17-12-17

Dode hand en keurmede in de 13de eeuw (abdij Villers)

De dode hand (manus mortua of mortua manus)) was oorspronkelijk het recht van de heer op de volledige of gedeeltelijke nalatenschap van de horige. Later werd dit recht gemilderd en nam het de vorm aan van het beste stuk uit de nalatenschap. Naargelang de streek werd dit genoemd: beste kateel (beste catheyl, meilleur catel, melius catallum, millieur kief), keurmede (cormede, curmeda), beste hoofd, hoofdstoel, hoogstoel, keuren, gichten, peerdskeuren, aflif, voorlijf...[0].

Het cijnsboek van de abdij van Villers in Waals-Brabant, dat ook bezittingen had in Brabant, Belgisch- en Nederlands-Limburg, geeft enkele mooie voorbeelden van de dode hand en de keurmede. Het cijnsboek werd in de jaren 1272-1274 opgesteld [a].

Er is in de medievistiek een heel erudiete discussie over persoonlijke onvrijheid, lijfeigenschap, horigheid, of hoe men het ook wil noemen. Daaraan zijn illustere namen verbonden, zoals die van Bloch, Verriest, Génicot en Duby, om de belangrijkste te noemen. We gaan daar in dit bestek niet op in, maar trachten aan te voelen wat deze bron ons zegt over deze problematiek.

In het cijnsboek van Villers zijn er onder de honderden tenures (=gronden, huizen, tuinen, etc., die van een heer gehouden werden), slechts enkele tientallen cijnsgoederen die de dode hand verschuldigd waren. Uit de formulering van de bron blijkt dat de dode hand niet op een persoon berustte, maar op specifieke goederen. Waarschijnlijk was de dode hand van een persoonlijke verplichting van de onderhorige geëvolueerd tot een reëel, d.i. een zakelijk recht van de heer, een soort erfdienstbaarheid, verbonden aan een welbepaald goed. Al wie die tenure hield, was verplicht de dode hand te geven, maar niet andere goederen. Dat de dode hand verbonden was aan bepaalde gronden, en niet aan een persoon, blijkt uit het feit dat sommige personen twee dode handen moesten geven. Men zou het zo niet uitdrukken, mocht de dode hand verbonden zijn aan de persoonlijke status van de tenurehouder. Ja, er wordt expliciet vermeld, dat persoon X voor de ene tenure een dode hand verplicht is, maar niet voor een andere tenure.

De hypothese is, maar dat kunnen we eigenlijk niet echt bewijzen, dat de dode hand aanvankelijk berustte op onvrijen, lijfeigenen, lieden met een serviele conditie, die een bepaald stuk grond uitbaatten, en dat die verplichting van de persoon op de grond is overgegaan, ook wanneer in de latere middeleeuwen lieden van vrije conditie die tenure uitbaatten. De rechtsevolutie moet er dus één geweest zijn van persoonlijke onvrijheid van de onderhorige naar een reëel of zakelijk recht van de heer op een stuk grond, ongeacht de juridische status van de tenurehouder [b] En in de late middeleeuwen was het onderscheid vrij/onvrij bijna volledig verdwenen, ook al bleven in sommige, geografisch beperkte streken -Henegouwen, Luxemburg, het Land van Aalst-, restanten van de vroegmiddeleeuws serviliteit bestaan.

Roosbeek[1]

Heineman dictus Bruder, 4 capones et 4 s. 1 d. minus, pro orto. Item 12 s. pro relevio sive escheantia, tempore relevii. Item pro mortua manu si quid inventum fuerit de eius possesione in curte sua quod montem aut vallem facere poterit, de eius animalibus melius animal recipiemus et habebimus, vel, si hoc defuerit, habebimus de eius suppellectili de domo sua id quod melius est[2]

Heineman genaamd Bruder, 4 kapuinen en 4 schellingen 1 (slechte?) denier, voor zijn tuin. Item 12 schellingen voor verhef, ten tijde van het verhef. Item voor de dode hand: als er iets gevonden wordt tussen zijn bezittingen op zijn hof, dat van waarde is (?), zullen wij het beste dier ontvangen en hebben, of, als dit er niet is, zullen wij het beste stuk uit zijn huisraad nemen.

Haren[3]

Margaretha Iacobi textoris 3 d. et 1 caponem in Nativitate pro orto suo, et idem ortus debet manum mortuam, que vulgo cormede vocatur[4]

Margaretha, vrouw van Jacob de wever, 3 denieren en 1 kapuin met Kerstmis, en diezelfde tuin is verplicht te geven een dode hand, die men in de volksmond keurmede noemt.

Iutha, dicta Bruna, 3 d. et 1 caponem pro domo et orto; et pro dicto orto et domo debet manuam mortam. Item debet dicta I(utha) de aliis bonis ibidem iacentibus, que non debent mortuam manum[5]

Iutha, genaamd de Bruine, 3 denieren en 1 kapuin voor haar huis en tuin; en voor het genaamde huis en tuin een dode hand. Item is de genaamde Iutha verschuldigd voor andere goederen op dezelfde plaats, die geen dode hand verschuldigd zijn.

Diepenbeek

Lambertus de pamputthe 12 d. et 6 capones in Nativitate et duas mortuas manus, que cormede dicuntur, pro duabus curtibus sitis ibidem[6]

Lambertus van Pamputte, 12 denieren en 6 kapuinen met Kerstmis, en twee dode handen, die keurmede genoemd worden, voor zijn twee hoven, die daar gelegen zijn.

Iuatha de Rake 8 d. et 2 capones in Nativitate et manum mortuam[7]

Iutha de Rake, 8 denieren en 2 kapuinen met Kerstmis en een dode hand

Heluwidis de Quakenbeke, relicta Reiniri textoris, 4 d. et 2 capones in Nativitate et manum mortuam pro domo et orto sitis apud Diren[8]

Heluwidis de Quakenbeke, weduwe van Renier de wever, 4 denieren en 2 kapuinen met Kerstmis en een doe hand voor haar huis en tuin, gelegen bij Diren

Domus theutonica manum mortuam, pro bonis Aleidis de Rode, 6 d. et 2 capones et manum mortuam pro bonis sitis apud Rake. Nomine dicte domus factus est manionarius Egidius de Grimdele.[9]

Het Duitse huis, een dode hand, voor de goederen van Aleidis de Rode en 2 kapuinen en een dode hand voor de goederen bij Rake. In naam van het genaamd huis werd de laat Egidius de Grimdele aangesteld (b)

Kraaiwinkel[10]

Albertus Deus 12 d. in festo S. Lamberto et 6 capones in Nativitate et unam mortuam manum, pro curte sua, in qua manet[11]

Gertrudis de Wackerrine 2 s. colonienses in die S. Lamberti et 2 capones in die S. Thomas pro domo et orto. Debet etiam ipsa G(ertrudis) cormedam vivam[12]

[0] Een goed algemeen overzicht over deze problematiek vindt men in Ph. Godding, Le droit privé dans les Pays-Bas méridionaux du 12e au 18e siècle, 1987.
[a] E. De Moreau en J. Goetstouwers, Le polyptique de l' abbaye de Villers, 1908, p. 371.
[b] Ook in het leenrecht deed zich die 'realisering' voor, d.i. de verschuiving van persoonlijke rechten/verplichtingen naar rechtenven plichten, verbonden aan een 'res', een zaak.
[1] Deelgemeente van Boutersem (Vlaams-Brabant)
[2]Moreau, p. 133, l. 16
[3] deelgemeente van Borgloon (Limburg)
[4] Moreau, p. 151, l.31
[5] Moreau, 152, l. 4
[6] Moreau, 349, l. 32
[7] Moreau, 350, l. 3.
[8] Moreau 350, l. 6
[9] Moreau; 350, l. 17.
(b) als sterfman?
[10] Nederlands-Limburg, ten zuiden van Sittard
[11] Moreau, 162, l. 32.
[12] Moreau, 163, l. 6.

13:41 Gepost door Hagelandia | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

Post een commentaar