toe tot het vorstelijk domein behoorden, en nu voor het eerst onder de rechtsmacht van een particuliere heer kwamen te staan, die ook de hoge rechtsmacht had. Maar ook de oude middeleeuwse heerlijkheden zoals Neerlinter en Budingen, die tot dan toe slechts de middelbare justitie bezaten -waarbij het recht van lijf en lid aan de vorst behoorde-, verwierven in die jaren de hoge rechtsmacht. Philippe de Baillet, heer van Neerlinter, kocht die in 1557 voor 500 gulden, en Jean d' Oyenbrugge de Duras, heer van Budingen, verwierf in 1559 voor 450 Ponden Artois de hoge rechtsmacht over Budingen.

Het zou ons te ver voeren om in deze bijdrage de verdere geschiedenis van deze heerlijkheden te beschrijven. Laten we volstaan met te zeggen, dat deze verpandingen in de 16de eeuw als tijdelijk bedoeld waren. De kroon kon altijd -indien zij dat kon of wenste-, deze dorpen opnieuw inkopen, door de pandsom terug te betalen. In de 17de eeuw werden de rechten op veel van deze dorpen definitief aan particuliere heren verkocht.

Wie meer over het verder verloop van deze heerljkheden wil weten, kan altijd terecht in het werk van Wauters (zie hieronder), of in het archief van het Leenhof van Brabant, bewaard in het Rijksarchief Anderlecht.

Bronnen: A. WAUTERS, Géographie et histoire des communes belges. Brussel, 1874 (anastatische herdruk van 1963).

De commentaren zijn gesloten.