08-08-14

De vrieswinter van 1709

Op 5 januari 1709 viel een grote regen uit het noordoosten, die de hele dag aanhield tot tien uur 's avonds. Toen stak tussen de regen zo 'n felle vorst op, dat 's anderendaags alle weiden en velden niets anders dan ijs waren. Dit duurde zonder dooien drie weken. Toen veranderde de maan, die ons zachter weer bracht, maar na zes dagen dooien hernam de vorst zo fel als voordien en duurde die opnieuw vier weken. Met de maanverandering kwam weer een dooi van zes à zeven dagen. Daarop draaide de wind opnieuw naar het noordoosten en hernam de vorst nog feller dan voordien; dit duurde tot 20 maart.

De kou was zo hevig dat men in geen geschied- of memorieboeken iets gelijkaardigs beschreven vindt. Want de zeeoever, zowel hier te lande als in Holland, was meer dan twee uur gaans in zee bevroren, zodanig dat men er met groot gewicht overheen kon gaan. Talloze mensen en schepen bevroren op zee en vergingen doordat ze nergens aan land konden gaan.

Er heerste hier te lande een zodanig grote schaarste, dat men nooit van iets dergelijks gehoord heeft. Want alles was hier door de legers opgeëist en het summum van miserie kwam er met de belegering van Gent, waarbij de Fransen het hele land tot voor de poorten van Brussel geplunderd hadden om een magazijn in Gent voor hun onderhoud te maken. Bovendien was het groot hooimagazijn van Brussel in vlammen opgegaan, zodat er niets meer overbleef. De soldaten kwamen alles met geweld halen, omdat zij geen fourage konden aanvoeren doordat alle rivieren bevroren waren.

Zo geschiedde het dat duizenden runderen van honger stierven en nog het meest de schapen, die bedorven waren en stierven van rottigheid en gebrek. De kou was zo uitzonderlijk hevig, altijd was er natte vorst, doordat het altijd opnieuw regende vooraleer het water van het land kon wegvloeien, zodat alle gewassen in het ijs stonden.

Zo geschiedde het dat men bij het uitkomen alle gewassen bevroren vond. Er was noch tarwe, noch rogge, noch gerst, noch koolzaad, noch raapzaad, noch rapen op het veld, noch spruiten op de hoven, noch groenvruchten als kolen, savooien, selder, sla op aarde te vinden. Alles was bevroren en zodanig weggeteerd alsof er nooit iets gezaaid of geplant was [...]

(hertaald uit 'Zomers en winters', in: Eigen Schoon en de Brabander, 1929-1930, p. 139-140, op basis van een kroniek van het klooster van Vorst)

12:48 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.