30-10-16

Oorsprongsmythe van Vlaanderen: boswachters en vrouwenschakers met stalen armen

Rond het midden van de 11de eeuw ontstond een anonieme genealogie van de graven van Vlaanderen, waarin voor het eerst het verhaal van de (imaginaire) Liederik van Harelbeke opduikt:

"Graaf Liederik van Harelbeke verwekte Ingelram. Ingelram verwekte Audacer. Audacer verwekte Boudewijn met de Ijzeren Arm; hij ontvoerde Judith, de dochter van Karel de Kale".

Lidricus Herlebeccensis comes genuit Ingelrannum. Ingelrannus genuit Audacrum. Audacer genuit Baduinum Ferreum ; qui duxit filiam karoli Calvi nomine Judith (1). 

Lambertus, kanunnik van het Onze-Lieve-Vrouwkapittel te Sint-Omaars, verwerkte dit verhaal rond 1120 in zijn Liber Floridus, een middeleeuwse encyclopedie, en hij voegt er aan toe dat Vlaanderen in die donkere tijden sterk bebost was:

"In het jaar van de Menswording 792, toen Karel de Grote over Francië heerste, zag graaf Liederik van Harelbeke dat Vlaanderen leeg, onbewoond en bebost was, en hij bezette het. Deze verwekte graaf Ingelram. Ingelram verwekte Audacer, Audacer verwekte Boudewijn met de Izeren Arm. Boudewijn met de Ijzeren Arm verwekte Boudewijn de Kale uit Judith, weduwe van Adelbert, koning der Angelen. Ze was de dochter van Karel de Kale, koning der Franken". 

Anno ab incarnatione Domini 792. Karolo Magno regnante in Francia, Lidricus Harlebeccensis comes, videns Flandriam vacuam et incultam ac nemorosam, occupavit eam. Hic genuit Ingelramnim comitem. Ingelramnus autem genuit Audacrum, Audacer vero genuit Balduinum Ferreum. Balduinus autem Ferreus genuit Balduinum Calvum ex Iudith vidua Adelberi regis Anglorum, filia videlicet Karoli Calvi regis Francorum (2). 

Middeleeuwse kroniekschrijvers en genealogen schrijven natuurlijk veelvuldig van elkaar af, ze 'verfraaien' het verhaal een beetje, voegen details toe. Uit het beeld van het bosrijke Vlaanderen, rijpte in de rijke fantasie van Andreas van Marchiennes in de jaren 1190 het idee dat de voorouders van de eerste graven van Vlaanderen wel eens forestarii of bosgraven konden geweest zijn. Want een vorst kan niet zomaar uit het niets vanuit de mist der tijden op het wereldtoneel verschijnen:

"Onder het bewind van Karel de Kale vond het graafschap Vlaanderen zijn oorsprong. Vlaanderen was in die tijd niet zo groot van naam en faam, noch was het zo rijk als nu: het werd toen door forestiers (woudgraven) van de koning der Franken geregeerd. Van hen waren Liederik van Harelbeke, zijn zoon Ingelram, diens zoon Audacer, onder Pippijn, Karel de Grote en Lodewijk, de heersers van Vlaanderen, maar ze werden geen graven genoemd. Boudewijn met de Ijzeren Arm, zoon van Audacer, ontvoerde de weduwe Judith, dochter van Karel de Kale".

Comitatus Flandriarum, eo regnante, Sup Carolo Calvo, sumpsit exordium. Flandria enim, eo tempore, non erat tantis nominis, nec fama, nec etiam tam opulenta, sicut modo cernitur : Sed a Forestarijs Francorum Regis regebatur. Horum Lidericus Harlebeccensis, &Ingelrannus filius eius, & Audacer, Filius Ingelranni, sub Pipino, & Karolo Magno, & Ludovico, Rectores Flandriae fuerunt ; nec tamen Comites vocabantur.
Balduinus autem Ferreus, Filius Audacri, rapuit Iudith Viduam, Filiam Karoli Calvi (3).

En zo spon en spon zich het verhaal van Flandria generosa, het Edele Vlaanderen, ja, men vertelt dat de forestiers zelfs tegen de goddeloze Saracenen zouden gevochten hebben, maar dat verhaal is misschien voor een andere keer. Nu slaan we het boek dicht.

----------------
Zie voor een gedegen uiteenzetting over dit thema: V. Lambert, Oorsprongsmythen en nationale identiteit. De Forestiers van Vlaanderen, in: De Leiegouw, 2006, p. 189-246, en 2007, 97 e.v ; 163 e.v.; Zie ook E. De Maesschalck, De graven van Vlaanderen, 861-1384, 2012.
(1) Monumenta Germaniae Historica, Scriptores, dl. 9, p. 305 (=MGH, SS) (digitale uitgave).
(2) MGH, SS, 9, p. 308-309. (digitale uitgave). Het handschrift dat 'Flandria Generosa A' genoemd wordt (2de helft 12de eeuw) brengt hetzelfde verhaal, met een paar andere details, die hier niet terzake doen: MGH SS, dl.9, p. 317. (digitale uitgave)
(3) R. Beauchamps, Historiae Franco-Merovingicae synopsis, seu, Historia succincta de gestis et successione regum Francorum, 1633, p. 734-735 (digitale uitgave).

10:18 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

20-10-16

Ergotisme of het St.-Antoniusvuur in de 9de-10de eeuw

Annales Xantenses

 857 –Een grote plaag van gezwollen puisten verteerde de mensen door een afgrijselijke verrotting, zodat hun ledematen loskwamen en afvielen voor de dood. 

Plaga magna vesicarum turgentium grassatur in populo et detestabili eos putritudine consumpsit, ita ut membra dissoluta ante mortem deciderunt (1).

Flodoard van Reims

945 - In de streek van Parijs, en ook daarrond, werden de ledematen van de mensen door de plaag van het vuur getroffen; ze brandden geleidelijk op en werden verteerd, tot de dood eindelijk een einde maakte aan hun lijden. Sommigen van hen gingen naar verschillende heiligdommen en ontsnapten aan de kwellingen. Velen werden in Parijs in de kerk van de Heilige Maagd Maria genezen, ja, ze beweerden dat ze van deze plaag genezen werden, telkens ze daar naartoe gingen.

In pago Parisiacensi, necon etiam per diversos circumquaque, hominum diversa membra ignis plaga pervaduntur; quaeque [sensim] exusta consumebantur, donec mors tandem finiret supplicia. Quorum quidam, nonnulla sanctorum loca petentes, evasere tormenta; plures tamen Parisius in aecclesia sanctae Dei genitricis Mariae sanati sunt, adeo ut quotquot illo pervenire potuerint, assertantur ab hac peste salvati (2).

Ademar van Chabannes

994 -Op vreemde wijze werden de Aquitaniërs gekweld door het hevige vuur en kwamen daardoor om.

Mirum in modum ardenti igne cruciantur et periiuntur Aquitani (3).

994 -Onder zijn bewind woedde de plaag van het hevige vuur over de lichamen van de Aquitaniërs; meer dan 40.000 stierven aan die epidemie.

Hujus principatu plaga ignis super corpora Aquitanorum desaeviit et mortui sunt plus 40 millia hominum ab eadem pestilentia (4). 

994 -In die tijd woedde het pestilentieuze vuur over de Limousin: de lichamen van ontelbare mannen en vrouwen werden door een onzichtbaar vuur verteerd, en overal vervulde het geweeklaag de aarde...Alle bisschoppen van Aquitanië kwamen samen in Limoges, ook de lichamen en de relikwieën van de heiligen werden plechtig daarnaartoe gebracht. Het lichaam van St.-Martialis, de patroon van Gallië, werd uit zijn graf opgeheven, waardoor allen met een immense vreugde vervuld werden en overal hield de epidemie op.

His temporibus pestilentise ignis super Lemovicinos exarsit: corpora enim virorum et mulierum supra numerum invisibili igne depascebantur; et ubique planctus terram replebat. . . . Tunc omnes Aquitaniae Episcopi in unum Lemovicae congregati sunt: corpora quoque et reliquiae Sanctorum undecumque solemniter advectae sunt ibi; et corpus S. Martialis Patroni Galliae de sepulchro levatum est. Unde laetitia immensa omnes repleti sunt; et omnis infirmitas ubique cessavit (5).

------------ 

Een goede inleiding biedt Sint-Antoniusvuur. Voor gespecialiseerde informatie, zie Barger over ergotisme.
Over ergotisme in Brabant, meerbepaald in Oplinter, zie V. Coumans.

(1) Annales Xantenses, 857.
(2) Annalen van Flodoard, 945
(3) Ex Ms. Sangerm., in: Bouquet, X, 318.
(4) Ademar van Chabannes, St.-Martialis, in: Bouquet, X, 318.
(5) Kroniek van Ademar van Chabannes.

11:09 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

07-10-16

Hoe de nestelknoop of magische impotentie opheffen?

De Franse priester Jean-Baptiste Thiers (1636-1703), pastoor in het bisdom Chartres, heeft uitgebreid geschreven over de nestelknoop, het wijdverbreide bijgeloof in Frankrijk in de 16de en 17de eeuw, dat tovenaars tijdens de huwelijksplechtigheid door magische praktijken de man impotent en/of de vrouw onvruchtbaar konden maken. Zij die erdoor getroffen worden, zo schrijft hij, doen alles om ervan verlost te worden, of ze nu bij God of de Duivel te raad moeten gaan, het maakt hen niets uit.

De auteur vermeldt niet minder dan twintig tegenmiddelen, die geacht worden de vloek van de nestelknoop te kunnen opheffen(1):

1. Op de huwelijksdag twee hemden omgekeerd over elkaar heen dragen, en in de linkerhand een houten kruisje dragen, tijdens de huwelijkszegen.

2. Onder de voeten van de toekomstige echtgenote een ring plaatsen, hem zolang de huwelijksplechtigheid duurt, daar laten zitten, en hem er pas uithalen, wanneer zij op het punt staat naar het altaar te gaan.

3. Zeg fiat voluntas, voor zij die de nestelknoop ontvangen hebben door middel van deze drie woorden Ribald, Nobal & Vanorbi, en drie kruistekens bij elk van hen.

4. Wachten tot andere personen huwen, en terwijl de priester de ring over de vinger van de bruid schuift, de knoop doorsnijden en hem in het vuur werpen, of onder de voeten, zeggende Tibi soli, etc., en door dit middel zijn zij die voordien geknoopt waren, nu ontknoopt.

6. Laat de jonggehuwden helemaal naakt op de vloer of op de aarde liggen; laat de echtgenoot de grote teen van de linkervoet van de echtgenote kussen, en de echtgenote de grote teen van de linkervoet van de echtgenoot; laat hen met de hiel een kruisteken maken, en een ander kruisteken met hun handen; en laat hen bidden tot God, dat hij hen van de schadelijke toverij, waaronder ze lijden, mag verlossen.

7. Ontbied de pas gehuwden, vraag hen hun naam en voornaam, en vraag hen: Gelooft Gij niet dat wat de Duivel gedaan heeft, God ongedaan kan maken? Ze zullen antwoorden: ja. Zeg vervolgens tegen de pas gehuwde vrouw: Houdt Gij niet van uw man, hoewel hij niets voor u is? Ze zal antwoorden: ja. Neem vervolgens de ring die tijdens de huwelijksplechtigheid ingezegend is, en indien mogelijk, de veter waarmee de broek van de echtgenoot die dag geknoopt is, laat de echtgenoot en de echtgenote die veter elk aan het andere einde vasthouden, laat hen de veter knopen, terwijl ze hun vingers in de ring schuiven; snijd de knoop door, al zeggende: dat God ongedaan maakt wat de Duivel heeft gedaan, etc. Quod Deus conjunxit, homo non separet; de ring aan de andere hand en een andere vinger steken, gedurende drie dagen de echtgenoten verplichten om niet met elkaar te slapen, zich te onthouden van de huwelijksplicht, tot te God bidden, en hem te bedanken voor zijn gunsten.

8. Terwijl de pas gehuwden op het punt staan tijdens hun eerste huwelijksnacht samen te gaan slapen, laat hen op een papiertje schrijven Omnia ossa mea… en op een ander briefje Quis similis…leg het eerste briefje op de rechterdij van de echtgenoot, en het tweede op de linkerdij van de echtgenote.

12. Een ton witte wijn doorsteken, waarvan men nog niets getrokken heeft, en de wijn die er het eerst uitstroomt, door de ring laten stromen, die op de huwelijksdag aan de echtgenote gegeven is.

13. Pissen door het sleutelgat van de kerk waar men gehuwd is. Sommigen zeggen dat, opdat dit middel het verhoopte succes zou hebben, men drie of vier dagen ‘s morgens door het gat moet pissen. Mizauld zegt dat de echtgenoot door de ring moet pissen, die hij aan zijn echtgenote op de huwelijksdag gegeven heeft. Hij vermeldt als garantie drie geneesheren en een chirurgijn, die klaarblijkelijk niet beter dan hij onze religie kennen. Als de bruidegom door de huwelijksring pist, zo zegt hij, wordt hij van toverij en liefdesimpotentie verlost, die hem door schadelijke magie gebonden heeft.

14. Dat doen wat een Promotor van de kerkelijke rechtbank van Château-dun deed. Toen twee pas gehuwden hem kwamen zeggen dat ze betoverd waren, leidde hij hen naar zijn zolder, bond ze aan een paal, gezicht tegen gezicht, de paal tussen heb in; hij geselde hen verschillende keren met roeden; daarna maakte hij hen los, liet hen de hele nacht samen, gaf hen een brood van twee stuivers en een kruikje goede wijn, en sloot hen op met de sleutel in het slot. De volgende morgen om zes uur maakte hij de deur open, en hij vond hen gezond, kloek en als goede vrienden. Een pastoor van mijn vrienden, een verdienstelijk en bekwaam man, heeft mij meer dan één keer verzekerd, dat die Promotor, die hij heel goed kende, op die manier mensen genas, die erover kloegen dat hen de nestel geknoopt was.

15. Gedurende zeven dagen 's morgens bij zonsopgang, de rug naar de zon gekeerd, zekere niet-goedgekeurde gebeden bidden, die niet door de Kerk bedoeld waren voor het effect dat men ervan verwacht, d.i. het ontknopen van de nestelknoop. Dit is wat men een ‘ijdele praktijk’ noemt, een misbruik van sacrale zaken.

16. Met wolvenvet de plinten van de deur van het huis inwrijven, waarin de pas gehuwden samen gaan slapen.

18. Op nieuw perkament, voor zonsopgang, schrijven, en dit gedurende ….dagen herhalen, deze woorden Avigazirtor….

19. Een hoefijzer, dat men toevallig op zijn weg vond, op een zondag laten hersmeden tot een hooivork, onder het uitspreken van zekere woorden.

20. Drie keer Yemon zeggen op zekere tijdstippen, bij zonsopgang, en als het bij het ontwaken belooft een mooie dag te zullen worden.

----------

(1) J. B. THIERS, Traité des superstitions qui regardent les sacrements selon l' Ecriture Sainte, Parijs, 1704 (1ste uigave 1679), p. 584-590. Te raadplegen op Google Books. Over J.B. Thiers, zie François Lebrun, Traité de superstition.

11:51 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

03-10-16

Bijgeloof en magie in de vroege middeleeuwen: de Corrector van Burchard van Worms

De Corrector sive Medicus is het 19de boek van de Decretorum libri XX van bisschop Burchard van Worms (ca. 965-1025). De Corrector is een vroegmiddeleews boeteboek, een lijst van overtredingen van de religieuze en morele orde, en de opgelegde straffen, bv. zoveel dagen vasten op water en brood.

De Corrector is een zeer rijke bron over restanten van het heidendom, bijgeloof en magie in de vroege middeleeuwen. De auteur putte rijkelijk uit bestaande boeteboeken, zoals de Disciplina Ecclesiastica van Regino van Prüm (840/50-915). Hij ging echter zeer vrij om met zijn bronnen. Trouwens, meer in het algemeen, auteurs die het hadden over superstitio, bijgeloof en magie, schreven elkaar veelvuldig over (1). De oerbron, bij wijze van spreken, waren de preken van Caesarius van Arles (ca. 470-542). We moeten dus altijd kritisch zijn, wanneer we bijgelovige en/of magische praktijken vinden in middeleeuwse teksten. Mogelijk waren het topoi, stereotypen, die een heel lange traditie hadden in de christelijke literatuur. Of die opvattingen en praktijken werkelijk voorkwamen in de tijd waarin de auteur ze vermeldt, valt moeilijk na te gaan. Hoe concreter de beschrijvingen van praktijken, en zeker wanneer er Germaanse woorden gebruikt worden, hoe groter de kans dat ze in de werkelijkheid voorkwamen. Bij de Corrector van Burchard van Worms blijkt dat nogal mee te vallen: de beschrijvingen zijn zeer levendig, er komen Germaanse woorden in voor, zoals Holda (Vrouw Holle?). Niemand minder dan J. Grimm schreef in zijn Deutsche Mythologie:

"Vanwaar haalde Burchard dit ruime kapittel, 19,5?...De Germaanse woorden die erin voorkomen, "holda", "weerwolf", "belisa", zetten me ertoe aan te denken dat, hier meer dan elders, hij [Burchard] samenbrengt wat hij zelf weet over Germaans bijgeloof, samen met toevoegingen uit andere collecties" (2)

We geven hier een Nederlandse vertaling van een Engelse vertaling van relevante passages uit de Corrector door McNEIL en GAMER (3), waarbij we de Latijnse grondtekst voor WASSERSCHLEBEN, in het oog houden (4) . Vermits de straf of boetedoening ons hier minder interesseert, laten we die bij de vertaling achterwege.

Zie ook mijn bijdrage over Regino van Prüm (840/50-915), wiens canonieke verzameling één van de bronnen was voor de Corrector van Brchard van Worms.

60. Hebt jij magiërs geconsulteerd en ze in je huis binnengelaten, om magische kunstgrepen uit te voeren, of om ze af te weren? Of heb jij naar gewoonte van de heidenen waarzeggers uitgenodigd, die voor jou de toekomst voorspellen, om hen te vragen naar de dingen die zullen komen, als van een profeet, en van zij die het lot werpen, of beweren door het lot te werpen de toekomst te kunnen voorspellen, of zij die zich bezig houden met voortekens of bezweringen?

61. Heb jij de tradities van de heidenen nageleefd, die, als door erfrecht, met medewerking van de duivel, door vaders aan hun zoons worden nagelaten, zelfs tot op de dag van vandaag, namelijk, dat jij de elementen moet vereren, de maan of de zon of de baan van de sterren, de nieuwe maan of de maansverduistering, ; dat jij door jouw geschreeuw of jouw acties haar helderheid kunt herstellen, of dat die elementen jou kunnen helpen, of dat jij macht over hen zou hebben - of heb jij de nieuwe maan in acht genomen voor het bouwen van een huis of het sluiten van huwelijken?

63. Heb jij knopen gelegd, bezweringen en die verschillende betoveringen, die slechte mensen, varkenshoeders, ploegmannen, en soms jagers uitvoeren, terwijl ze diabolische formules uitspreken over brood, kruiden en zekere schandelijke linten, die ze ofwel in een boom verbergen, ofwel daar waar twee of drie wegen elkaar kruisen, om hun dieren of honden van ziekte of dood te beschermen, of die van een ander te vernietigen?

65. Heb jij geneeskundige kruiden verzameld, met kwade bezweringen, niet met het Credo en het gebed van de Heer, namelijk onder het zingen van 'credo in Deum' en de paternoster?

66. Ben jij om te bidden naar een andere plaats gegaan, dan de kerk of een religieuze plaats die jouw priester of bisschop heeft aangewezen, zoals bronnen, stenen of kruispunten, en heb jij daar in eerbied voor die plaats een kaars of een toorts aangestoken, daar brood of een ander offer meegenomen of gegeten, of heb jij daar verlichting van lichaam of geest gezocht?

67. Heb jij orakels gezocht in boeken of schrijftafeltjes, zoals velen gewoon zijn te doen, die beweren openbaringen te kunnen vinden in psalters of in de Evangeliën of in andere gelijkaardige plaatsen?

68. Heb jij ooit geloofd of deelgenomen aan dit bedrog, dat tovenaars en zij die zeggen dat ze onweders kunnen opwekken, in staat zijn door het aanroepen van demonen, onweders kunnen veroorzaken of de geest van mensen kunnen veranderen? 

69. Heb jij ooit geloofd in of deelgenomen aan die trouweloosheid, dat er een vrouw bestaat die door toverspreuken of bezweringen de geest van mensen kan veranderen, van haat naar liefde, of van liefde naar haat, of die door haar beheksing de goederen van mensen kan wegnemen.

70. Heb jij geloofd dat er een vrouw is, die kan doen wat sommigen, misleid door de duivel, beweren dat zij moeten doen, of uit noodzaak, of op diens bevel, namelijk met een zwerm van demonen, die getransformeerd zijn naar het beeld  van vrouwen (zij die de volkse dwaasheid de heks 'Hulda' noemt), op zekere dieren rijden in zekere nachten, en heb jij daaraan deelgenomen?

90. Heb jij geloofd of deelgenomen aan die trouweloosheid, die sommige kwaadaardige vrouwen geloven en bevestigen, teruggekeerd als ze zijn naar Satan, en verleid door illusies en spookgestalten van demonen? Dat zij samen met Diana, een godin van de heidenen, en samen met een ontelbare menigte van vrouwen, op dieren rijden en dat zij vele plaatsen van de aarde doorkruisen in de stilte van de rustige nacht, dat zij haar [van Diana] bevelen gehoorzamen, alsof zij hun meesteres was, en dat ze op bepaalde nachten geroepen worden om haar te dienen? Dat ze maar ten onder gaan in hun trouweloosheid, dat ze velen niet mogen meetrekken in de afgrond van hun illusies. Want een ontelbare menigte van mensen, misleid door deze valse overtuiging, geloven dat deze dingen waar zijn, en door dit te geloven, keren ze zich af van het ware geloof, en begaan de vergissing van de heidenen...

91. Heb jij deelgenomen aan dodenwakes, dit is, ben jij aanwezig geweest bij de wake over de lijken van de doden, waar de lichamen van christenen volgens een heidens ritueel  bewaakt worden; heb jij daar diabolische liederen gezongen en dansen uitgevoerd, die de heidenen hebben uitgevonden op influistering van de duivel?; heb jij daar gedronken en is jouw gelaat door lachen ontspannen, en heb jij alle medelijden en de emotie van liefdadigheid overboord gegooid, alsof jij je verheugt in de dood van een broeder?

92. Heb jij diabolische amuletten of diabolische tekens gemaakt, die sommigen gewoon zijn te maken, op influistering van de duivel, van kruiden of amber; of heb jij donderdag ter ere van Jupiter in ere gehouden?

94. Heb jij iets gegeten dat aan afgodsbeelden geofferd is, namelijk, de offergaven die op sommige plaatsen geplaatst worden op graven van de doden, of bij bronnen, of bij bomen, of bij kruispunten, of heb jij stenen gelegd op een steenhoop, of linten aan de kruisen die bij kruispunten geplaatst zijn?

96. Doden water

97.  Heb jij gedaan of toegestaan wat sommige mensen met een gedode man doen wanneer hij begraven wordt? Ze geven een bepaalde zalf in zijn hand, alsof de wonde door deze zalf na de dood kan geheeld worden, en zo begraven ze hem met deze zalf.

98. Heb jij bij het aanvangen van een taak iets gezegd bij middel van toverij of magie, en heb jij niet de naam van God aangeroepen?

99. Heb jij gedaan wat de heidenen deden, en nog steeds doen, op de eerste januari, zich verkleden als een hert of een rund?

101. Heb jij gedaan wat velen gewoon zijn te doen? Ze schrapen de plaats leeg, waar ze gewoonlijk in hun huis vuur aanmaken, leggen daar gerstkorrels op de warme plaats. Als de korrels wegspringen, zo geloven ze, dan dreigt er gevaar, maar als ze blijven liggen, dan zal alles goed verlopen.

102. Bezoek zieke persoon

103. Heb jij kleine boogjes, op jongens maat, en jongensschoenen gemaakt, en deze in jouw voorraadruimte of schuren geplaatst, zodat de satyrs of kobolden zich daarmee kunnen amuseren, met het doel dat ze jou de bezittingen van anderen brengen, waardoor jij rijk wordt?

104. Heb jij gedaan wat sommigen doen op de eerste januari (dat is de achtste dag na de Geboorte van de Heer) - zij die in die heilige nacht garen in een magische cirkel wikkelen, spinnen, zaaien: allen beginnen ze op influistering van de duivel elke taak die ze maar kunnen beginnen wegens het nieuwe jaar?

149. Heb jij geloofd wat sommigen gewoon zijn te geloven? Wanneer ze op een bepaalde dag een reis maken, en een kraai kraait van hun linker- naar hun rechterzijde, hopen ze daardoor een voorspoedige reis te maken. En wanneer ze zich zorgen maken om een slaapplaats, en die vogel, die ze de muisvanger noemen [een uil], omdat hij muizen vangt, en genoemd wordt naar wat hij vangt, voor hen vliegt, over de weg die ze bewandelen, vertrouwen ze meer op dit voorteken dan op God.

151. Heb jij geloofd, wat sommigen gewoon zijn te geloven, dat zij die gewoonlijk de schikgodinnen genoemd worden, bestaan, of dat zij kunnen doen wat men aan hen toeschrijft? Namelijk, dat zij voor elke nieuwgeborene naar believen hun leven kunnen bepalen, zodat de persoon, wat hij ook wil, kan veranderd worden in een wolf, die de volkse dwaasheid een weerwolf noemt?

152. Heb jij geloofd wat sommigen geloven, dat er wilde vrouwen bestaan, die de 'bosvrouwen' genoemd worden? Men zegt van hen dat ze een lichamelijke vorm hebben, en dat ze, als ze dat willen, zichzelf tonen aan hun minnaars. Men zegt dat, wanneer ze hun plezier met hen hebben gehad, als ze dat willen, weggaan en verdwijnen?

153. Heb jij gedaan wat sommige vrouwen gewoon zijn te doen op bepaalde tijdstippen van het jaar? Namelijk, heb jij de tafel in jouw huis gedekt en eten en drinken op jouw tafel gezet, met drie messen, zodat de drie zusters, die de vroegere generaties en de oude dwaasheid de schikgodinnen noemt, zodat ze zich daar kunnen verfrissen; en heb jij de macht en de naam van de Goddelijke Vroomheid ontnomen en hem overgeleverd aan de duivel?

170. Heb jij geloofd wat veel vrouwen, die zich tot Satan wenden, geloven en als waar aannemen, zoals jij gelooft in de stilte van de rustige nacht, wanneer jij naar bed bent gegaan, en jouw echtgenoot op jouw borst rust, dat, terwijl je een lichamelijke vorm hebt, je door gesloten deuren kunt gaan, en de ruimte van de wereld kunt doorkruisen, samen met anderen, die door dezelfde illusie misleid zijn; heb jij geloofd dat je met onzichtbare wapens personen kunt neerslaan, die gedoopt zijn en verlost door het bloed van Christus, dat je hun hun vlees kunt bereiden en opeten, en in de plaats van hun hart stro of hout of iets anders plaatsen, en wanneer ze opgegeten worden, hen opnieuw levend te maken en hen het eeuwig leven te geven? 

180. Heb jij gedaan wat sommige vrouwen op instigatie van de duivel doen? Wanneer een kind zonder de doop te hebben ontvangen, gestorven is, nemen ze het lichaam van de kleine, en brengen het naar een geheime plaats en doorboren het kleine lichaam met een staak, zeggende dat, als ze dit niet deden, het kleine kind zou heropstaan en veel onheil zou veroorzaken? [het geloof in de 'Undead' of vampieren].

181. Heb jij gedaan wat sommige vrouwen, ingeblazen door de stoutmoedigheid van de duivel, gewoon zijn te doen? Wanneer een vrouw een kind baart, en ze kan het niet, wanneer zij niet kan baren en ze sterft tijdens de barenspijn, dan doorboren ze de moeder en het kind in hetzelfde graf met een staak in de aarde. [het doorboren van lichamen na de dood, is dus niet alleen maar een fantasie van Bram Stoker en Dracula, maar kwam ook in West-Europa voor].

182. Heb jij gedaan wat sommige vrouwen gewoon zijn te doen? Wanneer een kind geboren wordt en onmiddellijk gedoopt wordt, en het sterft, en ze begraven het, dan geven ze het in de rechterhand een pateen uit was, en in de linkerhand een kelk uit was, met wijn, en zo begraven ze het. [De funeraire gebruiken van het heidendom werden gekenmerkt door grafgiften, het christendom was daartegen].

193. Heb jij gedaan wat sommige vrouwen gewoon zijn te doen? Ze kleden zich uit en smeren hun naakte lichaam met honig in, rollen hun met honig ingesmeerde lichaam heen en weer tussen tarwe op een linnen doek op de aarde. Dan verzamelen ze zorgvuldig de tarwekorrels die aan hun vochtige lichaam kleven, plaatsen die in een molen, en laten de molen achterwaarts draaien, tegen de zon in, en zo vermalen ze het tot meel. Ze bakken brood van dit meel en geven het aan hun echtgenoten om op te eten, zodat ze door het eten van dit brood zwak worden en wegkwijnen.

------------------------------------------

(1) Over deze problematiek, zie D. HARMENING, Superstitio : Überlieferungs- und theoriegeschichtliche Untersuchungen zur kirchlich-theologischen Aberglaubensliteratur des Mittelalters, Berlijn, 1979; R. KUNZEL, Heidendom, syncretisme en religieuze volkscultuur in de vroege middeleeuwen, in: Willibrord, zijn wereld en zijn werk, Nijmegen, 1990.
(2) Geciteerd in J. T. McNEILL en H.M. GAMER, Medieval Handbooks of Penance, 1990, p. 323.
(3) ID., o.c., p. 321-345.
(4) F.W.H WASSERSCHLEBEN, Die Bussordungen der abendsländischen Kirche nebst einder rechtsgeschichtlichen Einleitung, 1851. Te raadplegen op Google Books.

15:52 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |