25-09-09

De brouwers van Neerlinter rond 1795

De telling van het jaar IV (1796) is een heel belangrijke bron voor de beroepsstructuur van onze dorpen op het eind van de 18de eeuw. Maar als men deze telling vergelijkt met andere tellingen uit dezelfde periode, dan ontdekt men soms anomalieën, die ons ervoor moeten hoeden om niet onkritisch van deze telling gebruik te maken.

Zo bv. zijn in de telling van het jaar IV voor Neerlinter geen brouwers te vinden. Men zou daaruit de verkeerde conclusie kunnen trekken dat deze belangrijke agrarische nijverheid in dit dorp niet aanwezig was. Dat er wel degelijk brouwers in Neerlinter waren, blijkt uit de kohieren van de patentbelasting van het jaar V (1796/97). De patentbelasting was een belasting op ambachtelijke en commerciële activiteiten, door de Fransen ingevoerd. In het kohier van Neerlinter zijn maar liefst 12 brouwers en 10 herbergiers terug te vinden. Er zijn ook cohieren uit het jaar VI en VII.

12 brasseurs: L. Pulinckx, J.A. Arnauts, Pierre Michiels, G. Kemerlinkckx, L. Kemerlinckx, la veuve Claes, Ch. Struijs, Henri Moens, Michiels, Lambert Pulinckx, L. Leenaers, M. Vugghelen

10 cabaretiers: Jean Moens, Jean Govens, Jean François, Jean Delvaux, Guillaume Aelen, George Reniers, Mahaut, Guillaume Coninckx, Jean Vaes, Pierre François

We kunnen daaruit leren dat grote boeren naast hun landbouwbedrijf ook dikwijls als nevenberoep een brouwerij uitbaatten. Het brouwbedrijf is sterk verweven met de landbouw, en alleen kapitaalkrachtigen zoals grote boeren konden een brouwerij uitbaten. We kunnen er ook uit leren dat men in de mate van het mogelijke niet op één bron mag steunen, maar zoveel mogelijk andere bronnen moet raadplegen, om de informatie samen te leggen en te synthetiseren.

Ook in de laatste 20ste penning-belasting van het Ancien Régime in Neerlinter, uit 1793, vinden we veel brouwers, stokers en tappers terug:

11 brouwers: Adriaen Michiels, Christiaen Struijs, Weduwe Anthoen Vandevin, Weduwe Guiliam Claes, Geeraert Kemerlinckx, Germanus Van Vuchelen, Jan Matthijs Pulinckx, Joannes Antoinius Arnauts, Joannes Robertus Arnauts, Lambert Pulinckx, Sr. M. Van Vuchelen.

3 stokers: Guilliam Van Bael, Joannes Antonius Arnauts, Libertus Kemerlinckx sone L.

14 tappers: Caspar Van Roelen, Weduwe Pierre Matthues, Foliaen Lamberts, Gillis Tossaint, Guilliam Viegen, Hendrik Jordens, Hendrik Moens, Jan François, Jan Pulinckx, Joris Mertens, Joris Reniers, Librecht Lenaerts, Peter Joannes Govaerts, Wouter Draelants

Men herkent veel dezelfde families van boeren-brouwers in het 20ste penningkohier uit 1793 en het kohier van de patentbelasting uit het jaar V, o.a. de Arnauts'en, de Kemerlinckx'en en de Pulinckx'en, die tot de grootste boerenfamilies van Neerlinter behoorden. Joannes Antonius Arnauts is één van de hoogst aangeslagenen in de gedwongen lening van het jaar IV, met een fortune apparente van 30.000 gulden en een produit annuel en apparence de leur industrie van 1.000 gulden. Ook weduwe Anthoen Vandevin, cultivatrice et brasseuse , met een vermoedelijk fortuin van 40.000 gulden en een geschat jaarlijks inkomen van 1.500 gulden, behoort tot de rijkste inwoners van Neerlinter.

In het algemeen is het vergelijken van persoonsgegevens uit verschillende bronnen een redelijk zenuwslopende bezigheid. Het is heel moeilijk om een individu uniek te identificeren in verschillende bronnen. Soms is iemand enkel met initialen weergegeven, soms met een dubbele voornaam en dan weer met één voornaam. Voeg daaraan toe dat de Franse ambtenaren Vlaamse namen dikwijls verbasterden en akoestisch neerschreven. Zulke vergelijking van personen uit verschillende bronnen is een zeer taaie, analytische bezigheid, waarbij men dikwijls uit frustratie zijn kap over de haag gooit. Soms vindt men bv. een 'Jan Hendrickx' in de ene bron en ook in een andere bron, men denkt dat het om dezelfde persoon gaat, maar dan ontdekt men dat er nog twee andere Jan Hendrickx' en zijn, en men kan opnieuw beginnen.

Bronnen

Telling van het jaar IV van Neerlinter, in fotocopie uitgegeven door het Algemeen Rijksarchief

Rijksarchief Anderlecht, Dijledepartement, kohieren van de patentbelasting, jaar V, Municipaal kanton Zoutleeuw, nr. 1012

Rijksarchief Leuven, Schepengriffies Vlaams-Brabant (Neerlinter), 20ste penning Neerlinter, 1793, nr. ?

Rijksarchief Anderlecht, Dijledepartement, Gedwongen lening jaar IV, kanton Zoutleeuw, nr. 1374

De boeren van Kerkom in 1790-1792

Zie mijn vorige bijdrage over de strotelling van 1792. Hier geef ik de inwoners van Kerkom (Boutersem) die stro bezitten, volgens de telling in opdracht van de Staten van Brabant, om te onderzoeken welke dorpelingen stro aan het leger kunnen leveren. Er zijn 22 inwoners die stro bezitten, met een totale hoeveelheid van 191.000 pond. Hun aandeel in de totale bevolking berekenen we aan de hand van de volwassen mannelijke bevolking volgens de volkstelling van 1784: 22 op 137 is 16 %.

Liste begrypende de opregte quantiteyt van Terwe, Coren, Haver en Gerste Stroey door ons Wethouderen van Kerkom bevonden onder onse Jurisdictie, volgens Acte van locaele Visitatie door ons genomen den 17den meert 1792

Boeren met > 20.000 pond stro
Jacobus Wera: 25.500

Boeren met 15.000-20.000 pond stro
Jacobus Van Welde, sone Arnoldi: 19.000
Joannes Tillens: 18.500
Petrus Van Parijs: 17.000
 
Boeren met 10.000-15.000 pond stro
Joannes Villers: 14.000
Weduwe Jan Swinnen: 13.500 
Andreas Van Gramberen: 13.000
Geraard Pardon: 13.000

Boeren met 5.000-10.000  pond stro
Jacobus Van Welde, sone Jacobi: 8.500 
Cornelius Vander Waeren: 8.500
Weduwe Andries Kelcom: 8.050
Joannes Roelants, senior: 6.600
Lucas Geens: 6.050
Joannes Ons: 6.000
Jan Baptist Van Welde: 5.500 

Boeren < 5.000 pond stro
Jacobus Ons: 4.750
Jacobus Roelants, sone Henrici: 2.300
Jan Baptist Van Esch: 1.800 
Joannes Brige (?): 1.500
Anthoen Plis (?): 800
Mathias Coenen: 200

Van deze 22 personen uit de strotelling van maart 1792 kunnen er 7l geïdentificeerd worden in de petitie Declaratie van de Belgike Volkeren uit januari 1790. Er liggen twee jaren tussen deze tellingen, zodat personen overleden of verhuisd kunnen zijn. Andries Kelcom leeft nog in 1790, en wordt in de strotelling van 1792 door zijn weduwe vertegenwoordigd. Jacobus Wera, Jacobus Van Welde en Joannes Ons zijn schepenen van Kerkom volgens de telling uit 1790. Lucas Geens wordt in de petitie vermeld als molder. In de strotelling van 1792 zijn er twee Roelants'en, Jacobus Roelants senior, en Jacobus Roelants, sone Hendrick. Wie daarvan moeten we toewijzen aan de Jacobus Roelants in de petitie? Hier doet zich het belangrijkste probleem voor in de vergelijking van tellingen: het identificeren van individuen met dezelfde voornaam en familienaam. Soms moet je toegeven dat je het niet kan weten. Dit is intellectueel eerlijker dan arbitrair te beslissen voor hetgeen je het best uitkomt.

Qua alfabetisatieniveau is de genoemde Jacobus Roelants in de petitie uit 1790 een randgeval: hij plaatst wel een handtekening, maar met de nodige bibber. Wellicht kon hij niet schrijven en had hij het kunstje geleerd om zijn handtekening onder officiële documenten te plaatsen, omdat kunnen schrijven een groot sociaal prestige had. Petrus Van Parijs is de enige stroboer die in de petitie zijn handtekening niet kon plaatsen.

Bronnen

De strotelling voor Kerkom is terug te vinden in Rijksarchief Anderlecht, Staten van Brabant, Cartons, nr. 283/5. De petitie Declaratie van de Belgike volkeren in hetzelfde fonds, nr. 147.

 

24-09-09

De boeren van Roosbeek in 1790-1792

Het opstellen van een sociale stratificatie van een dorp in de 18de eeuw is geen gemakkelijke opgave. Met sociale stratificatie bedoelt men het rangschikken van de dorpsbewoners volgens inkomen, rijkdom, welvaart. De onderzoeker kan wel aan de hand van bv. de volkstellingen van 1755 en het jaar IV (1796) een beroepsstructuur opstellen, zodat men weet hoeveel boeren, landarbeiders, ambachtslieden er zijn, en die in percentages uitdrukken. Maar dan nog weet men weinig over inkomen en rijkdom. Er waren immers rijke pachtboeren, naast kleine keuterboeren, en ook landarbeiders, herbergiers en ambachtslieden konden part-time een eigen landbouwbedrijfje hebben.

Daarom is het beter een beroep te doen op gegevens die de bevolking indelen naargelang het relatieve bezit van agrarische produktiemiddelen, vooral grond en vee. De fiscale tellingen van 1702 en 1747 geven belangrijke informatie over grondbezit en vee. Ook belastinglijsten, vooral de twintigste penning en dorpsbelastingen op het vee, de opeisingslijsten uit het jaar III (1794) van graan en vee zijn belangrijke bronnen. Maar omdat dit fiscale bronnen zijn is er altijd het gevaar van ontduiking en onderschatting. Dit is echter eigen aan fiscale bronnen, wij mogen niet hyperkritisch zijn, anders wordt elke poging tot het opstellen van een sociale stratificatie in onze dorpen in de kiem gesmoord.

Ook leveringen aan het leger kunnen gebruikt worden om de sociale hiërachie binnen een dorp vast te stellen. Hier bespreek ik zo 'n bron: de strotelling van maart 1792. De Staten van Brabant hielden toen een telling van het stro in de Brabantse dorpen, met het oog op levering daarvan aan het leger. Binnen de dorpen werden lijsten opgesteld met de hoeveelheden tarwe-, haver- en gerststro per inwoner. Deze telling kadert binnen de gespannen relatie tussen het revolutionaire Frankrijk en Oostenrijk. In april 1792 verklaarde Frankrijk de oorlog aan Oostenrijk. Deze strotelling is bewaard gebleven voor de meierijen Kumtich, Halen en Geten.

Hier geef ik de gegevens van deze strotelling voor Roosbeek (deelgemeente van Boutersem). Enkel de totalen worden weergegeven. De groepering in categproieën is ook van mijn hand.

Liste begrypende de opregte quantiteyt van Terwe, Coren, Haver en Gerste Stroey door ons Wethouderen van Roosbeek bevonden onder onse Jurisdictie, volgens Acte van locaele Visitatie door ons genomen den 10den meert 1792

boeren met meer dan 20.000 pond stro
Hendrick Monnoije (29.000), Franciscus Vranckx (20.000), Joannes Vranckx (20.000), Jacobus Dewael (20.000)

boeren met 10.000 - 20.000 pond stro
Weduwe Jan Van Haegendoren (11.700), Francis Van Weddingen, sone Jan (11.000), Francis Geens, molder (11.000), Hendrik Huts (10.500)

boeren met minder dan 10.000 pond stro
Lambertus Festraets (8.000), Hendrik Van Haegendoren (5.500), Francis Festraets (5.000), Lowies Lambrechts (3.600), Guilliam Van Weddingen (2.500), Hendrik Van Weddingen Linde (1.200)

Strobezit is een goede indicator voor veebezit. Er zijn in Roosbeek 14 dorpelingen met in totaal 159.000 pond stro. De strobezitters maken 20% uit van de mannelijke bevolking boven 12 jaar in 1784.

De vier grootste boeren van het dorp zijn Hendrik Monnoije, Franciscus Vranckx, Joannes Vranck en Jacobus Dewael, die in totaal 89.000 pond stro bezitten, d.i. 56% van de totale voorraad. Zijn al deze mensen 'boeren'? Men ziet bv. dat Francis Geens, met 11.000 pond stro, molenaar is. Er is ook een grote afstand tussen de grootste strobezitter Hendrick Monnoije (29.000 pond) en de kleinste strobezitter Hendrik van Weddingen (1.200 pond).  Zijn de kleinere strobezitters niet veeleer landarbeiders of ambachtslieden?

We kunnen deze mensen linken aan de ondertekenaars van de petitie 'Declaratie van de Belgique volkeren' uit 1790. We hebben ze allemaal kunnen terugvinden, op uitzondering van Jan Van Haegendoren die in 1790 nog leefde en in 1792 door zijn  zijn weduwe vertegenwoordigd wordt in de strotelling. Twee stroboeren (Hendrick Monnoije en Joannes Vranckx) zijn schepen in 1790. Van de veertien stroboeren kunnen er twee niet schrijven (Guilliam Van Weddingen en Hendrik Van Weddingen Linde). Dit betekent dat 86% van de stroboeren geletterd zijn. Dit is meer dan 64%, het globale alfabetisatieniveau van de ondertekenaars van de petitie.

Tenslotte, het feit dat al deze stroboeren de petitie van 1790 ondertekenen, betekent dat ze het conservatieve wereldbeeld van de Statisten delen, dat ze niet opgezet zijn met de nieuwlichterijen vand de democraten of de Vonckisten, die geassocieerd werden met de Franse Revolutie. Craeybeckx heeft wellicht gelijk als hij de Brabantse Revolutie als een conservatieve revolutie in een welvarend land bestempelde.

Bronnen

De srotelling uit 1792 voor Roosbeek vindt men in Rijksarchief Anderlecht, Staten van Brabant, Cartons, nr. 283/5 (meierij Kumtich). De petitie uit 1790 voor dezelfde gemeente is te vinden in hetzelfde fonds, nr. 147/19 (in de inventaris van B. Augustyn over de Staten van Brabant ten onrechte als Gaasbeek geïnventariseerd).

F. VANHEMELRYCK (ed.), Revolutie in Brabant 1787-1793, Brussel, 1990.

J. CRAEYBECKX, De Brabantse Omwenteling: een conservatieve opstand in een achterlijk land?, in: Tijdschrift voor Geschiedenis, t. 80; 1967, pp. 303-330.

 

 

20-09-09

Declaratie van de Belgike volkeren (1790)

De Brabantse Revolutie van 1789 had het Oostenrijkse regime ten val gebracht. Maar nu ontstond er een tegensteling tussen de progressieve en conservatieve krachten binnen de Belgische 'patriotten'. De zgn. Vonckisten of democraten wilden een volksvertegenwoordiging kiezen die heel wat democratischer zou zijn dan de oude gesceleroseerde Staten. De zgn. Statisten waren de partij van de gepriviligieerden, die een aantasting van hun prerogatieven vreesden.

De kerk speelde in deze conservatieve stroming een belangrijke rol. Nu vreesde ze de vermeende anti-religieuze intenties van de Vonckisten, die onder invloed stonden van de Franse Revolutie, waar de Nationale Vergadering de bezittingen en privilegies van de Kerk wilde aanpakken. De clerus allieerde zich met de gepriviligieerden en stelde haar enorme morele gezag over de bevolking ten dienste van de conservatieve stroming.

In januari en februari 1790 circuleerde in heel Brabant een petitie met de titel "Déclaration du peuple belgique". De tekst was heel reactionair en duidelijk gericht tegen de Vonckisten, die als verraders van het Vaderland werden bestempeld:

DECLARATIE VAN DE BELGIKE VOLKEREN

Wy ondergeschrevenen inwoonders van       in Brabant, verclaeren by dese dat onse intentie is ende altyt syn sal dat onse Heylige Religie ende Constitutie blyve in hun geheel soo als die van te voren geweest syn ende voor de welke wy ons bloet gestort hebben ende dat onse Heeren die dry Staeten onlangs geswooren hebben te onderhouden, verclaeren verders dat wy geene andere Representanten van de Volkeren en kennen ofte geene andere en begeiren als de dry leden der Staeten volgens onse Constitutie, dat sy voor ende in den naem van de Volkeren moeten bedryven de Souvereyne autorityt die ande Volkeren toe behoort ende dat de Volkeren hun toevetrouwt hebben dat wy diens volgens wel expresselyck protesteren tegens alle het gene men soude bedryven ofte willen bedryven aen onse Religie ende aen onse Constitutie contrarie, verclaeren veraders van het Land ende stoorters der gemeyne ruste alle ende igelyk die soude willen eenige veranderinge ofte nieuwigheden indringen t' sy in de Religie, t' sy in de Constitutie: versoeken de Heeren Staeten te willen vervolgen ofte doen vervolgen deze stoorters de gemeyne ruste.

Gedaen tot        den          1790

De Vonkisten klaagden aan dat de clerus achter dit maneuver zat. Inderdaad, uit sommige formulieren kan men afleiden dat het aartsbisdom achter deze petitie zat. Zo bv. voor Kumtich: "te bestellen in het aertsbisdom tot Malines", de petitie van Sint-Margriet-Houtem vermeldt: "te bestellen in het paleijs van den aertsbisschop tot Brussel".

De handtekeningen werden heel vlug verzameld en de petitie werd overgedragen aan de Staten van Brabant op 17 februari 1790. Volgens de conservatieve Statisten zouden er maar liefst 400.000 handtekeningen verzameld zijn. Andere bronnen spreken van 200.000 handtekeningen.

In het archief van de Staten van Brabant zijn de originele exemplaren van deze petitie voor sommige Brabantse dorpen bewaard gebleven, met handtekeningen. Spijtig genoeg zijn het er zo weinig. Volgens een raming zouden de exemplaren van slechts 17% van de dorpen bewaard zijn gebleven. Het kwartier Antwerpen is heel goed vertegenwoordigd. Er zijn er 15 voor het kwartier Tienen, waarvan 11 voor de meierij Kumtich: Attenrode, Bautersem, Bunsbeek, Butsel, Kumtich, Goetsenhoven, Sint-Margriete-Houtem, Kerkom, Neerheylissem, Neervelp, Opheylissem, Opvelp, Roosbeek, Tielt, Sint-Martens-Vissenaken, Sint-Pieters-Vissenaken. Er zijn weinig formulieren van belangrijke steden. De petitie had blijkbaar het meest succes in rurale regio 's, waar de clerurs nog een sterke greep had op haar onderhorigen.

Het aantal handtekeningen verschilt sterk van plaats tot plaats. In enkele parochies zijn het vooral de notabelen die tekenen: burgemeester, schepenen, pachters, molenaars, herbergiers, etc. Dit is het geval voor Attenrode, Goetsenhoven, Sint-Margriete-Houtem, Neervelp en Sint-Pieters-Vissenaken. 

Welk was de 'penetratiegraad' van deze enquête in de Tiense dorpen? Laten we ons beperken tot de mannelijke ondertekenaars. Als men het aantal mannelijke ondertekenaars in verhouding tot de mannelijke bevolking ouder dan 12 jaar uitzet, dan bekomen wij hetvolgende beeld:

Aantal ondertekenaars <25 %: Goedsenhoven (8%), Sint-Margriete-Houtem (10%), Kumtich (11 %); Kerkom (16%), Sint-Pieters-Vissenaken (20%) Attenrode (23%)

Aantal ondertekenaars tussen 25-50%: Bunsbeek (26%), Neervelp (26%), Sint-Martens-Vissenaken (26%), Bautersem (42%), Butsel (50%)

Aantal ondertekenaars > 50 %: Opheylissem (62%), Tielt (66%), Opvelp (68%), Neerheylissem (73%), Roosbeek (107%)

De dorpen zijn te klein om ons af te vragen of deze verschillen betekenisvol zijn. Ze tonen wel aan dat de lokale geestelijkheid erg succesvol was om hun parochianen deze petitie te laten ondertekenen, gemiddeld 40 % van de mannelijke bevolking ouder dan 12 jaar. Als men de dorpen waar enkel de notabelen ondertekenden (zie hoger) buiten beschouwing laten, dan stijgt dit tot bijna de helft (49%).

Het zou naief zijn om aan de ondertekenaars van deze petitie een al te groot politiek bewustzijn toe te schrijven. De Kerk had op het platteland nog een zeer grote macht over de mensen. Het is niet onwaarschijnlijk dat ongeletterde boeren en landarbeiders onder druk werden gezet om te tekenen.

De petitie laat ook toe de alfabetisatiegraad te onderzoeken, zij die konden schrijven tekenden met hun handtekening.  Zij die dit niet konden, tekenden met een kruisje. Als we de dorpen waar enkel de notabelen obdertekenden buiten beschouwng laten, alsook die dorpen waar er weinig mensen ondertekenden, dan is het percentage geletterden: Bautersem (73%), Roosbeek (63%), Bunsbeek (58%), Butsel (57%), Tielt (54%), Opvelp (47%), Opheylissem (36%), Neerheylissem (35%). Men ziet dat er in dorpen waar meer dan de helft van de mannelijke bevolking de petitie ondertekenden, er een lage geletterdheid is: Opvelp (68% ondertekenaars en 47% alfabetisme), Opheylissem (62% ondertekenaars en 36% alfabetisme) en Neerheylissem (73% ondertekenaars en 35% alfabetisme). Voor Neerheylissem en wellicht ook voor Opheylissem herkent men de zeer sterke invloed van de abdij van Heilissem.

Tot slot, als het u interesseert: als u voorouders in de besproken dorpen hebt, dan is de kans groot dat u uw voorouders tussen deze ondertekenaars van de petitie kunt terugvinden. Alvast een verhaal waarmee u uw familiegeschiedenis kunt verrijken.

Bronnen

De formulieren van deze petitie is terug te vinden in Rijksarchief Anderlecht, Staten van Brabant. Cartons, nr. 149.

SOENEN, M., Un élément d' information sur le taux d' alphabétisation en Brabant à la fin du XVIIIe s.: La Déclaration du Pëuple Belgique de janvier-février 1790, in: Miscellania Lucienne van Meerbeeck, 1991.

TASSIER, S., Les démocrates belges de 1789. Etude sur le Vonckisme et la révolution brabançonne, Brussel, 1931.

 

16-09-09

Kwartier Leuven: administratieve indeling in 1570

Ook als men een dorp of een kleine gebiedsomschrijving in het hertogdom Brabant bestudeert, doet men er goed aan de grotere instellingen en structuren te kennen, waarbinnen dat dorp of de gebiedsomschrijving is ingebed. Belangrijk is een goed begrip van de territioriale omschrijvingen op gerechtelijk, fiscaal en bestuurlijk vlak. Zo weet je waar je bronnen moet zoeken. Zeker voor de middeleeuwen en ook nog voor de 16de eeuw zul je immers weinig bronnen op lokaal niveau aantreffen in het archief van de schepengriffie, en dien je je te behelpen met bronnen van een hiërarchisch hoger niveau.

Op gerechtelijk vlak was het Hageland onderverdeeld in de hoofdmeierijen Leuven en Tienen, waaronder ondergeschikte meierijen ressorteerden. Zo was de hoofdmeierij Tienen onderverdeeld in de ondermeierijen Kumtich, Geten, Halen en Zoutleeuw.

De fiscale en bestuurlijke onderverdeling sloot gedeeltelijk aan bij die gerechtelijke organisatie, maar week er ook van af. Vanaf de late middeleeuwen was het Kwartier het hoogste ressort op bestuurlijk en fiscaal vlak. Zo waren er bv. voor het Vlaamstalig gedeelte van het hertogdom de Kwartieren Antwerpen, Brussel en Leuven, die grosso modo overeenkomen met de latere provincies of arrondissementen. Binnen het Kwartier werd gedeeltelijk aangesloten bij de gerechtelijke ondermeieriijen, maar men maakte van de belangrijke heerlijkheden aparte administratieve entiteiten, de zgn. Landen en smalheren.

Hier geef ik de onderverdeling van het Kwartier Leuven rond 1570, zoals die naar voren komt uit de kohieren van de 100ste penning van de hertog van Alva. Die werden uitgegeven door STABEL en VERMEYLEN. We geven hier enkel de onderverdeling voor het Vlaamstalig gedeelte van het Kwartier Leuven.

Leuven en het Kwartier van Leuven

Leuven

Meierij van Heverlee : Heverlee, Oud-Heverlee en Eigenhoven, Vaalbeek, Bertem, Beisem, Assent, Buken, Blanden 

Meierij van Herent : Herent, Winksele, Veltem, Tildonk, Korbeek-Dijle, Neerijse

Meierij van Lubbeek: Lubbeek, Pellenberg, Korbeek-Lo, Lovenjoel, Dutsel, Sint-Pieters-Rode, Holsbeek, Kortijk-Dutsel, Linden, Loonbeek, Wilsele

Hertogdom van Aarschot: Aarschot, Langdorp, Rillaar, Betekom, Messelbroek, Testelt, Bierbeek, Hamme, Sint-Joris-Weert, Mille

Wezemaal: Wezemaal

Land van Sint-Agatha-Rode: Sint-Agatha-Rode, ottenburg, Nethen, Archennes

Land van Diest; Diest, Kaggevinne

Onder de smalheren van Diest:  Meerhout, Vorst, Hoeleden, Lummen

Land van Zichem: Zichem:  Tielt, Waanrode, Miskom, Bekkevoort, Houwaart, Nieuwrode, Molenbeek-Wersbeek

Tienen

Onder de smalheren van Tienen: Sint-Margriete-Houtem, Stok, Bunsbeek, Vissenaken-Sint-Martens

Meierij van Zoutleeuw: Zoutleeuw

Meierij van Halen: Halen, Sint-Joris-Winge, Kersbeek, Geetbets, Webbekom, Deurne, Kapellen, Zuurbeemde, Glabbeek, Meensel, Attenrode, Wever, Kiezegem, Kortenaken

Meierij van de Gete: Landen, Racour, Hakendover, Laar, Eliksem, Gussenhoven, Walsbets, Wommersom, Overhespen, Neerhespen, Wulversom, Overwinden, Neerwinden, Rumsdorp, Neerlanden, Waasmont, Dormaal, Opheylissem

Onder de smalheren van Geten: Neerheylissem, Waalhoeven, Goetsenhoven, Ezemaal, Wange

Meierij van Kumtich: Kumtich, Oorbeek, Willebringen, Vertrijk, Neervelp, Roosbeek, Vissenaken-Sint-Pieter, Binkom

Onder de smalheren van Kumtich: Boutersem, Butsel, Meldert, L' Ecluse, Kerkom, Opvelp, Oplinter, Neerlinter, Budingen, Molenstede

Bronnen

STABEL, P. en VERMEYLEN, F., Het fiscale vermogen in Brabant, Vlaanderen en in de heerlijkheid Mechelen: de Honderdste Penning van de hertog van Alva (1569-1572), Brussel, 1995, p. 62-70.

 

12-09-09

Het vorstelijk domein van Tienen: rekeningen van de ontvanger

De hertog van Brabant was grootgrondbezitter in de streek van Tienen. Veel grond in die streek was niet in leen uitgegeven en behoorde tot zijn rechtstreeks domein. De domeininkomsten waren het belangrijkste inkomen van de vorst in de middeleeuwen. In de late middeleeuwen werden domaniale inkomsten langzamerhand overvleugeld door belastingen op de onderdanen. In de Nieuwe tijd tenslotte waren belastingen veel belangrijker geworden dan domaniale inkomsten. Maar die domeininkomsten bleven tot het eind van het Ancien Régime bestaan.

De rekeningen van de ontvanger van Tienen zijn vanaf de late 14de eeuw bewaard gebleven. Volgende dorpen behoorden tot het domein Tienen: Glabbeek, Kersbeek, Geetbets, Binkom, Vissenaken, Attenrode, Hakendover, Neerhespen, Neerlanden, Landen, Laar, Meldert, Lubbeek, Ormaal, Halen en Kortenaken.

Het inkomen van de vorst uit het domein van Tienen was van velerlei aard: er waren de cijnzen en erfpachten, verpachtingen van hoeves en gronden, tollen en banrechten op bv. molens, transportkarweien van abdijen en kloosters, etc.

Ik heb een beetje gegrasduind in enkele rekeningen uit de 16de en 17de eeuw, om na te gaan wat je met die bronnen kan doen. Het zijn, zoals te verwachten viel, droge rekeningen. Ze geven ons een goed inzicht in de domaniale rechten en inkomsten van de hertog van Brabant, later de Spaanse Koningen in de streek van Tienen.

Voor genealogen zijn ze nauwelijks interessant, omdat er weinig namen in voorkomen. Voor heemkundigen en lokale historici zijn ze al wat interessanter: voor de vermelde dorpen vind je heel wat gegevens over grondrechten, cijnzen en renten, tollen, etc.  De structuur van de rekeningen verandert blijkbaar nauwelijks doorheen de tijd. Eenmaal je de structuur hebt doorgrond, vind je er gemakkelijk je weg in (aangenomen dat je het duistere schrift leert lezen).

Voor mij persoonlijk zijn er drie dingen interessant: 1) gegevens over herstellingen aan de hertogelijke molens 2) een overvloed van prijsgegevens van  -voornamelijk- landbouwprodukten. 3) een overvloed van (reken)muntgevens en de verhoudingen tussen munten.

Er zijn overvloedige gegevens over de herstellingen aan de hertogelijke molens van Tienen, Halen, Heylissem en Landen. Je krijgt een beter inzicht hoe een molen in elkaar steekt, welke materialen daarbij gebruikt worden, welke ambachtslieden daarvoor nodig zijn, bv. reparagien aende moelen te Haelen: ...stoffe van tymerluden, dachueren van tymmerluden, daghueren van scailedeckers (schaliedekkers), stoffen van plekkers, yserenweerck, Claes Tongen heeft geleyt eenen yseren bant aen den molenboom binnen Halen, dairaen verducht 18 d. groten dats voir mynen genedigen heere derdendeel 7 d. groten...Men vindt dus namen van ambachtslieden in de rekeningen.

Als je geinteresseerd bent in prijsgegevens, kom je in de rekeningen van het domein van Tienen ruimschoots aan je trekken: prijzen van rogge, tarwe, haver, etc., prijzen van kapuinen (gesneden hanen) en "pullen" (kippen).

Zoek je naar muntverhoudingen, om te weten te komen wat oude munten in latere munten waard zijn, dan kom je hier zeker niet van een kale reis thuis. Oude middeleeuse cijnzen bv. bleven eeuwen overanderdlijk uit gedrukt in dezelfde oude munten. Ze werden dan omgereken naar eigentijdse rekenmunt. In de 16de eeuw was dat het pond Brabantse groten: 1 pond Brabantse groten = 20 schellingen Brabantse groten = 240 penningen of denieren Brabantse groten. In de 17de was dat het pond Artois, wat eigenlijk hetzelfde was als het pond van 40 Vlaamse groten (en hetzelfde als de gulden, bestaande uit 20 stuivers, vermits 1 stuiver = 2 Vlaamse groten).

Zo kan je te weten komen wat bv. een oude middeleeuwse cijns van 2 denieren lovensch waard was in ponden, schellingen en penningen Brabantse groten in de 16de eeuw, of hoeveel een middeleeuwse cijns van 20 schellingen payment waard is in ponden Artois in de 17de eeuw. Je kan eventueel vervolgens een cijnsbedrag uitdrukken in liter graan, zodat je weet wat een cijnsbedrag voorstelt in reële termen.

De rekeningen van de ontvanger van Tienen zijn bestudeerd door Eddy van Cauwenberghe, maar dit werk is voor lokale historici niet zo interessant, omdat de studie gaat over het vorstelijk inkomen en niet om lokale toestanden. Maar methodologisch geeft het veel achtergrondinformatie voor een eventuele lokale studie van de domeinrekeningen van Tienen. Er is ook een licentiaatsverhandeling gemaakt over de domeinrekeningen van Tienen in de 16de eeuw, maar die heb ik nog niet ingekeken.

Bronnen:

De domeinrekeningen van Tienen vind je in het Algemeen Rijksarchief Brussel, fonds Rekenkamer, nrs. 4013-4151.

VAN CAUWENBERGHE, E., Het vorstelijk domein en de overheidsfinanciën in de Nederlanden (15de en 16de eeuw), Brussel, 1982.

VAN SETERS, E., Domeinrekeningen van Tienen. Een economisch-conjuncturele analyse 1500-1600, onuitg. lic. verh., KULeuven, 1994-1995.

04-09-09

Brabants landcharter uit 1292

Het Brabants landcharter van Jan I uit 1292 was een belangrijke stap in de richting van een sterkere homogenisernig van het Brabantse strafrecht. Er zijn drie varianten ervan, één voor het schoutschap Antwerpen, een tweede voor de ammanie Brussel, en een derde voor het ressort van Nijvel. Het is mij een raadsel waarom er geen aparte versie voor de meierijen Leuven en Tienen werd uitgevaardigd.

IK geef hier een hertaling van enkele belangrijke artikelen uit het landcharter, voor zover die betrekking hebben op de kleine criminaliteit.

(1) iemand beschuldigen van leugens of meineed, of iemand vervloeken: 5 schellingen lovens.

(2) iemand met de handen slaan of met de voeten stampen, bij de kleren of de haren trekken, zonder bloedverlies: 10 schellingen.
iemand neerslaan: 15 schellingen 
iemand slaan met bloedverlies: 20 schellingen.


(4) iemand met een stok bedreigen: 10 schellingen
iemand met een stik slaan zonder bloedverlies: 20 schellingen
iemand met een stok neerslaan, zonder bloedverlies: 30 schellingen
iemand met een stok slaan, met bloedverlies, zonder verminking: 3 ponden
iemand met een stok slaan, met ernstige verminkingen: 5 ponden
.

(5) iemand met een zwaard bedreigen: 20 schellingen
iemand met een zwaard verwonden, zonder verminking: 5 ponden
iemand met een zwaard verminken, zonder verlies van lid: 7 ponden
iemand een lid afhakken: lid voor lid
iemand doden met een zwaard: lijf voor lijf
.

12:38 Gepost door Hagelandia in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

03-09-09

Rekenmunten in het 14de-eeuwse Brabant

In de late middeleeuwen waren veel verschillende munten in omloop: gouden en zilveren munten, munten met een laag gehalte aan edelmetaal, munten met een hoog gehalte aan edelmetaal, Vlaamse, Brabantse, Luikse, Franse munten, etc. Om al die munten tot één uniforme waardemeter te herleiden, gebruikte men een rekenmunt, een soort fictieve munt gebruikt in boekhoudingen en rekeningen.

Een goed voorbeeld om het concept rekenmunt beter te begrijpen, is de euro. Nu is dit een reële munt, maar voor haar introductie in 2000, was dit een rekenmunt, gebaseerd op de waarde van de verschillende Europese munten, zoals de Belgische frank, de Hollandse gulden, de Duitse mark, de Italiaanse lire, etc. Of omgekeerd, de Belgische frank, die niet meer bestaat, is voor de sommigen van ons nog een imaginaire rekenmunt, waarmee wij waarden in euro omrekenen.

In het 14de eeuwse Brabant werden twee soorten rekenmunten gebruikt:

  • rekenmunten die een vast gewicht aan goud of zilver voorstellen, waarbij men verwijst naar niet meer geslagen munstukken, waarvan gewicht en gehalte algemeen bekend zijn. Men noemt dit reknmunt type A.
  • rekenmunten die gebaseerd zijn op een nog bestaande munt, die van waarde kan veranderen, omdat gehalte en gewicht ervan wijzigingen kunnen ondergaan. Men noemt dit rekenmunt type B.

Algemeen gesproken, werden inkomsten die in nominale termen onveranderlijk bleven -zoals cijnzen-, in rekenmunten met een vast goud- of zilvergehalte uitgedrukt. Daarentegen werden inkomsten die jaarlijks konden veranderen, meestal in rekenmunt met een veranderlijk metalliek basisgewicht uitgedrukt.

Rekenmunten die een vast gewicht aan edelmetaal vertegenwoordigen (rekenmunten type A), zijn o. a.

  • de oude groot = een zware zilvermunt geslagen door de Franse koning Lodewijk IX de Heilige (1226-1270) . Die bevatte 4,22 gr. zilver en was juist gelijk aan 1 schelling tournois of 12 denieren tournois. Hij werd 'oude' groot genoemd om hem te onderscheiden van latere uitgiften van minder gewicht of minder gehalte
  • het oude schild = een gouden muntstuk, geslagen onder koning Filips VI van Frankrijk (1328-1350). Hij had een gewicht van 4,532 gr. fijn goud. Ook hij werd 'oud' schild genoem om hem te onderscheiden van nieuw aangemunte lichtere schilden. Het oude schild was 16 oude groten waard.
  • het pond lovensch, met zijn onderverdelingen schelling lovensch en penning lovensch. 1 penning lovensch = 1/9 oude groot.
  • het pond oud geld. De penning daarvan wordt in de Leuvense stadsrekeningen penning goed geld of oude cijns genoemd, met een waarde van 1/12 oude groot. In cijnsboeken weergegeven met de afkorting 'boon' van 'bonae monetae (goed geld), bv. 2 denieren boon.
  • de oude sterling of ingelsche; aanvankelijk was de sterling een sterke denier, in de 13de eeuw geslagen door de Engelse koning. Later werd de sterling ook in Brabant geslagen. Ook hier het adjectief 'oud' om he te onderscheiden van latere uitgiften met minder allooi. 1 sterling =1/3 oude groot, of 1 oude groot = 3 sterlingen.

Alleen bij rekenmunten die een onveranderlijk gehalte aan edel metaal vertegenwoordigen, zijn er vaste verhoudingen;

  • 1 oude groot = 1/16 oud schild
  • 1 oud schild = 16 oude groot 
  • 1 penning lovensch = 1/9 oude groot
  • 1 penning goed geld (1 denier boon) = 1/12 oude groot
  • 1 oude sterling = 1/3 oude groot

De oude groot en het oude schild waren aanvankelijk klinkende muntstukken. Vanaf het midden van de 14de eeuw werden ze niet meer aangemunt. Maar ze werden verder gebruikt als rekenmunten in boekhoudingen, cijnsboeken en andere documenten, dus als een rekenkundige grootheid waarin men de waarde van goederen, diensten en schulden uitdrukte.

Rekenmunten die gebaseerd waren op een reële, in omloop zijnde munt, die in waarde kon variëren, waren o.a. :

  • rekenmunten gebaseerd op gouden munten: de peter, de frank, de gulden, de nobel, de mottoen
  • rekenmunten gebaseerd op zilveren munten: het pond payment,  het pond Vlaamse groten, en het pond Brabantse groten

Het pond payment 

De basismunt van deze rekenmunt was de zilveren penning payment. Zijn Het pond payment kende de klassieke onderverdeling 1 pond payment = 20 schellingen payment = 240 penningen of denieren peyment, waarbij 1 schelling payment = 12 penningen/denieren peyment. Het payment werd in de boekhoudingen en rekeningen vooral gebruikt voor kleinere bedragen. Het payment was tegelijkertijd ruil- en rekengeld. het was vanaf 1337 het gewone dagelijkse geld van de Brabanders.

In de stadsrekeningen van Leuven werd de waarde van het payment uitgedrukt in termen van de oude groot, maar dan via een medium, een gouden munt: het oude schild, de  mottoen en tenslotte de Peter.

  • bv. op 4 augustus 1349 was 1 oud schild = 4 pond 1 schelling 6 denieren payment
  • bv. in juni 1369: 1 mottoen = 9 ponden 8 schellingen payment
  • bv. in augustus 1393: 1 Peter = 26 ponden 8 schellingen payment.

Het payment kende in de tweede helft van de 14de eeuw een pijlsnelle devaluatie. Dit blijkt uit de Leuvense stadsrekeningen, maar ook uit de rekeningen van de ontvanger van de domeinen van Tienen In 1370 was 1 oude groot = 24 s. 3 d. payment of 291 penningen payment. In 1400 was 1 oude groot = 60 s. payment. of 720 penninsgen payment. Of omgekeerd, zodat de  waardevermindering duidelijker naar voren komt. In 1370 was 1 schelling payment = 1/24 oude groot, en in 1400 nog maar 1/60.

Het pond Vlaamse of Brabantse groten

De groot is, zoals hoger gezegd, een zwaar zilverstuk, geslagen onder de Franse koning Lodewijk IX. Door de grote politieke invloed van de Franse koning, drong de groot in het geldwezen van onze gewesten binnen. De graaf van Vlaanderen en de hertog van Brabant begonnen weldra hun eigen groten te slaan, die aan de basis lagen van de rekenmunt pond Vlaamse groten en het pond Brabantse groten.

  • 1 pond Vlaamse groten = 20 schellingen Vlaamse groten =  240 penningen (of denieren) Vlaamse groten, waarbij 1 schelling Vlaamse groten = 12 penningen/denieren Vlaamse groten
  • 1 pond Brabantse groten = 20 schellingen Brabantse groten =  240 penningen (of denieren) Brabantse groten, waarbij 1 schelling = 12 penningen/denieren Brabantse groten

Weldra begonnen de graaf van Vlaanderen en de hertog van Brabant het zilvergehalte van de groot te verminderen, zodat er 'sterke', 'lichte', 'goede', 'nieuwe' groten in omloop waren. De verhoudingen tussen al die groten zijn te complex om die hier te bespreken. Laten we volstaan met te zeggen dat bv. tussen 1384 en 1390 volgende verhoudingen golden: 1 Vlaamse groot = 3 oude lichte Brabantse groten = 12 schellingen Brabants payment. Pas vanaf de munthervorming van hertog Filips de Goede in 1435 gold een vaste verhouding tussen de Vlaamse groot en de Brabantse groot: 1 Vlaamse groot = 1,5 Brabantse groten.

 

Bronnen:

De beste inleiding tot het moeilijke probleem van rekenmunten in de middeleeuwen vind je in: H. VAN DER WEE en J. MATTERNE, De muntpolitiek in Brabant tijdens de late middeleeuwen en bij de overgang naar de nieuwe tijd, in: VAN DEN EERENBEEMT, H.F.J.M., Bankieren in Brabant, Tilburg, 1987, p. 27-58.

Voor de muntgeschiedenis van het Hageland zijn de werken van VAN UYTVEN en PEETERS van groot belang:

VAN UYTVEN, R., Stadsfinanciën en stadsekonomie te Leuven van de XIIe tot het einde der XVIe eeuw, Brussel, 1961, p. 56-73.

J.P. PEETERS, De financiën van de kleine en secundaire steden in Brabant vand e 12de tot het midden der 16de eeuw, Brussel, 1980, deel 3, p. 530-597.

CAMERLINCKX, F., en HOLEMANS, F., Het cijnsboek van de heren van Aarschot 1368-1375, 1993.

VAN CAUWENBERGHE, E., Het vorstelijk domein en de overheidsfinanciën in de Nederlanden (15de en 16de eeuw), Brussel, 1982.

21:06 Gepost door Hagelandia in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: geld, tienen, hageland, munten, brabant, muntgeschiedenis |  Facebook |

01-09-09

Het geld in de rekeningen van de meier van Kumtich

Wanneer men een rekening van een instelling uit het Ancien Régime bestudeert, dan wordt men overmijdelijk met het probleem van de gebruikte munteenheden geconfronteerd. Men dient een inzicht te krijgen in die problematiek, wil men geen verkeerde conclusies trekken uit de vermelde geldbedragen. Laten we eens kijken hoe geldsommen in de rekeningen van de meier van Kumtich worden uitgedrukt, en welke de gebruikte munten zijn.

In de aanhef van de rekening, beschrijft de meier welke munten gebruikt worden: ...welcke reckening gemaict is in diverse munten, die alle gevalueert zijn in ponden schellingen ende penningen groten brabants gelts, te weten den zilveren penninck geheeten stuver voir iii d(enieren) gro(ten) ende alle anderen munten naer die gelande gereekent...

Men moet dit als volgt voorstellen: de veroordeelde betaalde zijn boete met munten, die in het reële leven circuleerden. In dit geval met zilveren stuivers, die sinds de 15de eeuw in omloop waren. Zoals hoger vermeld, was de stuiver 3 penningen -of denieren- groten waard. De groot was in de 15de en 16de eeuw de basis van het rekenmuntsysteem in Brabant. Met rekenmunt bedoelt men een systeem van geldverhoudingen, al dan niet gebaseerd op een reële munt, waarmee verschillende munten tot één uniforme waardemeter konden herleid worden. In dit geval het rekensysteem van ponden, schellingen en denieren Brabantse groten, steeds volgens de eeuwenoude verhouding 1 pond Brabantse groten = 20 schellingen Brabantse groten, en 1 schelling Brabantse groten = 12 denieren Brabantse groten.

Als de meier bv. een boete van 6 stuivers oplegde, dan werd dit volgens de equivalentie 1 stuiver = 3 denieren Brabantse groten, in de rekening genoteerd als 1 schelling 6 denieren Brabantse groten (of 18 denieren, waarbij 1 schelling = 12 denieren).

Vanaf de jaren 1530 werd de Carolusgulden, die 20 stuivers waard was als munteenheid vermeld:...welcken rekening gemaickt is in diverse munten, te weten den gouden carolusgulden tot xx stuvers, den philippusgulden tot xxv stuvers, den stuver voer iii groten brabants...De Karolusgulden was een nieuwe gouden munt, die door Keizer Karel V in 1526 geslagen was. Hij lag aan de basis van een nieuw rekenmuntsysteem, dat van gulden-stuivers, dat vanaf de late 16de eeuw, het oude rekenmuntsysteem van ponden-schellingen-denieren zou vervangen. Maar nu nog werden bedragen in gulden en stuivers omgerekend naar schellingen en denieren Brabantse groten. Soms werd een boete ook betaald met Rijnsguldens.

De boetes werden volgens een uniform tarief geheven, bv. 20, 25 of 30 schellingen. Die zijn blijkbaar gebaseerd op het landcharter of rurale keure voor het Kwartier Leuven uit de 13de eeuw. In 1291 had hertog Jan I een keure uitgegeven, waarin het strafrecht voor het platteland was gecodificeerd, voor de ammanie Brussel, het schoutschap Antwerpen en het ressort van Nijvel. Ik heb dit landcharter voor het Kwartier Leuven tot nu toe niet teruggevonden. In de rekeningen van de meier van Kumtich wordt voor Bunsbeek, Kumtich, Kerkom en Meldert vermeld dat recht werd gesproken volgens het landcharter. Zo bv. zegt men voor Bunsbeek: ...alle keuren en broeken useert men te nemene nae den lantzarten, den ouden groten des coninx Lodewychs munten voer IX d.

Het landcharter stamt uit de 13de eeuw, en de boetes worden daarin uitgedrukt in ponden, schellingen en denieren lovensch. Die geldbedragen bleven nominaal dezelfde, terwijl de reële munten in zilverwaarde verminderen en dus minder waard werden. De denier lovensch werd een gestolde waarde, die geklonken werd aan de oude groot van de Franse koning Lodewijk IX. De Franse groot was een zwaardere zilvermunt dan de in omloop zijnde denieren. De groot lag aan de basis van de rekenmunt ponden tournois, die door het groot prestige van de Franse koning ook in onze gewesten gebruikt werd. Het pond tournois werd later ook het pond oude groten genoemd. Daarmee werd verwezen naar oud geld, goed geld met een hoge zilverwaarde, temidden van de muntdevaluaties van de 14de en 15de eeuw. De denier lovensch was onveranderlijk 1/9 oude groot.

Zo moet dit begrepen worden: den ouden groten des coninx Lodewychs munten voer IX d. : er gaan 9 denieren lovensch in de oud groot, of omgekeerd: 1 denier lovensch = 1/9 oude groot. De vermelding van de oude groot dient om te zeggen dat de denier lovensch, waarin de boetes worden uitgedrukt, een gestolde munt is, een rekenmunt type A in de terminologie van Hans Van Werveke, met een vast zilvergehalte. De veroordeelde betaalde zijn boete niet met denieren lovensch (die niet meer in omloop waren), maar met zilveren stuivers, die vervolgens boekhoudkundig werden omgerekend naar de rekenmunt in denieren Brabantse groten. Dit om aan te tonen hoe ingewikkeld de muntgeschiedenis van de late middeleeuwen en de vroege Nieuwe Tijd is.

Bronnen

Algemeen Rijksarchief Brussel, Rekenkamer, nr. 12621, Rekeningen van de meier van Kumtich.

Grondbezit in de late middeleeuwen: algemene principes

De geest van de moderne mens is analytisch: wij delen graag alles in duidelijke categorieën en hokjes in. Die houding hebben wij ook als wij in het verleden het bezit van onze voorouders of het grondbezit in een dorp willen bestuderen. We zijn gewend aan de zeer concrete gegevens -tot op de are nauwkeurig-, die ons sinds het 19de-eeuwse kadaster ten dienste staan, en die ons weinig problemen opleveren. Wij gaan ook uit van het concept van absolute eigendom: het eigendomsrecht behoort toe aan één persoon, en aan niemand anders. Zo zit ons privaatrecht sinds het Burgerlijk Wetboek uit 1804 in elkaar.

Wij worden dan ook in verwarring gebracht, wannneer wij het grondbezit in het Ancien Régime willen bestuderen, met die wirwar van bezitsvormen. Leengoederen, feodale verhoudingen, domaniale rechten, cijnsgronden, heerlijke rechten, het is allemaal nogal verwarrend. Want wie is nu de 'echte' eigenaar van een stuk grond?

In 2008 verscheen een boek dat een verhelderend beeld schetst van de bezitsverhoudingen op het platteland in de omgeving van de handelsmetropool Antwerpen: Michael Limberger, Sixteenth-century Antwerp and its Rural Surroundings. Dit model kan op andere regio 's toegepast worden, met name op het Hageland.

Enige opmerkingen over de terminologie die ik hier gebruik: Het Nederlands bezit geen woord voor het Franse 'tenure', d.i. een stuk grond of een goed dat van een ander persoon wordt 'gehouden'. Een tenure kan een leengoed of een cijnsgoed zijn. Vermits dit woord goed uitdrukt dat het om een goed gaat waarop eigendom en gebruiksrecht aan verschillende personen behoren, nemen we het over. Ook worden de begrippen 'eigendom' en 'bezit' door elkaar gebruikt, omdat die in het Ancien Régime eigenlijk zinledig zijn. 

Net zoals in de rest van Europa, bezaten de vorst, de adel en de Kerk een groot deel van de grond. In de praktijk waren zij echter niet de feitelijke gebruikers van de grond. Zij gaven een groot deel daarvan uit in leen of in tenure, in ruil waarvoor zij een jaarlijkse betaling ontvingen van de houders daarvan. De tenurehouders hadden een aantal bezitsrechten, en konden beschikken over de grond die ze van een heer hielden: ze konden het verkopen, aan hun erfgenamen nalaten, hypotheceren of verhuren.

Het eigendomsconcept in de laat-middeleeuwse periode was niet zo strikt gedefinieerd als vandaag. Verschillende personen konden bezitsrechten uitoefenen op eenzelfde goed, in verschillende vormen, wat de situatie heel complex maakt. Bovendien was grondbezit ook ingebed in domaniale en feodale verhoudigingen. De 'heerlijkheid' in welke vorm ook, was het cement van de laat-middeleeuwse bezitsverhoudingen. De plaats die de verschillende partijen in dat domaniaal-feodaal of heerlijk netwerk innamen, bepaalde ook de status van de bezitter.

Grosso modo kunnen we op vlak van bezitsverhoudingen van twee groepen spreken. De eerste groep waren zij die aan de top van de hiërachie van grondbezitters stonden: de vorst, de adel, het stedelijk patriciaat, en de kerkelijke instellingen. De tweede groep waren zij die grond van de eerste groep in tenure hielden.

Zoals reeds gezegd, is ons hedendaags concept van eigendom niet van toepassing op de laat-middeleeuwse bezitsrelaties. In de middeleeuwen konden verschillende personen rechen hebben op één goed. Het middeleeuwse recht onderscheidde:

  • allodiaal of vrij bezit
  • leenbezit
  • cijnzen en erfpachten

Elk van die bezitsvormen hield voor de houder ervan een verschillende afhankelijkheid in ten opzichte van de vorst, de 'eigenaar' of heer. Naargelang van de status van zijn bezit, moest de houder successierechten en/of een jaarlijkse rente betalen, of gewoon de vererving en transacties van het goed laten registreren. Al deze bezitstypes kunnen niettemin als 'eigendom' in de moderne vorm beschouwd worden, zij het dan niet in de vorm van een absoluut eigendomsrecht. Allodiaal, leen- en cijnsgoed waren relatieve termen. Ze stonden in een hiërarchische relatie tot elkaar. Een leenman kon een stuk grond van de vorst in leen houden, en vervolgens dit in cijns uitgeven. Naargelang het perspectief is hetzelfde stuk grond nu eens leengoed, dan weer cijnsgoed.

Een allodium was de hoogste vorm van eigendom. Het was niet onderworpen aan enige vorm van betaling of successierechten. Het was ook niet gebonden aan enige registratie in een leen- of cijnshof. De beziter van een allodiaal goed was de vrije en soevereine eigenaar van zijn goed in de moderne betekenis. Zulke allodiale gronden kwamen nog maar weinig voor in de late middeleeuwen, omdat de bezitters daarvan ofwel hun gronden in leen hadden opgedragen aan de vorst of een andere heer, ofwel door hen daartoe gedwongen waren.

De houder van een leengoed was afhankelijk van de leenheer, ofwel de vorst, of één van zijn vazallen. Hij was niet gehouden tot een jaarlijkse betaling en hij kon zijn leengoed verkopen of hypotheceren, maar hij moest elke transactie laten registreren in het leenhof van zijn leenheer. Een nieuwe bezitter van een leengoed moest wel successie- of verheffingsrechen betalen aan het leenhof, waarvan hij zijn goed in leen hield. Aanvankelijk moest een leenman militaire diensten leveren als de leenheer daar om vroeg, maar die waren in de late middeleeuwen in onbruik geraakt, omdat de vorst nu vooral op huursoldaten een beroep deed.

De overgrote meerderheid van tenures aan de onderkant van de bezitspyramide waren cijnsgoederen. Deze tenures waren onderworpen aan jaarlijkse betalingen in geld of in natura. Bezitters van cijnsgoederen werden als quasi-eigenaars beschouwd in de 15de eeuw. Cijnshouders konden hun goederen nalaten aan hun erfgenamen, ze verkopen of hypotheceren. In theorie was de grond eigendom van feodale heren, maar in de praktijk hadden de cijnshouders het reële bezit. De waarde van in geld uitgedrukte cijnzen was immers ten gevolge van inflatie en muntontwaardingen dramatisch gedaald, zodat ze na verloop van tijd niet meer dan een symbolische betekenis hadden gekregen.

Hoewel deze verschillende bezitsvormen juridisch van elkaar verschilden, bezat de houder ervan het praktisch eigendomsrecht, of hij nu een allodaal, leengoed of cijnsgoed bezat. Dus, als we alleen de top van de hiërarchie zouden bekijken als de eigenlijke eigenaars, dan zouden we een onrealistisch beeld hebben, als zou een groot deel van de grond in handen zijn van de hertog, adel en clerus. Langs de andere kant, als we alleen de onderste kant van de pyramide zouden bekijken, de cijnshouders en pachters, die de gronden bewerkten, dan zouden we evenzeer een vals beeld hebben van de bezitsverhoudingen op het platteland. Daarom moeten we  kijken naar de verschillende niveau 's van grondbezit, en naar de relaties daartussen.

(moet nog aangevuld worden met heerlijke rechten en bronnen voor de diverse types van grondbezit)

Bronnen:

LIMBERGER, M., Sixteenth-century Antwerp and its Rural Surroundings, Turnhout, 2008.

Hoewel ik er hier geen gebruik van gemaakt heb, geeft rechtshistoricus Godding ook een heel goede beschrijving van de verschillende types bezitsverhoudingen in het Ancien Régime:

GODDING, Ph., Le droit foncier à Bruxelles au moyen âge, Brussel, 1960.

GODDING, Ph., Le droit privé dans les Pays-Bas méridionaux du 12e au18e siècle, Brussel, 1987.

Heerlijkheden in het Hageland: verpanding in de 16de eeuw

In vorige bijdrage heb ik gesproken over de verpanding van dorpen en heerlijkheden in de 16de eeuw, waardoor die aan de rechtsmacht van de meier van Kumtich werden onttrokken. Concreet betekent dit voor de onderzoeker van de criminele justitie, dat we geen gegevens meer terugvinden voor de betreffende dorpen in de rekeningen van de meier. Misdrijven die op het territorium van een verpande heerlijkheid plaatsvonden, werden gevonnist door de officieren van de heer. Als je geluk hebt, kan je daarover gegevens terugvinden in het heerlijkheidsarchief of het familiearchief van de heer, maar dit is enkel het geval als het om een belangrijke heerlijke familie gaat.

Meer algemeen, voor de studie van de criminaliteit op het platteland in het hertogdom Brabant hebben we relatief veel gegevens tot ongeveer 1560, toen dorpen massaal als heerlijkheden met hoge rechtsmacht werden verpand onder koning Filips II. Van dan af, voor de late 16de, 17de en 18de eeuw, is het heel moeilijk om gegevens te vinden over criminele justieie op het platteland, tenzij voor heerlijkheden in handen van grote adellijke families, zoals bv. de Croy 's en Arenbergs in het hertogdom Aarschot.

Laten we eens enkele verpandingen in de meierij Kumtich nader bekijken. In 1505, onder Filips de Schone, werden vier dorpen, met alle rechten die de kroon daar bezat, verpand. Roosbeek en Vertrijk kwamen in handen van M. de Croy, graaf van Porcien. Jan Uuterliemingen verwierf voor 200 Filipsgulden Willebringen, en Jan de Hertoge verwierf de rechten in Sint-Pieters-Vissenaken. De verpanding van deze vier dorpen was inclusief de hoge rechtsmacht, naast de middelbare en lagere rechtsmacht en de cijnzen die de vorst daar bezat. De betreffende dorpen kwamen in 1550 terug aan het domein.

In het begin van de regering van koning Filips II, tijdens de jaren 1556-1560, werden talloze dorpen uit de meierij Kumtich, inclusief hoge rechtsmacht, verpand. Men moet voor ogen houden dat de kroon niet voor haar plezier of voor die van de adel grote delen van haar domein vervreemdde. Ze deed dit uit financiële noodzaak. In ruil voor het afstaan van haar rechten op plattelandsdorpen, ontving de kroon financiële middelen, waarmee ze de exponentiëel stijgende uitgaven voor het staatsapparaat mede kon financieren. Verpanding van dorpen in de vorm van heerlijkheden was dus een vorm van krediet. Langs de andere kant kregen de pandheren de inkomsten uit die dorpen, maar bovenal het sociaal prestige van een heerlijke titel. Zich 'heer van..' kunnen noemen was een sociaal zeer begerenswaardig goed. Het zou interessant zijn om na te gaan uit welke sociale groepen deze pandhouders behoorden: tot de reeds gevestigde adel, tot de opkomende ambtsadel, of tot de burgerij, die via de verwerving van heerlijkheden tot de adelsstand wilde toetreden?

Volgende dorpen uit de meierij Kumtich werden in de jaren 1556-1560 verpand:

  • Neerbutsel (1556) voor 80 ponden Artois aan Jan de Wittem, baron van Boutersem
  • Binkom (1558) (n.s.) voor 721 ponden Artois aan François de Baillet, heer van Neerlinter
  • Sint-Pieters-Vissenaken (1559) voor 236 ponden Artois aan Jan de Houtem
  • Roosbeek (1559), voor 817 ponden (van 40 Vlaamse groten) aan François de Baillet, heer van Neerlinter (ongedaan gemaakt in 1569)
  • Vertrijk (1559) voor 1122 ponden Artois aan Jean de Houtem, heer van Kwabeek (Vertrijk)
  • Willebringen (1559) voor 792 ponden Artois aan Jean de Limminghe
  • Meldert (1559) voor 1960 ponden Artois (van 40 Vlaamse groten) aan M. d' Oyenbrugge
  • Neervelp (1560) voor 150 ponden Artois aan Thomas van Rollema

Dit waren 'nieuwe' heerljikheden: dorpen die tot dan toe tot het vorstelijk domein behoorden, en nu voor het eerst onder de rechtsmacht van een particuliere heer kwamen te staan, die ook de hoge rechtsmacht had. Maar ook de oude middeleeuwse heerlijkheden zoals Neerlinter en Budingen, die tot dan toe slechts de middelbare justitie bezaten -waarbij het recht van lijf en lid aan de vorst behoorde-, verwierven in die jaren de hoge rechtsmacht. Philippe de Baillet, heer van Neerlinter, kocht die in 1557 voor 500 gulden, en Jean d' Oyenbrugge de Duras, heer van Budingen, verwierf in 1559 voor 450 Ponden Artois de hoge rechtsmacht over Budingen.

Het zou ons te ver voeren om in deze bijdrage de verdere geschiedenis van deze heerlijkheden te beschrijven. Laten we volstaan met te zeggen, dat deze verpandingen in de 16de eeuw als tijdelijk bedoeld waren. De kroon kon altijd -indien zij dat kon of wenste-, deze dorpen opnieuw inkopen, door de pandsom terug te betalen. In de 17de eeuw werden de rechten op veel van deze dorpen definitief aan particuliere heren verkocht.

Wie meer over het verder verloop van deze heerljkheden wil weten, kan altijd terecht in het werk van Wauters (zie hieronder), of in het archief van het Leenhof van Brabant, bewaard in het Rijksarchief Anderlecht.

Bronnen: A. WAUTERS, Géographie et histoire des communes belges. Brussel, 1874 (anastatische herdruk van 1963).