30-10-16

Oorsprongsmythe van Vlaanderen: boswachters en vrouwenschakers met stalen armen

Rond het midden van de 11de eeuw ontstond een anonieme genealogie van de graven van Vlaanderen, waarin voor het eerst het verhaal van de (imaginaire) Liederik van Harelbeke opduikt:

"Graaf Liederik van Harelbeke verwekte Ingelram. Ingelram verwekte Audacer. Audacer verwekte Boudewijn met de Ijzeren Arm; hij ontvoerde Judith, de dochter van Karel de Kale".

Lidricus Herlebeccensis comes genuit Ingelrannum. Ingelrannus genuit Audacrum. Audacer genuit Baduinum Ferreum ; qui duxit filiam karoli Calvi nomine Judith (1). 

Lambertus, kanunnik van het Onze-Lieve-Vrouwkapittel te Sint-Omaars, verwerkte dit verhaal rond 1120 in zijn Liber Floridus, een middeleeuwse encyclopedie, en hij voegt er aan toe dat Vlaanderen in die donkere tijden sterk bebost was:

"In het jaar van de Menswording 792, toen Karel de Grote over Francië heerste, zag graaf Liederik van Harelbeke dat Vlaanderen leeg, onbewoond en bebost was, en hij bezette het. Deze verwekte graaf Ingelram. Ingelram verwekte Audacer, Audacer verwekte Boudewijn met de Izeren Arm. Boudewijn met de Ijzeren Arm verwekte Boudewijn de Kale uit Judith, weduwe van Adelbert, koning der Angelen. Ze was de dochter van Karel de Kale, koning der Franken". 

Anno ab incarnatione Domini 792. Karolo Magno regnante in Francia, Lidricus Harlebeccensis comes, videns Flandriam vacuam et incultam ac nemorosam, occupavit eam. Hic genuit Ingelramnim comitem. Ingelramnus autem genuit Audacrum, Audacer vero genuit Balduinum Ferreum. Balduinus autem Ferreus genuit Balduinum Calvum ex Iudith vidua Adelberi regis Anglorum, filia videlicet Karoli Calvi regis Francorum (2). 

Middeleeuwse kroniekschrijvers en genealogen schrijven natuurlijk veelvuldig van elkaar af, ze 'verfraaien' het verhaal een beetje, voegen details toe. Uit het beeld van het bosrijke Vlaanderen, rijpte in de rijke fantasie van Andreas van Marchiennes in de jaren 1190 het idee dat de voorouders van de eerste graven van Vlaanderen wel eens forestarii of bosgraven konden geweest zijn. Want een vorst kan niet zomaar uit het niets vanuit de mist der tijden op het wereldtoneel verschijnen:

"Onder het bewind van Karel de Kale vond het graafschap Vlaanderen zijn oorsprong. Vlaanderen was in die tijd niet zo groot van naam en faam, noch was het zo rijk als nu: het werd toen door forestiers (woudgraven) van de koning der Franken geregeerd. Van hen waren Liederik van Harelbeke, zijn zoon Ingelram, diens zoon Audacer, onder Pippijn, Karel de Grote en Lodewijk, de heersers van Vlaanderen, maar ze werden geen graven genoemd. Boudewijn met de Ijzeren Arm, zoon van Audacer, ontvoerde de weduwe Judith, dochter van Karel de Kale".

Comitatus Flandriarum, eo regnante, Sup Carolo Calvo, sumpsit exordium. Flandria enim, eo tempore, non erat tantis nominis, nec fama, nec etiam tam opulenta, sicut modo cernitur : Sed a Forestarijs Francorum Regis regebatur. Horum Lidericus Harlebeccensis, &Ingelrannus filius eius, & Audacer, Filius Ingelranni, sub Pipino, & Karolo Magno, & Ludovico, Rectores Flandriae fuerunt ; nec tamen Comites vocabantur.
Balduinus autem Ferreus, Filius Audacri, rapuit Iudith Viduam, Filiam Karoli Calvi (3).

En zo spon en spon zich het verhaal van Flandria generosa, het Edele Vlaanderen, ja, men vertelt dat de forestiers zelfs tegen de goddeloze Saracenen zouden gevochten hebben, maar dat verhaal is misschien voor een andere keer. Nu slaan we het boek dicht.

----------------
Zie voor een gedegen uiteenzetting over dit thema: V. Lambert, Oorsprongsmythen en nationale identiteit. De Forestiers van Vlaanderen, in: De Leiegouw, 2006, p. 189-246, en 2007, 97 e.v ; 163 e.v.; Zie ook E. De Maesschalck, De graven van Vlaanderen, 861-1384, 2012.
(1) Monumenta Germaniae Historica, Scriptores, dl. 9, p. 305 (=MGH, SS) (digitale uitgave).
(2) MGH, SS, 9, p. 308-309. (digitale uitgave). Het handschrift dat 'Flandria Generosa A' genoemd wordt (2de helft 12de eeuw) brengt hetzelfde verhaal, met een paar andere details, die hier niet terzake doen: MGH SS, dl.9, p. 317. (digitale uitgave)
(3) R. Beauchamps, Historiae Franco-Merovingicae synopsis, seu, Historia succincta de gestis et successione regum Francorum, 1633, p. 734-735 (digitale uitgave).

10:18 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.