30-11-14

'Labayen' en jeugdcultuur in de 18de eeuw: fragmenten uit een vertoog

"labaye: Wulpse en schaamteloze landelijke bijeenkomsten, van jongens en meisjes in herbergen of andere plaatsen, om te dansen, te drinken, te lachen, te babbelen." (5)

"Jongemannen en -dochters, die op zondagen, heiligendagen, en op andere dagen (die zij vrolijke dagen noemen), voortdurend ook tijdens de goddelijke diensten, te vinden zijn in de herbergen, om er te drinken, te dansen en er tot laat in het donker te blijven. Daar geven ze zich over aan dusdanige praat met elkaar, meer nog, met gehuwde personen die zich intussen in het gezelschap van de jongeren begeven hebben, daar worden dusdanige onwelvoeglijke liedjes gezongen, dusdanige aanrakingen gezocht en toegelaten, zoveel dartelheden en vuiligheden tot kwetsing van het zielenheil gedaan, dat alle godvrezende mensen schroom voelen, alleen al bij het aanhoren van het verhaal." [Zo omschrijft de aartsbisschop van Mechelen in 1697 de 'labbayen', de gemengde bijeenkomsten van jongens en meisjes] (1)

"Uitgelatenheden, lichtzinnigheden en ijdelheden, zoals bewegingen van de handen, van de voeten, van de benen en van het hoofd in de rei- en wapendansen, liederen vooral doorweekt met bier of wijn, schertsende samentrekkingen van handen en armen, en kussen die onder het drinken, het dansen of het zingen gegeven en ontvangen worden."(zo omschrijft J. Pauwels, minderbroeder en moraaltheoloog, in 1749, wat 'wulps' gedrag van de jeugd voor hem betekent] (2)

"Beuzelarijen en prullen! Het is effenaf belachelijk! De bisschoppen zouden de plattelandsbevolking veel beter vrij laten in zaken die zo bijkomstig zijn, en zich niet bemoeien met hun aangelegenheden en bijeenkomsten. Alsof de kerkelijke discipline in het gedrang zou komen door zulke onschuldige samenkomsten van simpele boeren. Dat verstandige bisschoppen liever ijveren voor een zedelijke hervorming van volk en clerus, wier ernstiger misbruiken ongestraft overwaaien naar de steden. Hebben vermoeide landarbeiders na een volle week zwoegen soms niet het recht om zich in gezelschap en op een eerlijke manier te ontspannen en te vermaken? Kan een bisschop zoiets verbieden? De zaak is in wezen indifferent. Niets kwaads wordt er bedreven. Van wellust, platvloersheid of vuile praat is geen sprake. Er wordt wat gedronken, gedanst en gezongen en verder niets. Wat zijn de bisschoppelijke decreten die zo 'n onbenullige zaak zo streng en ongenuanceerd verbieden dus anders dan waterbellen en beuzelarijen." [De hogergenoemde moraaltheoloog Pauwels vat hier de opvattingen van andere theologen samen, volgens dewelke de labbayen onschuldig vermaak zijn] (3)

"[H]et is een oude gewoonte, dat jongens de meisjes naar de herberg leiden, om daar een glas te drinken en op een liedje te dansen" [Hier verleent sermoenschrijver P. Massemin in 1765 een stem aan de jongeren, om hen daarna beter te kunnen weerleggen] (4)

"Wel wat zal dit hier zijn? Wilt gij ons dan allemaal kluizenaars of kwezels maken? Wilt gij alle vermaak uit de wereld bannen en dat men als druipneuzen langs de straten gaat?" [zelfde retorische strategie van Massemin] (4)

"Waarin is het kwaad gelegen dat wij soms, om ons wat te ontspannen, tussen de jeugd vertoeven? Een of twee liedjes dansen met eerlijke jongens? Eén of twee glazen met hen drinken? Wat babbelen en lachen? In één woord, vrolijk zijn onder elkaar?  Is ons dit verboden? Wat zal ons dan toegelaten zijn? Wij zien daar niet in het minst kwaad in." [Preek van Hennequin, uitgegeven in 1772, verleent hier een stem aan de meisjes, om hen beter te kunnen weerleggen] (4)

"Ik ben gen kwezel of een non. Hoe zal ik getrouwd raken, wanneer ik er niet naartoe ga?" (bedoeld is: naar de gemengde bijeenkomsten van jongens en meisjes) [de hogergenoemde sermoenschrijver Massemin verleent hier een stem aan de meisjes] (4) 

1) Rooijakkers, G., Spiertz, M. G., Rituele repertoires: volkscultuur in oostelijk Noord-Brabant 1559 - 1853. Nijmegen: Nijmegen SUN, 1994, p. 302.
2) ID, p. 320.
3) H. STORME, Die trouwen wilt,voorsichtelijck, Leuven, 1992, p. 154.
4) ID., p. 155-157.

Zie ook: J. DE BROUWER, 'De kerk en het ontspanningsleven in het aartsbisdom Mechelen in het begin van de 18de eeuw', in: Eigen Schoon en de Brabander, 2009, p. 163-182 (brengt niet veel nieuws in vergelijking met zijn publicaties uit 1970 (Congres van de kringen voor Geschiedenis) en 1976 (Spiegel Historiael)

13:38 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

07-11-14

Boedelinventaris uit Geetbets (1462)

Uiterst zeldzaam zijn boedelinventarissen die ons kunnen inlichten over de materiële cultuur, de huisraad, de meubels, etc. voor het middeleeuwse Hageland. F. Borgers in zijn Geschiedenis van Geetbets, geeft er twee, waarvan één uit 1462 en een andere uit de zelfde jaren. We geven hier de eerste: in een schepenbrief uit 1462 verkoopt Lambrecht Tuumper aan zijn broeder Jan een gedeelte van zijn  meubilair voor 50 gulden. We hebben vreemde of ongewone termen opgezocht in het standaardwerk van Verwijs en Verdam, Middelnederlands woordenboek (2).

drie bedden alsoe sij staen

BEDDE: bed (maar in de betekenis van matras)

noch twee vrouwen rocke enen swerten ende enen groenen

ende een falie ende een hoyke

FALIE (FAELGE, FALY, FAILGE, FAILLE, FAILLIE): falie (doek, handdoek), mantel, huik

HOYKE (HOYCKE, HOYC, HEYKE, HEYCKE, HEUKE, HUECK, HOEYKE, HOEYCK, HUKE, HOEKE): lange mantel, die zowel door mannen als vrouwen gedragen werd, tot op de voeten reikte en van voren over het hoofd heen in een lange hoorn uitliep; huik, kapmantel, falie

noch twee pelse ende vijf scrinen

SCHRIJN (SCRIJN, SCHRINE, SCRINE): kist, kastje e.a. voorwerpen, vooral voor het bewaren van kostbaarheden en geld

twee scerme

SCHERM (SCERM): scherm, een middel om iemand of iets af te weren, of iemand of iets te beschermen of te beschutten; vuur-, wind- of tochtscherm

vier sydelen ende een rynne

SIDELE (ZIDELE): bank met kussens

RINNE (RENNE): loop voor dieren, ook kooi en hol

drie desschen

DESCH => zie DISCH (DYSCH, DESCH): tafel, eettafel

vier coperen potten ende een lavoer

LAVOOR (LAVOIR): wasbekken, waskom 

ende een dusyne tennen scotelen

SCHOTEL (SCOTEL, SCOTTEL, SCUETEL, SCUTTEL): schotel, schaal, van steen, van hout

ende een half dusyne dobbeliere

DOBLIER (DOBBLIER): schaal, schotel

drie cannen ende seven ketele

vijf pannen

noch sesse drivoet stoele ende enen setel

DRIEVOET (DRYVOET): al wat op drie voeten of poten (van hout of ijzer) rust, dus of drievoet, tafeltje of stoel op drie poten, of drievoet, treeft

SETEL (ZETEL): zetel

een dusyne cussene half oercussene ende half andere

drie moerdelsteene (molensteen?)

twee cassoren (braadpan?)

twee moelevate ende haelen

MOELENVAT: benaming van een kleine korenmaat, inhoudende 1/2 halster, te Leuven en omstreken in gebruik

HAEL (HALE): ijzeren hengsel, bepaaldelijk ketelhaak, de ijzeren haak waaraan de ketel boven het vuur hangt

 

1) F. BORGERS, Geschiedenis van Geetbets, Brussel, 1949, p. 226.
2) VERWIJS en VERDAM, Middernederlands woordenboek, 's Gravenhage, 1885-1945.

 

16:56 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

05-11-14

Vlaamse miliciens in het Franse leger (1747)

De Oostenrijks Successie-oorlog (1744-1748) was één van die vele dynastieke oorlogen uit de 17de-18de eeuw, waarin onze gewesten betrokken raakten. Tegen eind 1746 hadden de Franse troepen heel het land bezet. Op Kerstdag 1746 beval koning Lodewijk XV de werving van 4.900 jongemannen uit Brabant, Vlaanderen, Henegouwen en Namen om als rekruten zes jaar lang in het Franse leger te dienen. Hier leest u een brief van vier miliciens uit Vossem (bij Tervuren), die verslag doet van hun wedervaren in de bergen van Briaçon, in de streek van de Dauphiné. Ik heb hem hertaald naar modern Nederlands.

"16 augustus 1747

 

Lieve en zeer beminde parochianen,

Jan van Audenaghen, Laureis van den Bosch en Jan van den Dael laten u weten dat wij nog kloek en gezond zijn, ik hoop bij God dat het bij u ook zo is. We laten hierbij weten hoe het met ons gesteld is en waar we zijn.

We zijn op 10 maart uit Brussel vertrokken en op de laatste dag van april in Briançon aangekomen, in de Dauphiné, in een fort waar ons garnizoen zich bevindt. We zijn met ons vieren in één compagnie van Vossem, maar ik moet u laten weten wat voor land dit is.

We hebben zeker 42 mijl tussen het gebergte gemarcheerd. Waar we nu zijn, in Briançon, zijn de bergen onbegrijpelijk hoog. Zelfs als de Sint-Michielstoren tien maal zo hoog was als hij nu is, dan nog zou hij niet zo hoog zijn. Wij werken namelijk op een berg, waar een nieuw fort wordt gebouwd, vlak bij het onze. Het moet wel vier uur geduurd hebben vooraleer wij de top bereikten, waar de sneeuw op sommige plaatsen op de bergen wel 20 voet dik ligt.

Mijn vrienden en ik moeten u laten weten dat er een veldslag heeft plaatsgevonden tussen de Fransen en de koning van Sardinië. De Fransen wilden een fort van Piemont belegeren, niet meer dan drie uur van Briançon, waarheen wij zelf moesten gaan ter ondersteuning. De Fransen waren van plan het fort bij vloed in te nemen met musketvuur, want zij konden wegens de bergen daar geen kanon naartoe brengen. Er waren wel drie kleine kanonnen die aan één stuk vuurden. Om twee uur, toen de benedictie met het Sacrament werd gegeven, stormden de Fransen los. Een vaandeldrager liep met opengevouwen vaandel de wallen op, met twee grenadiers en de andere soldaten al even dapper. Het duurde vier uur tot de Fransen verslagen waren. Het aantal doden wordt op 10.000 geraamd, 400 officieren en alle generaals. Maar god zij dank, wij zijn alle vier heelhuids en gezond. Nochtans zijn er veel Vlamingen die we niet kenden in de slag gebleven.

Hierbij verzoek ik u om ons via een brief te laten weten hoe het in Brabant gaat en hoe het met u gesteld is, lieve vrienden. Wees zo goed aan mijn zuster in Leuven te laten weten dat ik gezond ben, en ik hoop dat het met haar en haar man ook zo is.

We zijn met ons vieren het meest gewaardeerd van alle Vlamingen. Maar, ziet u, Van den Bosch is in Lyon van ons gescheiden. Wij weten niet waar hij is. Hij mocht niet bij ons blijven, want hij was bij een ander bataljon ingelijfd.

Hierbij verblijven wij, uw trouwe dienaars, en een lieve groet aan u en onze vrienden.

Wij liggen in Briançon in de Dauphiné, onder het regiment van Marmande, compagnie Basson.

(ondertekend)"

 

Bron:

P. LEYNEN, 'Jongens uit Vossem als Fransche miliciens in 1747', in: Eigen Schoon en de Brabander, 1945, pp. 20-21.

 

13:30 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |