10-04-16

Bijgeloof en magische praktijken in de provincie Antwerpen (eerste helft 17de eeuw)

Landdekenij Antwerpen

We volgen hierbij de licentiaatsverhandeling van K. De Raeymaecker, Het godsdienstig leven in de landdekenij Antwerpen (1610-1650) (1). Soms vermeldt de auteur de oorspronkelijke Latijnse termen in voetnoot, maar niet altijd. We vergelijken met M. Gielis' magistraal artikel over het onderscheid tussen hekserij en het onderliggende 'magisch universum' (2), en met de gegevens van Dupont-Bouchat over de repressie van het bijgeloof door de kerkelijke en wereldlijke autoriteiten (3).

In Oorderen (1614) werd de deken gewaarschuwd dat door de kwade hand (usum maleficii) schade aan huwelijken werd berokkend. Om dit tegen te gaan hebben verloofden de gewoonte om een ring op de grond te werpen (quod ut evadant, sponsi proiiciunt annulum in terram). Er worden waarzegsters gesignaleerd in Niel en Hoboken (1613), nogmaals in Niel in 1623 (4). In 1620 moest de meid van Egidius Pooters, inwoner van Wilrijk, ondervraagd worden over het opwekken van geestesverschijningen (super confictis a se apparitionibus spirituum). In 1633 schreven de inwoners van Edegem de ongelukken toe aan de kwade invloed van een vrouw die er onlangs was komen wonen.

In Hoboken (1619) woonde een man die bijgeloof en belezingsformules bleef aanwenden tegen koortsen (perseverat in suis superstitionibus et abusu scedularum contra febres). Vooral de Spanjaarden namen het de kerkelijke overheid kwalijk dat deze praktijken verboden werden. Alleen Spaanse formules (solum idioma hispaniense) beschouwden ze als een effectief middel tegen ziekten en demonen (adversus morbos et demones). Ook in Ekeren (1621) had iemand de reputatie mensen en dieren te kunnen genezen met bijgelovige praktijken. Hij verdedigt zich door te zeggen dat hij slechts natuurlijk remedies aanwendt.

Geen enkele priester mocht exorciseren zonder de toelating van de bisschop op straffe van uit zijn ambt te worden ontzet. In de landdekenij Antwerpen hadden in 1620 alleen de priesters van Ranst, Ekeren, Berchem, Zandvliet, Schoten en Hoboken de bevoegdheid om te exorciseren. De pastoor van Schilde klaagde in 1619 erover dat de pastoor van Boechout op zijn parochie vaak veestallen kwam belezen. In 1644 werden alle licenties tot exorciseren ingetrokken omdat er te veel misbruiken waren. Bij het belezen door priesters mochten niet eender welke formules gebruikt worden. Alleen formules die opgenomen waren in het Romeinse Rituaal, het Mechels Pastoraal of het boek van Maximiliaan van Eynatten, het Manuale exorcisorum, waren toegelaten.

De Raeymaecker besluit: 'Bijgeloof, waarzeggerij, het belezen van mensen en dieren en andere occulte praktijken waren in de 17de eeuw vrij algemeen verspreid. De landdekenij Antwerpen vormde hierop geen uitzondering. (...) Tegen bijgelovige praktijken kon men weinig ondernemen. Ze zaten immers reeds jaren in de volksziel verankerd.Wel oefende de Kerk zoveel mogelijk controle uit op het belezen van mensen en dieren, wat alleen door priesters met een speciale vergunning en volgens erkende formules mocht gebeuren'. (5)

Dekenij Herentals

De dekenale visitaties bieden veel concrete gegevens over bijgelovige en magische praktijken (6). Zo signaleren de dekens bij herhaling genezers en bezweerders:

Vorselaar (1611): de inwoners zijn volgens de dekens zeer bijgelovig en gingen naar een genezer in Tongerlo.

Hulshout (1617): sommigen hielden zich bezig met het genezen van paarden en andere dieren met formules, en het bezweren van wolven, opdat die geen schade aan de schapen zouden berokkenen.

Olen (1631): Barbara Elsmans, een gewezen vroedvrouw, werd bij zieken geroepen om hen te exorciseren. Ze hield daarbij een kandelaar in de hand en sprak allerlei bijgelovige formules uit.

Beerse (dekenij Hoogstraten): vanuit het district Herentals ging men naar een waarzegger in Beerse, die op biljetjes formules schreef om zieken te genezen. Deken Brumelius kreeg zo 'n biljet in handen en plakte het in zijn verslag van 1631.

Hulshout (1632): men raadpleegt een waarzegster voor zieke kinderen en paarden.Aan haar klanten legt ze bijgelovige reizen op.

Morkhoven (1626): van een oude man wordt gezegd dat hij een bijgelovig lied tegen zieke honden en tegen wolven zong

Kasterlee (1617 en 1626): Sebastianus Simoens, de kapelaan, hield zich bezig met het genezen van dieren

Poederlee (1614 en 1618): pastoor Petrus Vander Veken (1598-1619) liet zich met magie in. In 1612 werd hem het verbod opgelegd zich nog langer met in te laten met exorcisme of bijgelovige praktijken, die hij dikwijls aanwendde tegen betoveringen.

Herselt (1618): een man wendde het bijgeloof van 'Egyptische vrouwen' [d.i. Zigeuners] aan om zijn vrouw van een kwetsuur te genezen. Hij geloofde in hun magische krachten, omdat een stapel stro, waarbij zij vuur hadden geworpen, slechts lichtjes brandde. (7)

Westmeerbeek (1623 en 1624): Susanna Walrans werd in 1623 voor de kerkelijke rechtbank gedaagd omdat zij beweerde met de geesten te kunnen spreken.

Meerhout (1618): in 1618 kwam een zekere Joannes Ooms uit Tongerlo in het dorp wonen, een zeer bijgelovig man. Een dominicaan had hem o.a. horen zeggen dat de Turken beter konden gered worden dan de katholieken (8)

DUPONT-BOUCHAT geeft nog enkele gevallen, die we niet bij BRAEKEN terugvinden: 

Herenthout, St.-Pieter (1618): Catharina Verloo, giftmengster (9).

Bouwel (1633): Petrus Ghaert, door de duivel bezeten, wordt door de promotor van de kerkelijke rechtbank geëxorciseerd (10).

Dekenij Lier

De licentiaatsverhandeling van H. VAN KIEL, Priesters en gelovigen in de dekenij Lier (1603 - 1661) levert enkele gegevens op over bijgeloof, magie en waarzeggerij (11). Vanuit Oelegem (1613) gingen bijgelovige inwoners vaak naar een waarzegger uit Ekeren (superstitiosi qui facile currunt pro consilio ad ariolos). Deze man schreef op een stukje perkament (in membrana) verschillende nauwelijks leesbare namen zoals Hubertus + patre + sactie + Huberte +. Hij zei dat het zieke vee, dat betoverd werd geacht (quae omnia iudicat maleficata), deze papiertjes moest opeten en schreef nog veel andere bijgelovige zaken voor(et multa superstitiosa et pernitiosa praecipiens). Een smid van Rumst (1647) gebruikte allerhande kwakzalvermiddeltjes (utitur vetis et superstitiosis ritibus) om zieke dieren te genezen. Ondanks herhaalde vermaningen door de deken verbeterde hij zich niet, waardoor de deken het noodzakelijk achtte gerechtelijke stappen te ondernemen. In Duffel (1613) werd een oude vrouw ervan verdacht magische praktijken toe te passen (suspecta de magia). In Viersel (1618) werd de vrouw van Martinus Maressens door velen voor een waarzegster en tovenares gehouden (habetur adhuc a multis pro saga et incantatrice) gehouden, zonder dat dit bewezen kon worden. In Broechem (1643) waren er oude grieven tegen een waarzegster (contra quandam veridicam) die met haar bijgeloof de naburige plaatsen aanstak.

Dekenij Mechelen

Perk (1595): er is een vaag gerucht over een persoon die niet vrij zou zijn van magie en toverij. De pastoor belooft een oogje in het zeil te houden (12).

Bonheiden (1598): er wordt een persoon vermeld, die twee jaar voordien in Brussel in de gevangenis had gezeten wegens beschuldigingen van duistere praktijken (12).

Bonheiden (1599): een inwoner wordt beschuldigd, die vroeger van magie beschuldigd was, maar uit de gevangenis was ontsnapt (13).

Elewijt (1610) en Kampenhout (1612, 1614 en 1615): enkele personen worden geraadpleegd voor ziekte van mensen en dieren. De deken vraagt dat ze daarmee stoppen (13).

Muizen (1608): het gerucht doet de ronde dat de familie uit het "Muijsen Huijsken" aan superstitie doet.Men beweert dat in de stal paardenschedels en -beenderen aan de muur zijn opgehangen. De pastoor echter, die alles onderzocht heeft, heeft niets van dat alles gezien (13).

______________________________________________________________________________________ 

(1) K. DE RAEYMAECKER, Het godsdienstig leven in de landdekenij Antwerpen (1610-1650), Belgisch Centrum voor Landelijke Geschiedenis, 1977, p. 189-192.
(2) M. GIELIS, 'Magie en religie in het oude hertogdom Brabant. Een verkennend onderzoek naar de heksenwaan en de waan der historici', in: Taxandria, 1994, p. 5-110. Deze tekst is in enigszins herwerkte versie ook te vinden in: MOSTERT en DEMYTTENAERE, Betovering van het middeleeuwse christendom: studies over ritueel en magie in de Middeleeuwen, 1995.

(3) M.S. DUPONT-BOUCHAT, 'La  répression des croyances et ds comportements populaires dans les Pays-Bas: l'Eglise face aux superstitions (XVIe-XVIIIe S.)', in: De hekserij in de Nederlanden,  Standen en Landen, 86, 1987, p. 128-137.
(4) DUPONT-BOUCHAT, o.c., p. 130 spreekt in plaats van waarzegsters in Hoboken (1613) over 'plusieurs sorcières' en ze schrijft 'Wiel' in plaats van Niel (p. 132).
(5) K. DE RAEYMAECKER, o.c., p. 192.
(6) L. BRAEKEN, De dekenij Herentals 1603-1669 : bijdrage tot de studie van het godsdienstig leven in het bisdom Antwerpen, Leuven, 1982, p. 181-183. 
(7) Bij DUPONT-BOUCHAT, p. 131,nr. 31-32, vermeld als Johannes Mesens en zijn vrouw, Herselt, 1618, 'pratiques superstitieuses avec des femmes égyptiennes'.
(8) Bij DUPONT-BOUCHAT, p. 131, nr. 42, vermeld als 'superstition et magie', 'souvent dénoncé'.
(9) DUPONT-BOUCHAT, p. 130, nr. 30.
(10) DUPONT-BOUCHAT, p. 133,nr. 60.
(11) H. VAN KIEL, Priesters en gelovigen in de dekenij Lier (1603 - 1661), onuitg. lic. verh., KULeuven, 1988, p. 206-207.
(12) A. JANS, Dekenale visitaties in het Mechelse, 1559-1598, onuitg. lic. verh. KULeuven, 1955-1956, p. 113.
(13) H. GEETS, Het kerkelijk leven in de landsdekenij Mechelen volgens de Visitatieverslagen van deken Antonius De Mol (1599 - 1616)
onuitg.lic. verh. KULeuven, 1959-1960, p. 128.

14:04 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.