01-09-09

Het geld in de rekeningen van de meier van Kumtich

Wanneer men een rekening van een instelling uit het Ancien Régime bestudeert, dan wordt men overmijdelijk met het probleem van de gebruikte munteenheden geconfronteerd. Men dient een inzicht te krijgen in die problematiek, wil men geen verkeerde conclusies trekken uit de vermelde geldbedragen. Laten we eens kijken hoe geldsommen in de rekeningen van de meier van Kumtich worden uitgedrukt, en welke de gebruikte munten zijn.

In de aanhef van de rekening, beschrijft de meier welke munten gebruikt worden: ...welcke reckening gemaict is in diverse munten, die alle gevalueert zijn in ponden schellingen ende penningen groten brabants gelts, te weten den zilveren penninck geheeten stuver voir iii d(enieren) gro(ten) ende alle anderen munten naer die gelande gereekent...

Men moet dit als volgt voorstellen: de veroordeelde betaalde zijn boete met munten, die in het reële leven circuleerden. In dit geval met zilveren stuivers, die sinds de 15de eeuw in omloop waren. Zoals hoger vermeld, was de stuiver 3 penningen -of denieren- groten waard. De groot was in de 15de en 16de eeuw de basis van het rekenmuntsysteem in Brabant. Met rekenmunt bedoelt men een systeem van geldverhoudingen, al dan niet gebaseerd op een reële munt, waarmee verschillende munten tot één uniforme waardemeter konden herleid worden. In dit geval het rekensysteem van ponden, schellingen en denieren Brabantse groten, steeds volgens de eeuwenoude verhouding 1 pond Brabantse groten = 20 schellingen Brabantse groten, en 1 schelling Brabantse groten = 12 denieren Brabantse groten.

Als de meier bv. een boete van 6 stuivers oplegde, dan werd dit volgens de equivalentie 1 stuiver = 3 denieren Brabantse groten, in de rekening genoteerd als 1 schelling 6 denieren Brabantse groten (of 18 denieren, waarbij 1 schelling = 12 denieren).

Vanaf de jaren 1530 werd de Carolusgulden, die 20 stuivers waard was als munteenheid vermeld:...welcken rekening gemaickt is in diverse munten, te weten den gouden carolusgulden tot xx stuvers, den philippusgulden tot xxv stuvers, den stuver voer iii groten brabants...De Karolusgulden was een nieuwe gouden munt, die door Keizer Karel V in 1526 geslagen was. Hij lag aan de basis van een nieuw rekenmuntsysteem, dat van gulden-stuivers, dat vanaf de late 16de eeuw, het oude rekenmuntsysteem van ponden-schellingen-denieren zou vervangen. Maar nu nog werden bedragen in gulden en stuivers omgerekend naar schellingen en denieren Brabantse groten. Soms werd een boete ook betaald met Rijnsguldens.

De boetes werden volgens een uniform tarief geheven, bv. 20, 25 of 30 schellingen. Die zijn blijkbaar gebaseerd op het landcharter of rurale keure voor het Kwartier Leuven uit de 13de eeuw. In 1291 had hertog Jan I een keure uitgegeven, waarin het strafrecht voor het platteland was gecodificeerd, voor de ammanie Brussel, het schoutschap Antwerpen en het ressort van Nijvel. Ik heb dit landcharter voor het Kwartier Leuven tot nu toe niet teruggevonden. In de rekeningen van de meier van Kumtich wordt voor Bunsbeek, Kumtich, Kerkom en Meldert vermeld dat recht werd gesproken volgens het landcharter. Zo bv. zegt men voor Bunsbeek: ...alle keuren en broeken useert men te nemene nae den lantzarten, den ouden groten des coninx Lodewychs munten voer IX d.

Het landcharter stamt uit de 13de eeuw, en de boetes worden daarin uitgedrukt in ponden, schellingen en denieren lovensch. Die geldbedragen bleven nominaal dezelfde, terwijl de reële munten in zilverwaarde verminderen en dus minder waard werden. De denier lovensch werd een gestolde waarde, die geklonken werd aan de oude groot van de Franse koning Lodewijk IX. De Franse groot was een zwaardere zilvermunt dan de in omloop zijnde denieren. De groot lag aan de basis van de rekenmunt ponden tournois, die door het groot prestige van de Franse koning ook in onze gewesten gebruikt werd. Het pond tournois werd later ook het pond oude groten genoemd. Daarmee werd verwezen naar oud geld, goed geld met een hoge zilverwaarde, temidden van de muntdevaluaties van de 14de en 15de eeuw. De denier lovensch was onveranderlijk 1/9 oude groot.

Zo moet dit begrepen worden: den ouden groten des coninx Lodewychs munten voer IX d. : er gaan 9 denieren lovensch in de oud groot, of omgekeerd: 1 denier lovensch = 1/9 oude groot. De vermelding van de oude groot dient om te zeggen dat de denier lovensch, waarin de boetes worden uitgedrukt, een gestolde munt is, een rekenmunt type A in de terminologie van Hans Van Werveke, met een vast zilvergehalte. De veroordeelde betaalde zijn boete niet met denieren lovensch (die niet meer in omloop waren), maar met zilveren stuivers, die vervolgens boekhoudkundig werden omgerekend naar de rekenmunt in denieren Brabantse groten. Dit om aan te tonen hoe ingewikkeld de muntgeschiedenis van de late middeleeuwen en de vroege Nieuwe Tijd is.

Bronnen

Algemeen Rijksarchief Brussel, Rekenkamer, nr. 12621, Rekeningen van de meier van Kumtich.

De commentaren zijn gesloten.