30-04-16

Kerkelijke leer over bijgeloof en magie volgens de concilies en synodes (1570-1630)

Tweede diocesane synode van Antwerpen (1576)

Titulus XI De Superstitionibus

Caput I
Quoniam graviter passim in observationibus superstitiosis delinquitur, videlicet dando eleëmosynas certas, certo numero, gestando certis diebus chartas, amuleta, annulos, imagines cum certis characteribus certo die inscriptis, et quaecumque naturalem rationem non habent ad eum effectum qui eis adscribitur, aut ad cujus consecutionem usurpantur. Item quandocumque ex certis signis scriptis vel verbis, etiam sacris, aliquis praesumit certitudinem ejus effectus qui in rebus particularibus neque integram, neque necessariam causam habent: mandamus ut pastores diligenter advigilent ne a suis hujusmodi perpetrentur: doceant eos, qui propter morbos prolium et pecorum, aut sterilitatem agrorum, praediorum, aut arborum, in ejusmodi superstitiosas averruncationes proclives sunt, ut juxta consilium Apostoli Jacobi capite quinto, dum ob aliquam adversitatem contristantur, orent: si remedia petenda sint, ea adhibeantur quae ostendit Chrysostomus ad populum Antiochenum Homilia 21 cap. 44. Deus est enim, ut testatur Isaias, qui irrita facit signa divinorum, et in futuro vertit ariolos.

Hier en daar gaat men zich op ernstige wijze te buiten aan superstitieuze praktijken, namelijk het geven van een welbepaald aantal aalmoezen, het op welbepaalde dagen dragen van briefjes, amuletten of beelden, met welbepaalde tekens, op welbepaalde dagen erop geschreven, die geen natuurlijke oorzaak hebben van de werking die eraan toegeschreven wordt. Op dezelfde wijze wanneer iemand uit welbepaalde geschreven tekens of woorden, zelfs als ze heilig zijn, de zekerheid afleidt van hun gevolgen, die in specifieke zaken, noch een onbezoedelde, noch een noodzakelijke oorzaak hebben. Daarom dragen wij de pastoors op, dat ze er ijverig over waken dat niemand van hun onderhorigen dergelijke praktijken zouden bedrijven: ze dienen hen te onderrichten, die wegens ziekte van kinderen of dieren, of onvruchtbaarheid van akkers, boerderijen of bomen, vatbaar zijn voor zulke bijgelovige afweermiddelen.... 

Caput II
Non minus offenditur Deus in variis vaticinationum ac praedictionum modis, dum passim aniculae infatuateae a daemonibus sese pro divinis venditant. Quamobrem praecipimus parochis nostris, ut si qui sint in suis parochiis qui hoc malo laborant, a nos deferant.

Niet minder wordt God beledigd door verschillende vormen van profetieën en voorspellingen, als ze komen van oude vrouwtjes, die, voor de gek gehouden door demonen, zich als waarzegsters verkopen. Daarom dragen wij onze parochiepriesters op om, indien er in hun parochies personen zijn die dit kwaad bedrijven, aan ons over te dragen.

Caput III
Rogamus magistratus omnes, ut hoc malum e tota republica extirpent, et ne nomen quidem tolerent; jubeantque omnes, qui super eventibus futuris et quibusvis secretis responsa dant, in exilium agi: atque eos, qui tales consulunt, graviter puniant: nam et hi, ut est Levitici cap. 19, turpiter polluuntur. Quare mandamus  pastoribus nostris ne eos qui ejusmodi publice consuluerunt, absolvere tentent absque publica poenitentia.

Wij vragen aan alle wereldlijke autoriteiten, dat ze dit kwaad uit de maatschappij uitroeien, en dat ze geen enkele naam (?) tolereren; ze moeten allen die antwoorden geven over toekomstige gebeurtenissen en geheimen, verbannen, en zij die hen raadplegen, streng straffen.

Caput IV
Incantatores et qui carminibus suis mira machinantur, adeo ut etiam animos hominum fascinare se dicant, multo erunt severius a magistratibus profligandi.

Bezweerders en zij die met hun toverspreuken wonderbaarlijke dingen in kaart zetten, in die mate dat ze beweren de menselijke geest te kunnen betoveren, moeten nog strenger door de wereldlijke overheid worden uitgeroeid.

Caput V
Ad magnam etiam divini nominis irecerentiam pertinet depravatissimus mos jurandi variis et abominandis modis: adeo ut hac in parte multi ipsis blasphemis daemonibus videantur exequandi. Hoc peccatum quantum Deo dislplicet, et quantam iram Dei in populum excitet, satis testatur poena quae jussu Dei blasphemo fuit irrogata: voluit enim Deus illum ab omnibus lapidari extra castra, ut ostenderet vindictam illius irreverentiae ad omnes pertinere. Hinc curandum est magistratui, ut severa in ejusmodi homines animadversione iram Dei avertant.

Provinciale synode van Kamerijk (1586)

Signa vel Imagines, annulive, orationes scriptae, vel, ut vocant, brevia, characteribus, aut nominibus incognitis impressa, ne ad alicujus morbi hominis, jumentive curationem adhibeantur: ne etiam ligaturae matrimonii actum impedientes, aliave veneficia, vel fascinationes superstitiosa observatione fiant, aut dissolvantur: nec vulnera aut plagae ullae superstitiosa observatioso adhibito signorum, verborum aut precum numero, linteolis, vel alia, quae a Medicis comprobata son sit, ratione curentur. Denique quicumque hujusmodi, vel aliis superstitionibus, Daemonum invocationibus, implicitis vel explicitis pactis cum iisdem usi fuerint, quive artem Astrologicam judiciariam, a Sanctissimo Domino nostro Sixto V. speciali Constitutione damnatam, exercuerint, excommunicationem incurrant, & per Pastores in suis concionibus publicae excommunicati denuntientur, & aliis poenis a jures impositis subjaceant.

Tekens of beelden, ringen, geschreven gebeden, of zoals ze genoemd worden, briefjes, met onbekende letters of namen bedrukt, mogen niet gebruikt worden ter genezing van mensen of dieren....wonden of ziekten mogen niet met bijgelovige praktijken, zoals aantal tekens, woorden of gebeden, linten, of andere, die door de medici niet goedgekeurd zijn, genezen worden. Tenslotte worden zij geëxorciseerd, die deze of andere bijgelovige praktijken uitoefenen, die impliciete of explicite pacten met demonen sluiten, die de kunst van de gerechtelijke astrologie bedrijven, die door Zijne heiligheid Sixtus V in een speciale constitutie verboden is geworden... 

Derde provinciaal concilie van Mechelen (1607)

Het eerste provinciaal concilie van Mechelen in 1570 omschrijft, onder de hoofding IX "De Superstitione"  wat de kerk onder bijgeloof verstond. Er is sprake van bijgeloof wanneer men iets tracht te bereiken, zonder de naam van God of de kerk aan te roepen, zonder tussenkomst van de heiligen, of zonder redelijke middelen. Het derde provinciaal concilie van Mechelen in 1607 veroordeelde, onder de hoofding XV "De Superstitione", in veel concretere termen wat zij als bijgelovige praktijken beschouwde (1):

1. Nemo ad morbos vel vulnera hominum aut brutorum curanda superstitiosis remediis utatur; vel super rebus deperditis aut super futuris eventibus; ac quibusvis secretis, divinos, seu pro divinis se venditanter, consulere praesumat. Si aliquis aliquid horum fecerit, et monitus non abstinuerit, mox ipsi ordinario vel officiali denuntietur, juxta Bullam Sixti V editam contra exercentes Astrologiae judiciariae artem, quae incipit: Coeli  et terrae creatos. 

Niemand mag bijgelovige middelen gebruiken om ziektes of wonden van mensen of dieren te genezen. Ook is het verboden waarzeggers te raadplegen voor het terugvinden van verloren zaken of toekomstige gebeurtenissen. Diegene die dit toch doet, en hij volhardt na gewaarschuwd te zijn, dient onverwijld naar de kerkelijke rechtbank verwezen te worden. [Er wordt ook gesproken over astrologie, en de bul van paus Sixtus V "Coeli et terrae creatos", maar vermits de astrologie tot de geleerde magie behoorde, en we ons hier met de volksmagie bezighouden, laten we dit terzijde]. 

2. Et nihilominus haec Synodus mandat Judicibus Ecclesiasticis, ut in exilium mittant, vel mitti curent, omnes qui super futuris eventibus aliisque secreta responsa dant; eosque qui tales consulunt, graviter puniant,et multo gravius animadvertant in maleficos, et incantatores, et etiam omnes qui vulgo Aegyptii vocantur.

Deze synode maant de kerkelijke rechters om hen te verbannen of te laten verbannen, die geheime antwoorden geven over toekomstige gebeurtenissen of anderszins. Des te meer dienen ze te letten op tovenaars [maleficos], bezweerders [incantatores], en zij die in het gewone spraakgebruik zigeuners [Aegyptii] genoemd worden.

3. Et quoniam rudis populus saepe ex ignorantia superstitionibus inquinatus; Parochi subditos suos diligenter de illis doceant: et inter coetera, superstitiosum esse, exspectare quemcumque effectum a quacumque re, quem res illa, nec ex sua natura, ne ex insitutione divina, nec ordinatione vel approbatione Ecclesiae producere potest.

Vermits het ruwe volk zich dikwijls uit onwetendheid tot het bijgeloof wendt, dienen de pastoors hun onderhorigen daarover te onderrichten, onder andere, dat het bijgeloof is om het even welk effect te verwachten van om het even welke zaak, dat die zaak, noch vanuit goddelijke instelling, noch vanuit de wijding of goedkeuring van de Kerk, kan voortbrengen [Hier wordt verwezen naar de algemene definitie van bijgeloof van het eerste concilie van Mechelen in 1570].

4. Nullus omnimo exorcisare praesumat sine licentia Ordinarii in scriptis obtenta: nemo utatur aliis exorcismis quam ab Ordinario approbitis, vel potestate exorcisandi ulla ratione abutatur, sub poena perpetuae privationis illius officii, et alias arbitraria.

Niemand mag exorciseren zonder schriftelijke toelating van de kerkelijke overheid; niemand mag gebruik maken van andere exorcismen dan diegene die door de kerkelijke overheid goedgekeurd zijn, noch misbruik maken van het recht om te exorciseren, voor om het even welke reden, op straffe van eeuwige uitsluiting van dit recht. 

Interessant zijn ook de opmerkingen van de dekens en pastoors op dit derde provinciaal concilie van Mechelen in 1607 (2):

Metuunt non posse impediri hanc superstitionem sine subsidio saecularium magistratuum; et etiam quia non desunt viri docti, qui haec referant ad gratiam sanitatum; et quia promiscue fere omnes fabri ferrarii utuntur mediis superstitiosis, saltem in aliquibus districtibus, in curandis equis.

Ze vrezen dit bijgeloof niet te kunnen verhinderen zonder de hulp van het wereldlijk gezag, omdat er zelfs veel geleerde mannen zijn, die dit bijgeloof toepassen, ten bate van de gezondheid, en omdat bijna alle hoefsmeden, ten minste in sommige streken, bijgelovige middelen gebruiken om paarden te genezen.

quid sentendiendum sit de mulierculis distinguentibus varia genera morborum Sanctis adscripta, quae putant certis observationibus, vulgo "met boeten te houden", curari debere.

Hoe moet geoordeeld worden over die vrijpostige vrouwen, die verschillende ziektes onderscheiden, en aan heiligen toeschrijven, die ze met zekere 'voortekens' (observationes), in de volksmond "met boeten te houden", denken te moeten genezen.  

Tweede diocesane synode van Mechelen (1609)

Titulus XIV De superstitionibus et exorcismis (3):

1. Abominanda est eorum vanitas et superstitio, qui certo numero et praescripta forma Missarum vel precum affirmant certas designatas e Purgatorio semper liberari; quive certo pollicentur sine poenitentia et Sacramentis ex hac vita non migraturos eos, qui hunc vel illum ex Sanctis coluerunt.

Het is bijgeloof en ijdelheid te geloven dat men zekere zielen altijd uit het Vagevuur kan verlossen door middel van een welbepaald aantal missen of gebeden, of in een voorgeschreven vorm; aan personen verzekeren die deze of gene heilige aanroepen, dat ze niet zonder penitentie of sacramenten zullen sterven.

2. Licentiam exorcizandi a nobis adeptus

De toelating tot exorciseren wordt door mij verleend [d.i. de aartsbisschop van Mechelen]

3. Mulieri energumenae exorcismum adhibiturus, id praestet duabus saltem personis probatae vitae praesentibus; iisque, si fieri possit, energumenae consanguineis, aut affinibus.

Bij het exorcisme van een bezeten vrouw, dienen twee personen van goede levenswandel aanwezig te zijn, zo mogelijk, verwanten of bekenden van de bezetene.  

14de dekenale vergadering aartsbisdom Mechelen (1612)

Mandat etiam dictus Illustrissimus Dominus omnibus Decanis ut porrô suis Pastoribus in proxima eorum Congregatione injungant ut doceant populum superstitiosam esse vulgatissimam consuetudinem stramine circumligandi arbores cum exspectatione uberiorum fructuum qualis etiam est superstitio quôd carpantur herbae in profesto S Joannis tamquàm homines ab infortunio et domos ab incendio conservaturœ (4).

Het is ordinair bijgeloof om bomen met stro te omwikkelen in de hoop op rijkere oogsten. Ook is het bijgeloof om op de vooravond van St.-Jan Baptist kruiden te plukken om mensen tegen kwaad en huizen tegen brand te beschermen.

25ste dekenale vergadering aartsbisdom Mechelen (1623)

Omnes et singuli Pastores iisdem diebus pluries successive acriter et cordatè pro concionibus moneant populum abstinere à superstitiosis remediis contra morbos et ad noscendum occulta quae vitia videntur multùm hoc tempore invalescere. Et in Capitulis proximis inter se communicatione habita Pastores conficiant cataloguai istorum casuum inter quos censendœ sunt pœnitentiae quas vocant boeten certis diebus et formis prœscriptœ contra morbos per imperitas mulierculas et alios sine debito examine et judicio Ecclesiae cum promissione vel expectatione certi eventûs (5).

De pastoors dienen het volk te waarschuwen zich afzijdig te houden van bijgelovige remedies tegen ziektes en ervaringen met occulte middelen. Deze misbruiken schijnen heden ten dage steeds meer voor te komen. De pastoors dienen lijsten van dergelijke gevallen op te stellen, o.a. van de praktijken die men "boeten" noemt. Deze worden tegen ziekten gehouden, op welbepaalde dagen en in een voorgeschreven vorm, door ongeschoolde vrouwen en anderen, zonder het verplichte onderzoek en oordeel van de Kerk, met de hoop op zekere effecten.

2de dekenale vergadering bisdom Gent (1614)

Dekenale vergadering Ieper (1631)

Verloofden weigeren de afkondiging van hun bannen op feestdagen te aanhoren, maar enkel op zondagen; vrouwen weigeren op een vrijdag gezuiverd te worden; dienstmeisjes weigeren op een maandag in dienst te treden; het op bepaalde dagen omwikkelen met stro, in de hoop op betere oogsten,etc.

11de dekenale vergadering bisdom Gent (1632)

13de dekenale vergadering bisdom Gent (1650)

 

Andere kerkvergaderingen

Moreau, in zijn Histoire de l' Eglise en Belgique geeft nog andere voorbeelden van door de concilies en synoden veroordeelde vormen van populair bijgeloof (6):

  • een welbepaald aantal kaarsen branden voor die of die aangelegenheid
  • het vee beschermen tegen aanvallen van wolven door zekere magische formules uit te spreken (6)
  • het raadplegen van waarzeggers om de auteur van een diefstal te achterhalen
  • populaire of oneervolle liederen op de beiaard spelen
  • De H. Mis verlaten na het tonen van de hostie. Men vindt hier een overblijfsel van een bijgelovige opvatting uit de middeleeuwen, volgens dewelke het voor de gelovige voldoende was om de hostie te zien, om tegen het Kwaad beschermd te zijn.
  • op de vooravond van Sint-Jan (22 juni) kruiden plukken om mensen tegen onheil en huizen tegen brand te beschermen
  • een reis onderbreken omdat men eksters hoort krassen
  • verloofden weigeren de afkondiging van hun huwelijksbannen te horen op een feestdag, maar enkel op een zondag (7)
  • dienstmeisjes willen niet op  een maandag in dienst treden
  • enzovoort

-----------------------------------------------------

(1) DE RAM, Synodicon Belgicum, dl.I, p. 388 e.v. De vertalingen zijn niet letterlijk, maar parafraserend.
(2) DE RAM, o.c., dl.I, p. 319.
(3) DE RAM, o.c., dl. II,p. 232.
(4) DE RAM, o.c., dl. II, p. 270.
(5) DE RAM, o.c. dl. II,p. 286.
(6) MOREAU, Histoire de l' Eglise en Belgique, dl.V, p.68 en 360-361. Voorbeelden uit synodes van Mechelen, Doornik, Gent en Ieper.
(7) zie ook H. STORME, Die trouwen wilt voorsichtelijck, 1992, p. 342.

12:29 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

29-04-16

Onttovenaars, magiërs, genezers in het Mechelse rond 1600

Via E. Raes zijn we op de hoogte van het optreden van enkele magiërs, exorcisten of genezers in het Mechelse op het einde van de 16de eeuw (1). Hoewel de algemene principes van het magisch wereldbeeld waarin de mens van het Ancien Regime leefde universeel waren, kunnen de terminologie en de concrete praktijken regionaal verschillen. Eén van die beginselen was het 'magisch evenwicht' waarbij de kwade hand, die verantwoordelijk werd geacht voor ongeluk, ziekte of dood van mens of dier, door magische verweermiddelen tenietgedaan werd (2). In de Mechelse regio bv. geloofde men dat een onbekende heks een 'ongeluk' begraven of verborgen had op het erf van haar slachtoffer. Dit begraven 'ongeluk' was dikwijls menselijk haar, vermits men ervan overtuigd was dat daar het kwaad van de heks in zat (3). Voor de uitdrijving of de bestrijding van het kwaad gebruikten de exorcisten of onttoveraars, naast geheime gebeden, boetedoening en andere geestelijke handelingen,  het begraven van een 'heiligdom', d.i de tegenpool van het begraven kwaad, bv. stukjes van een gewijde Paaskaars, kruisjes, schapulieren,enz...), kabbalistische tekens of teksten, geschreven op muren of op briefjes die omgehangen of begraven werden (4). In het samenspel van het begraven 'ongeluk' en 'heiligdom' ziet men mooi de werking van het magisch evenwicht, van actie en reactie, van kracht en tegenkracht. 

Zo is er het verhaal van de exorciste Margaretha Cornelis die het kwaad bezweerde op de Gasthuishoeve in St.-Kathelijne-Waver, waar ze het begraven ongeluk zocht in de paardenstal (5). Volgens een getuige krabte ze eerst met een schop de vuiligheid weg onder de kribbe van het paard, waarna ze met de zijkant van de schop een vierkant trok. Vervolgens stak ze een schop aarde en legde die opzij. Ze vroeg aan de omstaande vrouwen of iemand een schort wou lenen, waarin ze de schop aarde legde, ook een tweede schop aarde lei ze op de schort. De aarde werd met de handen doorzocht, en tenslotte werd een klot haar gevonden (volgens sommige getuigen ook een speld). Het haar werd vervolgens op aanwijzing van de onttoveraarster verbrand. Het haar brandde haast niet en stonk erg. Daarna maakte Margaretha Cornelis kruisjes van gekliefde hazelaarscheuten van één jaar en was van een gewijde paaskaars. Deze 'heiligdommen' gaf ze aan de aanwezigen, zeggende dat ze onder de drempel moesten gelegd worden, tegen het kwaad volk om het ongeluk af te weren dat mensen, kinderen en beesten bedreigde. 

---------------------------------------------

(1) E. RAES, Hekserij en exorcisme, 1993, p. 41-63. De auteur baseert zich op bronnen in het Mechelse stadsarchief.
(2) Dit wordt goed uitgelegd in D. VANYSACKER, Hekserij in Brugge : de magische leefwereld van een stadsbevolking, 16de-17de eeuw, 1988; en in M. THERRY, Religieuze beleving bij de leken in het 17de-eeuwse bisdom Brugge (1609-1706), 1988.
(3) E. RAES, o.c., p. 41-42.
(4) E. RAES,o.c., p. 42.

(5) E. RAES, o.c., p.48. Margaretha Cornelis werd een eerste maal in 1592 opgesloten in Mechelen, en een tweede maal in 1598. Het geestelijk hof leverde haar over aan het wereldlijk gerecht. We beschikken niet over het vonnis. Volgens Raes zou het kunnen dat het geval Margaretha Cornelis 'één van de ongekende heksenverbrandingen in Mechelen' was.

19:46 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

10-04-16

Bijgeloof en magische praktijken in de provincie Antwerpen (eerste helft 17de eeuw)

Landdekenij Antwerpen

We volgen hierbij de licentiaatsverhandeling van K. De Raeymaecker, Het godsdienstig leven in de landdekenij Antwerpen (1610-1650) (1). Soms vermeldt de auteur de oorspronkelijke Latijnse termen in voetnoot, maar niet altijd. We vergelijken met M. Gielis' magistraal artikel over het onderscheid tussen hekserij en het onderliggende 'magisch universum' (2), en met de gegevens van Dupont-Bouchat over de repressie van het bijgeloof door de kerkelijke en wereldlijke autoriteiten (3).

In Oorderen (1614) werd de deken gewaarschuwd dat door de kwade hand (usum maleficii) schade aan huwelijken werd berokkend. Om dit tegen te gaan hebben verloofden de gewoonte om een ring op de grond te werpen (quod ut evadant, sponsi proiiciunt annulum in terram). Er worden waarzegsters gesignaleerd in Niel en Hoboken (1613), nogmaals in Niel in 1623 (4). In 1620 moest de meid van Egidius Pooters, inwoner van Wilrijk, ondervraagd worden over het opwekken van geestesverschijningen (super confictis a se apparitionibus spirituum). In 1633 schreven de inwoners van Edegem de ongelukken toe aan de kwade invloed van een vrouw die er onlangs was komen wonen.

In Hoboken (1619) woonde een man die bijgeloof en belezingsformules bleef aanwenden tegen koortsen (perseverat in suis superstitionibus et abusu scedularum contra febres). Vooral de Spanjaarden namen het de kerkelijke overheid kwalijk dat deze praktijken verboden werden. Alleen Spaanse formules (solum idioma hispaniense) beschouwden ze als een effectief middel tegen ziekten en demonen (adversus morbos et demones). Ook in Ekeren (1621) had iemand de reputatie mensen en dieren te kunnen genezen met bijgelovige praktijken. Hij verdedigt zich door te zeggen dat hij slechts natuurlijk remedies aanwendt.

Geen enkele priester mocht exorciseren zonder de toelating van de bisschop op straffe van uit zijn ambt te worden ontzet. In de landdekenij Antwerpen hadden in 1620 alleen de priesters van Ranst, Ekeren, Berchem, Zandvliet, Schoten en Hoboken de bevoegdheid om te exorciseren. De pastoor van Schilde klaagde in 1619 erover dat de pastoor van Boechout op zijn parochie vaak veestallen kwam belezen. In 1644 werden alle licenties tot exorciseren ingetrokken omdat er te veel misbruiken waren. Bij het belezen door priesters mochten niet eender welke formules gebruikt worden. Alleen formules die opgenomen waren in het Romeinse Rituaal, het Mechels Pastoraal of het boek van Maximiliaan van Eynatten, het Manuale exorcisorum, waren toegelaten.

De Raeymaecker besluit: 'Bijgeloof, waarzeggerij, het belezen van mensen en dieren en andere occulte praktijken waren in de 17de eeuw vrij algemeen verspreid. De landdekenij Antwerpen vormde hierop geen uitzondering. (...) Tegen bijgelovige praktijken kon men weinig ondernemen. Ze zaten immers reeds jaren in de volksziel verankerd.Wel oefende de Kerk zoveel mogelijk controle uit op het belezen van mensen en dieren, wat alleen door priesters met een speciale vergunning en volgens erkende formules mocht gebeuren'. (5)

Dekenij Herentals

De dekenale visitaties bieden veel concrete gegevens over bijgelovige en magische praktijken (6). Zo signaleren de dekens bij herhaling genezers en bezweerders:

Vorselaar (1611): de inwoners zijn volgens de dekens zeer bijgelovig en gingen naar een genezer in Tongerlo.

Hulshout (1617): sommigen hielden zich bezig met het genezen van paarden en andere dieren met formules, en het bezweren van wolven, opdat die geen schade aan de schapen zouden berokkenen.

Olen (1631): Barbara Elsmans, een gewezen vroedvrouw, werd bij zieken geroepen om hen te exorciseren. Ze hield daarbij een kandelaar in de hand en sprak allerlei bijgelovige formules uit.

Beerse (dekenij Hoogstraten): vanuit het district Herentals ging men naar een waarzegger in Beerse, die op biljetjes formules schreef om zieken te genezen. Deken Brumelius kreeg zo 'n biljet in handen en plakte het in zijn verslag van 1631.

Hulshout (1632): men raadpleegt een waarzegster voor zieke kinderen en paarden.Aan haar klanten legt ze bijgelovige reizen op.

Morkhoven (1626): van een oude man wordt gezegd dat hij een bijgelovig lied tegen zieke honden en tegen wolven zong

Kasterlee (1617 en 1626): Sebastianus Simoens, de kapelaan, hield zich bezig met het genezen van dieren

Poederlee (1614 en 1618): pastoor Petrus Vander Veken (1598-1619) liet zich met magie in. In 1612 werd hem het verbod opgelegd zich nog langer met in te laten met exorcisme of bijgelovige praktijken, die hij dikwijls aanwendde tegen betoveringen.

Herselt (1618): een man wendde het bijgeloof van 'Egyptische vrouwen' [d.i. Zigeuners] aan om zijn vrouw van een kwetsuur te genezen. Hij geloofde in hun magische krachten, omdat een stapel stro, waarbij zij vuur hadden geworpen, slechts lichtjes brandde. (7)

Westmeerbeek (1623 en 1624): Susanna Walrans werd in 1623 voor de kerkelijke rechtbank gedaagd omdat zij beweerde met de geesten te kunnen spreken.

Meerhout (1618): in 1618 kwam een zekere Joannes Ooms uit Tongerlo in het dorp wonen, een zeer bijgelovig man. Een dominicaan had hem o.a. horen zeggen dat de Turken beter konden gered worden dan de katholieken (8)

DUPONT-BOUCHAT geeft nog enkele gevallen, die we niet bij BRAEKEN terugvinden: 

Herenthout, St.-Pieter (1618): Catharina Verloo, giftmengster (9).

Bouwel (1633): Petrus Ghaert, door de duivel bezeten, wordt door de promotor van de kerkelijke rechtbank geëxorciseerd (10).

Dekenij Lier

De licentiaatsverhandeling van H. VAN KIEL, Priesters en gelovigen in de dekenij Lier (1603 - 1661) levert enkele gegevens op over bijgeloof, magie en waarzeggerij (11). Vanuit Oelegem (1613) gingen bijgelovige inwoners vaak naar een waarzegger uit Ekeren (superstitiosi qui facile currunt pro consilio ad ariolos). Deze man schreef op een stukje perkament (in membrana) verschillende nauwelijks leesbare namen zoals Hubertus + patre + sactie + Huberte +. Hij zei dat het zieke vee, dat betoverd werd geacht (quae omnia iudicat maleficata), deze papiertjes moest opeten en schreef nog veel andere bijgelovige zaken voor(et multa superstitiosa et pernitiosa praecipiens). Een smid van Rumst (1647) gebruikte allerhande kwakzalvermiddeltjes (utitur vetis et superstitiosis ritibus) om zieke dieren te genezen. Ondanks herhaalde vermaningen door de deken verbeterde hij zich niet, waardoor de deken het noodzakelijk achtte gerechtelijke stappen te ondernemen. In Duffel (1613) werd een oude vrouw ervan verdacht magische praktijken toe te passen (suspecta de magia). In Viersel (1618) werd de vrouw van Martinus Maressens door velen voor een waarzegster en tovenares gehouden (habetur adhuc a multis pro saga et incantatrice) gehouden, zonder dat dit bewezen kon worden. In Broechem (1643) waren er oude grieven tegen een waarzegster (contra quandam veridicam) die met haar bijgeloof de naburige plaatsen aanstak.

Dekenij Mechelen

Perk (1595): er is een vaag gerucht over een persoon die niet vrij zou zijn van magie en toverij. De pastoor belooft een oogje in het zeil te houden (12).

Bonheiden (1598): er wordt een persoon vermeld, die twee jaar voordien in Brussel in de gevangenis had gezeten wegens beschuldigingen van duistere praktijken (12).

Bonheiden (1599): een inwoner wordt beschuldigd, die vroeger van magie beschuldigd was, maar uit de gevangenis was ontsnapt (13).

Elewijt (1610) en Kampenhout (1612, 1614 en 1615): enkele personen worden geraadpleegd voor ziekte van mensen en dieren. De deken vraagt dat ze daarmee stoppen (13).

Muizen (1608): het gerucht doet de ronde dat de familie uit het "Muijsen Huijsken" aan superstitie doet.Men beweert dat in de stal paardenschedels en -beenderen aan de muur zijn opgehangen. De pastoor echter, die alles onderzocht heeft, heeft niets van dat alles gezien (13).

______________________________________________________________________________________ 

(1) K. DE RAEYMAECKER, Het godsdienstig leven in de landdekenij Antwerpen (1610-1650), Belgisch Centrum voor Landelijke Geschiedenis, 1977, p. 189-192.
(2) M. GIELIS, 'Magie en religie in het oude hertogdom Brabant. Een verkennend onderzoek naar de heksenwaan en de waan der historici', in: Taxandria, 1994, p. 5-110. Deze tekst is in enigszins herwerkte versie ook te vinden in: MOSTERT en DEMYTTENAERE, Betovering van het middeleeuwse christendom: studies over ritueel en magie in de Middeleeuwen, 1995.

(3) M.S. DUPONT-BOUCHAT, 'La  répression des croyances et ds comportements populaires dans les Pays-Bas: l'Eglise face aux superstitions (XVIe-XVIIIe S.)', in: De hekserij in de Nederlanden,  Standen en Landen, 86, 1987, p. 128-137.
(4) DUPONT-BOUCHAT, o.c., p. 130 spreekt in plaats van waarzegsters in Hoboken (1613) over 'plusieurs sorcières' en ze schrijft 'Wiel' in plaats van Niel (p. 132).
(5) K. DE RAEYMAECKER, o.c., p. 192.
(6) L. BRAEKEN, De dekenij Herentals 1603-1669 : bijdrage tot de studie van het godsdienstig leven in het bisdom Antwerpen, Leuven, 1982, p. 181-183. 
(7) Bij DUPONT-BOUCHAT, p. 131,nr. 31-32, vermeld als Johannes Mesens en zijn vrouw, Herselt, 1618, 'pratiques superstitieuses avec des femmes égyptiennes'.
(8) Bij DUPONT-BOUCHAT, p. 131, nr. 42, vermeld als 'superstition et magie', 'souvent dénoncé'.
(9) DUPONT-BOUCHAT, p. 130, nr. 30.
(10) DUPONT-BOUCHAT, p. 133,nr. 60.
(11) H. VAN KIEL, Priesters en gelovigen in de dekenij Lier (1603 - 1661), onuitg. lic. verh., KULeuven, 1988, p. 206-207.
(12) A. JANS, Dekenale visitaties in het Mechelse, 1559-1598, onuitg. lic. verh. KULeuven, 1955-1956, p. 113.
(13) H. GEETS, Het kerkelijk leven in de landsdekenij Mechelen volgens de Visitatieverslagen van deken Antonius De Mol (1599 - 1616)
onuitg.lic. verh. KULeuven, 1959-1960, p. 128.

14:04 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |