30-11-16

Weduwe Vandevin, rijke brouwersweduwe uit Neerlinter

Paul Kempeneers heeft genealogische gegevens uit de 18de eeuw over de familie Vandevin uit Neerlinter gepubliceerd. De naam Vandevin was mij al bekend uit andere bronnen over Neerlinter, meerbepaald de gedwongen lening van het jaar IV

La Veuve Vandenvinne wordt in de lijst voor het kanton Zoutleeuw vermeld als landbouwster en brouwster in Neerlinter, met een geschat jaarlijks inkomen van 1000 livres. Ze behoorde daarmee tot de 13de klasse van de belastingsplichtigen in het kanton. Dit betekende dat ze heel rijk was, want de rjksten behoorden tot de 15de of de aparte 16de klasse.

La veuve Vandenvinne, cultivateur et brasseur, Neerlinter, 1000 livres,  13de klasse

Er is ook een aparte gemeentelijke lijst, die concretere informatie geeft:

-La veuve Vandenvinne, cultivateur et brasseuse, fortune apparente: 70.000 livres, produit annuel en apparence de leur industrie:  1500 livres, riche en argent, impot: 1000 livres

Ook in het laatste XXste penningcohier van het Ancien Regime komt Weduwe Anthoen Vandevin als brouwster voor (zie: De brouwers van Neerlinter rond 1795).

Wanneer we nu proberen deze Weduwe Vandevin proberen terug te vinden in de genealogie die Kempeneers heeft getranscribeerd, stuiten we alweer op het belangrijkste probleem voor genealogisch-biografisch onderzoek in het Ancien Regime: de moeilijkheid om een individu uniek te identificeren. 

Wie was eigenlijk Weduwe Vandevin, een rijke brouwersweduwe uit Neerlinter?

Maar goed, ik ga de lezer niet kwellen met mijn frustratie daaromtrent, en hem direct naar de meest waarschijnlijke conclusie leiden: ik neem aan dat weduwen in het Ancien Regime genoemd werden naar de naam van hun overleden echtgenoot. Het kon dus niet iemand zijn die van bij haar geboorte de naam Vandevin droeg.

Hoogstwaarschijnlijk is Weduwe Vandevin Anna Maria Aerts, geboren in 1720, die in 1746 huwde met Antonius Vandevin, geboren in 1710. Sterfdata van beide personen zijn niet bekend, maar Antonius Vandevin moet voor 1793 overleden zijn, vermits zij dan als weduwe vermeld wordt. In het jaar IV (1795/96), als ze door de Franse bezetter een aanslagbiljet van 1000 livres in haar bus krijgt, zou ze dus 76 jaar geweest zijn. Maar ze komt niet meer voor op de patentlijst van het jaar V (1796/97) voor Neerlinter, waarop nochtans veel brouwers voorkwamen.

Weduwe Vandevin = Anna Maria Aerts? Mysterie opgelost?

14:04 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

25-11-16

Sprinkhanenplaag in 873: 'tanden harder dan steen'

Annales Xantenses

873 - In het midden van de maand augustus kwam opnieuw de oude plaag van de Egyptenaren, namelijk een ontelbare zwerm sprinkhanen, in onze landen. Ze leken op bijen die uit  hun korf vlogen, kwamen uit het oosten, en maakten, terwijl ze in de lucht vlogen, het fijne geluid van kleine vogeltjes. En wanneer ze opstegen, kon men nauwelijks de hemel als door een zeef zien. In zeer veel plaatsen kwamen de pastoors van de kerken en de hele geestelijkheid hen met relikwieën en kruisen tegemoet, terwijl ze Gods erbarmen afsmeekten, dat hij deze plaag van hen zou afwenden. Niet overal echter, maar hier en daar richtten ze grote schade aan. 

Postea vero mediante mense Augusto antiqua Egiptiorum plaga, id est locustarum innumerabilis turma more apium de alevo exeuntium, ab oriente nova exorta est per terras nostras, quae in aere volitantes, vocem subtilem velut aviculi parvi dantes. Et dum elevarentur, caelum vix velut per cribram intueri potuit. In plerisque locis vero pastores ecclesiarum et omnis clerus cum kapsis et crucibus occurerunt eis misericordiam Dei implorantes, ut defenderet eos ab hac plaga. Non tamen ubique, sed per loca nocuerunt (1). 

Annales Fuldenses 

873 - Hetzelfde jaar was er een hevige hongersnood in heel Italië en Germanië, en velen stierven van honger. Ten tijde van de nieuwe oogst echter heeft een plaag van een gans nieuwe aard, die eerst onder de stammen der Franken zichtbaar werd, het Germaanse volk wegens zijn zonden niet weinig getroffen. Namelijk wormen, als sprinkhanen, met vier vleugels en zes poten, kwamen uit het Oosten en bedekten als sneeuw de ganse oppervlakte van het land, waar ze alle groen op akkers en weiden afvraten. Ze hadden een brede mond, een lange maag en twee tanden harder dan steen, waarmee ze de taaiste boomschors konden afknagen. Hun lengte en dikte was als die van een mannenvuist, hun aantal zo groot, dat ze bij Mainz in één uur 100 jugera afvraten. Wanneer ze echter vlogen, bedekten ze over de afstand van één mijl de hele lucht, zodat diegenen die op de aarde stonden, nauwelijks de stralen van de zon konden zien. Enige van hen sloeg men dood en het bleek dat ze volledige aren met graankorrels en baard in zich hadden. Als de enen naar het Westen weggevlogen waren, kwamen er nieuwe bij, en gedurende twee maanden boden ze bijna dagelijks aan de toeschouwers een verschrikkelijk schouwspel. In Italië, in de streek van Brescia, zo zegt men, heeft het drie dagen en nachten bloed uit de hemel geregend.

Eodem anno facta est fames valida per universam Italiam atque Germaniam, et multi inedia consumpti sunt. Tempore vero novarum frugum novi generis plaga et prima in gente Francorum visa Germanicum populum peccatis exigentibus non mediocriter afflixit. Nam vermes quasi locustae quattuor pennis volantes et sex pedes habentes ob oriente venerunt et universam superficiem terrae instar nivis operuerunt cuncta, quae in agris et in pratis erant viridia, devastantes. Erant autem ore lato et extenso intestino duosque habebent dentes lapide duriores, quibus tenacissimas arborum cortices corrodere valebant. Longitudo et grossitudo illarum quasi pollex viri ; tantaeque erant multitudinis, ut una hora diei centum jugera frugum prope urbem Mogantiam consumerent. Quando autem volabant, ita totum aerem per unius miliarii spatium velabant, ut splendor solis in terra positis vix apparet ; quarum nonnullae in diversis locis occisae spicas integras cum granis et aristis in se habuisse repertae sunt. Quibusdam vero ad occidentem profectis supervenerunt aliae, et per duorum mensium curricula pene cotidie suo volatu horribile cernentibus praebuere spectaculum. In Italia in pago Brixiensi tribus diebus et tribus noctibus de caelo pluisse narratur. (2)

Regino van Prüm

In het jaar van de Menswording van de Heer 873  kwam een ontelbare menigte van sprinkhanen in de maand augustus uit het Oosten, en ze verwoestten bijna geheel Gallië. Ze waren groter dan andere sprinkhanen, hadden zes paar vleugels, en, wonderlijk om te zeggen, ze vlogen door de lucht in afzonderlijke eenheden en, nadat ze op de grond geland waren, maakten ze hun kamp zoals divisies van een leger. Samen met enkele anderen, reisden de leiders één dag voor het leger uit, alsof ze geschikte plaatsen voor de legertros wilden uitzoeken. Rond het negende uur landden ze, daar waar de leiders de vorige dag geweest waren, en ze verplaatsten zich daarvandaan niet tot zonsopgang.  Dan stegen ze op in hun squadrons, zodat men geneigd was te denken dat die kleine wezens militaire discipline hadden. Ze deden zich tegoed aan de veldvruchten, die ze zodanig opvraten, dat het leek alsof ze door een immense storm verwoest waren. Eén dagreis van hen was ongeveer vier of vijf mijl. Het hele aardoppervlak bedekkend, kwamen ze tot aan de Britse zee, waartoe ze, bij Gods wil, door de hevige windvlagen werden geblazen, en waarin ze ondergedompeld werden, weggedragen in haar ruime uitgestrektheid. Het zieden en kolken van de oceaan dreef hen terug en vulde de stranden. Dusdanige stapels van hen werden opgehoopt, zodat die leken op bergtoppen. De lucht werd verpest door de stank en de verrotting, die een hevige plaag veroorzaakte, waardoor velen die in de omgeving woonden, omkwamen. 

locustarum inaestimabilis multitudo mense Augusto ob oriente veniens totam pene pervastavit Galliam. Quae maoires erant quam caeterae locustae habebantque sena alarum remigia, et mirum dictu, ut castrorum acies distinctis ordinibus per aera ferebantur vel terrae incumbentes castra metabantur. Duces cum paucis exercitum itinere unius diei preibant, quasi loca apta multitudini provisuri. Circa horam nonam, ubi duces pridie venerant, insidebant, nec a loco occupato movebantur, quousque  sol suum representaret ortum, tunc per turmas suas profiscebantur, ut in parvis animalibus desciplinam militarem cerneres. Sgetibus vescebantur, quae ab eis ita depastae sunt, ut veluti inmani tempestate consumptae veiderentur. Spatium diurni itineris quatuor aut quinque milibus etendebatur. Pervenerunt autem usque ad mare Brittanicum superficiem terrae cooperientes, in quo Deo volente violento ventorum flatu inpulsae atque in profundum absportate dimersae sunt.  Aestu vero atque refusione oceani reiecta littora maritima repleverung ; tantaque congeries facta est, ut ad instar montium cumulatae coacervarentur : e eearum foetore ac putretudine aer corruptus diram pestem finitimis generavit, ex qua multi perierunt (3).

 ----------------------
(1) Annales Xantenses, in MGH, SS, dl. 12, p. 33 (online).
(2) Annales Fuldenses, in MGH, SS, dl. 7, p. 79 (online).
(
3) Wereldkroniek van Regino van Prüm: in MGH, SS, Script. rer. Germ. dl, 50 p. 105 (online).

14:32 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

07-11-16

De mythische heren van Buc en de forestiers van Vlaanderen

Nicolaas Despars (1522-1597) gaf in zijn Cronijke van den lande ende graefscepe van Vlaenderen van de jaeren 405 tot 1492 (1) een wel heel uitgesponnen en fantaisistisch verhaal van de vroegste geschiedenis van Vlaanderen tot Boudewijn de Ijzeren (862-879), de eerste historisch aanwijsbare graaf van Vlaanderen. Zoals alle middeleeuwse en vroeg-moderne kroniekschrijvers schreef Despars vlijtig bestaande kronieken en historiën over. Meer nog, ze verfraaiden het verhaal, en voegden details toe, zeker voor de vroegste tijden.

Despars' Cronijke past in de handschriftenverzameling die men Flandria generosa C noemt, een uitgebreide kroniek over de graven van Vlaanderen. Die traditie bouwt verder op vroegere genealogieen en narratieven (2), maar voegt er steeds meer fabelachtige verhaalslijnen aan toe. Naast Liederik van Harelbeke, de zgn. eerste forestier van Vlaanderen, verschijnt nu ook Liederik van Buc ten tonele, in de Catalogus et Chronica principum Flandriae (3). De legende van Liederik van Buc en Vlaanderen als het Woud zonder genade werd in de 15de eeuw gecreëerd.

In 1531 verscheen in druk de Excellente Cronike van Vlaenderen. Het verhaal begint in 621 met Liederik van Lisle-lez-Buc. Er is ook een versie die in 580 begint (5). Maar Nicolaas Despars gaat nog verder en begint zijn geschiedenis van Vlaanderen in 405, met Amphigius, de eerste heer van Buc. (wordt vervolgd)

 

Heren van Buc

1. Amphigius, heer van het land van Buc

2. Karel de Schone, heer van het land van Buc

3. Falander, heer van het land van Buc

4. Flandbert, heer van het land van Buc

5. Raganier, heer van het land van Buc

6. Finaert, heer van het land van Buc 

De forestiers van Vlaanderen

7. Liederik van Rijsel, eerste forestier

8. Anthuenis, tweede forestier

9. Bosschaert, derde forestier

10. Estoreyt, vierder forestier

11. Liederik van Harelbeke, vijfde forestier

12. Ingelram, zesde forestier

13. Andoaker, 7de forestier 

De graven van Vlaanderen

14. Boudewijn de Ijzeren, eerste graaf van Vlaanderen

---------
(1) Nicolaas Despars, Cronijke van den lande ende graefscepe van Vlaenderen an de jaeren 405 tot 1492, uitgegeven door J. De Jonghe, Brugge, 1837 (Google Books).
(2) Zie mijn bijdrage Oorsprongsmythe van Vlaanderen
(3) Catalogus et Chronica principum Flandriae, uitgegven door J.-J. De Smet, Recueil des Chroniques de Flandre, dl. I, 1837, p. 19-33. Men vindt een vertaling van het begin van het verhaal in De Maesschalck, De graven van Vlaanderen 861-1384, Leuven 2012, 26-28.
(4) C.P. Serrure en Ph. Blommaert, Kronyk van Vlaenderen van 580 tot 1467, dl. 1, Gent, 1839.

09:57 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

04-11-16

Papen-ezels en Patriploden

We hebben ons al eens verlustigd aan 't Patriotieke en 't Paapse Proza  ten tijde van de Brabantse Revolutie (1789-1790).  Maar wat we lezen over de Belgieke Papen en Patriploden in de Excellente Print-Kronijk van Vlaanderen van Judocus Bottelgier (1) is, voorwaar, voor de lezer een aanmaning tegen 't klerikale geweld dezer tijden:

Die onbeschofte Kloosterlingen
zijn ware varkens zonder ringen. (p. 140)

Menig gekruinde kop
dient te hangen in een strop. (p.150)

Een Pater zei tegen zijn gebuur
Mijn keuken rookt door 't Vagevuur (p. 46)

Hier is het Vagevuur, een Papenlist
Want gaf het hen geen baat, gauw
was het uitgepist. (p. 90)

D' onnozel Kloten doen offranden,
Aan wie? Aan hun dwingelanden. (p. 85)

Hoe meer gezang, hoe meer geluid,
Hoe meer is des Papen buit. (p. 64)

God zendt naar 't Vagevuur de Patriplodse
zielen
Mits zij tegen zijn wet, hun medemens
vernielen. (p. 56)

-------------
(1) Dits die excellente Print-Cronike van Vlaenderen (1791) door Judocus Bottelgier (een pseudoniem van: Jean-Baptiste Vervier, Bernard Coppens en Charles-Louis Diericx). 

10:56 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |