19-08-14

Het jagen van de bef of het beerjagen in Eppegem

Jaren geleden vond ik in een gerechtelijk vooronderzoek over wanordelijkheden die zich hadden voorgedaan te Eppegem in 1722 de uitdrukking het jaegen van de beuffe.(1) Ik wist niet wat dit betekende. Pas veel later vond ik in de literatuur dat het hier gaat om het jagen van de bef, het befjagen, soms ook het beerjagen genoemd. Die praktijken duiden op een charivari, een volksgericht, waarbij leden van de gemeenschap die de sociale normen overtraden, ritueel gestraft of vernederd werden.

Laten we eerst de feiten weergeven. Op 2 september 1722 opende hoofddrossaard De Greve een gerechtelijk onderzoek naar feiten die zich te Eppegem op 25-26 juli hadden afgespeeld. De 22-jarige Francis van Campenhaut verklaarde dat hij samen met een tiental jongemannen naar de herberg van Peeter de Meester was gegaan. Daar zag hij dat zijn kameraden zich overgaven aan 'groote insolentien met cletsen ende horens, dwelck men noemt het jaegen van de beuffe'. Dit gebeurde drie dagen na elkaar.

's Avonds op de derde dag 's hoorde hij een schot afgaan, waarbij Jan Van Lievendael gewond raakte. Herbergier Peeter de Meester en een kompaan kwamen uit de messing met de woorden 'Wie heeft daar geschoten?' De Meester 's schoonzuster vroeg: 'Wie staat daar met die hoorn?' Iemand zei dat het Melchen was, alias Jan Van Lievendaal, die gewond was geraakt. Nog iemand zei: 'We moeten met stenen gooien als zij ons beschieten'. Waarna opnieuw de schoonzuster zei dat er nog 'eenen scheut' gereed stond.

De 17-jarige Jan Baudewijns vertelt een gelijkaardig verhaal. Hij bekent op de 26ste juli met een tiental jongens aan de herberg van De Meester te zijn geweest en daar grote baldadigheden te hebben bedreven met zwepen en hoorns, wat men het jagen van de bef noemt. Hij hoorde enige schoten afgaan, uit de deur en uit het venster van De Meesters herberg. Volgens deze getuige werd daarbij niemand geraakt. Hij zag nog De Meester met zijn 'fisiecq' uit het huis komen en de jongens achternalopen.

Zoals dikwijls, kunnen we niet meer achterhalen wat hier werkelijk gebeurd is. Wie heeft geschoten op wie en waarom? Belangrijker is echter dat we hier voor het eerst empirische evidentie vinden uit de 18de eeuw voor het jagen van de bef in het hertogdom Brabant. Deze praktijk wordt wel in de historische en volkskundige literatuur vermeld, maar de archiefbronnen waarop deze literatuur steunt, zijn op één hand te tellen. Net daarom is deze toevallige archiefvondst zo belangrijk.

Anneleen Perneel vermeldt in haar onderzoek naar de jongerencultuur te Lier in de 18de eeuw (2) het 'beerjagen' waarbij men als straf iemand door vuil of een modderpoel sleurde of met een koord rond het lichaam door een rivier trok. Terecht schrijft ze dat het beerjagen met zekerheid voorkwam op het platteland in Noord-Brabant, zoals uit de publicaties van Rooijakkers blijkt (3), maar dat het niet ondenkbaar is dat soortgelijke rituelen gekend waren in Lier en omstreken. Bij mijn weten is er slechts één geval van het bef- of beerjagen uit het 18de-eeuwse Brabant, dat omstandig uit de doeken wordt gedaan, met name een zaak uit 1765 in de Meierij. (4) De talrijke publicaties van Jacobs hebben eerder een theoretisch dan een empirisch belang. (5) Belangrijk is ook het werk van Braeckman (6), volgens dewelke het jagen van de bef een typisch Brabantse benaming is voor voor een charivari of volksgericht, terwijl dit in het graafschap Vlaanderen eerder 'scherminkelen' werd genoemd. Braeckman geeft zes case studies van charivari uit de 17de-18de eeuw in Vlaanderen.

Onze Eppegemse case study vermeldt drie belangrijke zaken: 1) het cletsen, waarschijnlijk is dit het klappen met een zweep, zoals het geval aangehaald door Braeckman uit 1760 te Schorisse, waarin gesproken wordt van slaen van claitsoren, dit zijn lange zwepen, vooral die van koetsiers en koewachters 2) de hoorn 3) het schieten met geweren. Behoort dit structureel tot de charivari of is dit een exces ervan?

(1) RAL, SGL, 1232, f° 76-80.
(2) A. PERNEEL, 'In compagnie. Een onderzoek naar jongerenculturen te Lier in de achttiende eeuw', in: De Achttiende Eeuw, 2010, p. 260-282.
(3) G. ROOIJAKKERS, Rituele repertoires. Volkscultuur in oostelijk Noord-Brabant 1559-1853, Nijmegen, 1994; ID., Eer en schande. Volksgebruiken van het oude Brabant, Nijmegen, 1995.
(4) T. ROMME, 'Charivari-rituelen in de Meijerij. De zaak Jan van Ess te Oss', in: Volkskundig Bulletin, 1989, 343-344.
(5) M. JACOBS, 'Charivari in Vlaamse dorpen (18de-20ste eeuw). Macht, cultuur en symbolisch geweld', in: Machtsstructuren in de plattelandsgemeenschappen in België en aangrenzende gebieden (12de-19de eeuw), p. 589-614.
(6) W.L. BRAECKMAN, Spel en kwel in vroeger tijd. Verkenningen van charivari, spot en spel in Vlaanderen, Gent, 1992.

15:29 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

08-08-14

De vrieswinter van 1709

Op 5 januari 1709 viel een grote regen uit het noordoosten, die de hele dag aanhield tot tien uur 's avonds. Toen stak tussen de regen zo 'n felle vorst op, dat 's anderendaags alle weiden en velden niets anders dan ijs waren. Dit duurde zonder dooien drie weken. Toen veranderde de maan, die ons zachter weer bracht, maar na zes dagen dooien hernam de vorst zo fel als voordien en duurde die opnieuw vier weken. Met de maanverandering kwam weer een dooi van zes à zeven dagen. Daarop draaide de wind opnieuw naar het noordoosten en hernam de vorst nog feller dan voordien; dit duurde tot 20 maart.

De kou was zo hevig dat men in geen geschied- of memorieboeken iets gelijkaardigs beschreven vindt. Want de zeeoever, zowel hier te lande als in Holland, was meer dan twee uur gaans in zee bevroren, zodanig dat men er met groot gewicht overheen kon gaan. Talloze mensen en schepen bevroren op zee en vergingen doordat ze nergens aan land konden gaan.

Er heerste hier te lande een zodanig grote schaarste, dat men nooit van iets dergelijks gehoord heeft. Want alles was hier door de legers opgeëist en het summum van miserie kwam er met de belegering van Gent, waarbij de Fransen het hele land tot voor de poorten van Brussel geplunderd hadden om een magazijn in Gent voor hun onderhoud te maken. Bovendien was het groot hooimagazijn van Brussel in vlammen opgegaan, zodat er niets meer overbleef. De soldaten kwamen alles met geweld halen, omdat zij geen fourage konden aanvoeren doordat alle rivieren bevroren waren.

Zo geschiedde het dat duizenden runderen van honger stierven en nog het meest de schapen, die bedorven waren en stierven van rottigheid en gebrek. De kou was zo uitzonderlijk hevig, altijd was er natte vorst, doordat het altijd opnieuw regende vooraleer het water van het land kon wegvloeien, zodat alle gewassen in het ijs stonden.

Zo geschiedde het dat men bij het uitkomen alle gewassen bevroren vond. Er was noch tarwe, noch rogge, noch gerst, noch koolzaad, noch raapzaad, noch rapen op het veld, noch spruiten op de hoven, noch groenvruchten als kolen, savooien, selder, sla op aarde te vinden. Alles was bevroren en zodanig weggeteerd alsof er nooit iets gezaaid of geplant was [...]

(hertaald uit 'Zomers en winters', in: Eigen Schoon en de Brabander, 1929-1930, p. 139-140, op basis van een kroniek van het klooster van Vorst)

12:48 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |