16-09-09

Kwartier Leuven: administratieve indeling in 1570

Ook als men een dorp of een kleine gebiedsomschrijving in het hertogdom Brabant bestudeert, doet men er goed aan de grotere instellingen en structuren te kennen, waarbinnen dat dorp of de gebiedsomschrijving is ingebed. Belangrijk is een goed begrip van de territioriale omschrijvingen op gerechtelijk, fiscaal en bestuurlijk vlak. Zo weet je waar je bronnen moet zoeken. Zeker voor de middeleeuwen en ook nog voor de 16de eeuw zul je immers weinig bronnen op lokaal niveau aantreffen in het archief van de schepengriffie, en dien je je te behelpen met bronnen van een hiërarchisch hoger niveau.

Op gerechtelijk vlak was het Hageland onderverdeeld in de hoofdmeierijen Leuven en Tienen, waaronder ondergeschikte meierijen ressorteerden. Zo was de hoofdmeierij Tienen onderverdeeld in de ondermeierijen Kumtich, Geten, Halen en Zoutleeuw.

De fiscale en bestuurlijke onderverdeling sloot gedeeltelijk aan bij die gerechtelijke organisatie, maar week er ook van af. Vanaf de late middeleeuwen was het Kwartier het hoogste ressort op bestuurlijk en fiscaal vlak. Zo waren er bv. voor het Vlaamstalig gedeelte van het hertogdom de Kwartieren Antwerpen, Brussel en Leuven, die grosso modo overeenkomen met de latere provincies of arrondissementen. Binnen het Kwartier werd gedeeltelijk aangesloten bij de gerechtelijke ondermeieriijen, maar men maakte van de belangrijke heerlijkheden aparte administratieve entiteiten, de zgn. Landen en smalheren.

Hier geef ik de onderverdeling van het Kwartier Leuven rond 1570, zoals die naar voren komt uit de kohieren van de 100ste penning van de hertog van Alva. Die werden uitgegeven door STABEL en VERMEYLEN. We geven hier enkel de onderverdeling voor het Vlaamstalig gedeelte van het Kwartier Leuven.

Leuven en het Kwartier van Leuven

Leuven

Meierij van Heverlee : Heverlee, Oud-Heverlee en Eigenhoven, Vaalbeek, Bertem, Beisem, Assent, Buken, Blanden 

Meierij van Herent : Herent, Winksele, Veltem, Tildonk, Korbeek-Dijle, Neerijse

Meierij van Lubbeek: Lubbeek, Pellenberg, Korbeek-Lo, Lovenjoel, Dutsel, Sint-Pieters-Rode, Holsbeek, Kortijk-Dutsel, Linden, Loonbeek, Wilsele

Hertogdom van Aarschot: Aarschot, Langdorp, Rillaar, Betekom, Messelbroek, Testelt, Bierbeek, Hamme, Sint-Joris-Weert, Mille

Wezemaal: Wezemaal

Land van Sint-Agatha-Rode: Sint-Agatha-Rode, ottenburg, Nethen, Archennes

Land van Diest; Diest, Kaggevinne

Onder de smalheren van Diest:  Meerhout, Vorst, Hoeleden, Lummen

Land van Zichem: Zichem:  Tielt, Waanrode, Miskom, Bekkevoort, Houwaart, Nieuwrode, Molenbeek-Wersbeek

Tienen

Onder de smalheren van Tienen: Sint-Margriete-Houtem, Stok, Bunsbeek, Vissenaken-Sint-Martens

Meierij van Zoutleeuw: Zoutleeuw

Meierij van Halen: Halen, Sint-Joris-Winge, Kersbeek, Geetbets, Webbekom, Deurne, Kapellen, Zuurbeemde, Glabbeek, Meensel, Attenrode, Wever, Kiezegem, Kortenaken

Meierij van de Gete: Landen, Racour, Hakendover, Laar, Eliksem, Gussenhoven, Walsbets, Wommersom, Overhespen, Neerhespen, Wulversom, Overwinden, Neerwinden, Rumsdorp, Neerlanden, Waasmont, Dormaal, Opheylissem

Onder de smalheren van Geten: Neerheylissem, Waalhoeven, Goetsenhoven, Ezemaal, Wange

Meierij van Kumtich: Kumtich, Oorbeek, Willebringen, Vertrijk, Neervelp, Roosbeek, Vissenaken-Sint-Pieter, Binkom

Onder de smalheren van Kumtich: Boutersem, Butsel, Meldert, L' Ecluse, Kerkom, Opvelp, Oplinter, Neerlinter, Budingen, Molenstede

Bronnen

STABEL, P. en VERMEYLEN, F., Het fiscale vermogen in Brabant, Vlaanderen en in de heerlijkheid Mechelen: de Honderdste Penning van de hertog van Alva (1569-1572), Brussel, 1995, p. 62-70.

 

01-09-09

Grondbezit in de late middeleeuwen: algemene principes

De geest van de moderne mens is analytisch: wij delen graag alles in duidelijke categorieën en hokjes in. Die houding hebben wij ook als wij in het verleden het bezit van onze voorouders of het grondbezit in een dorp willen bestuderen. We zijn gewend aan de zeer concrete gegevens -tot op de are nauwkeurig-, die ons sinds het 19de-eeuwse kadaster ten dienste staan, en die ons weinig problemen opleveren. Wij gaan ook uit van het concept van absolute eigendom: het eigendomsrecht behoort toe aan één persoon, en aan niemand anders. Zo zit ons privaatrecht sinds het Burgerlijk Wetboek uit 1804 in elkaar.

Wij worden dan ook in verwarring gebracht, wannneer wij het grondbezit in het Ancien Régime willen bestuderen, met die wirwar van bezitsvormen. Leengoederen, feodale verhoudingen, domaniale rechten, cijnsgronden, heerlijke rechten, het is allemaal nogal verwarrend. Want wie is nu de 'echte' eigenaar van een stuk grond?

In 2008 verscheen een boek dat een verhelderend beeld schetst van de bezitsverhoudingen op het platteland in de omgeving van de handelsmetropool Antwerpen: Michael Limberger, Sixteenth-century Antwerp and its Rural Surroundings. Dit model kan op andere regio 's toegepast worden, met name op het Hageland.

Enige opmerkingen over de terminologie die ik hier gebruik: Het Nederlands bezit geen woord voor het Franse 'tenure', d.i. een stuk grond of een goed dat van een ander persoon wordt 'gehouden'. Een tenure kan een leengoed of een cijnsgoed zijn. Vermits dit woord goed uitdrukt dat het om een goed gaat waarop eigendom en gebruiksrecht aan verschillende personen behoren, nemen we het over. Ook worden de begrippen 'eigendom' en 'bezit' door elkaar gebruikt, omdat die in het Ancien Régime eigenlijk zinledig zijn. 

Net zoals in de rest van Europa, bezaten de vorst, de adel en de Kerk een groot deel van de grond. In de praktijk waren zij echter niet de feitelijke gebruikers van de grond. Zij gaven een groot deel daarvan uit in leen of in tenure, in ruil waarvoor zij een jaarlijkse betaling ontvingen van de houders daarvan. De tenurehouders hadden een aantal bezitsrechten, en konden beschikken over de grond die ze van een heer hielden: ze konden het verkopen, aan hun erfgenamen nalaten, hypotheceren of verhuren.

Het eigendomsconcept in de laat-middeleeuwse periode was niet zo strikt gedefinieerd als vandaag. Verschillende personen konden bezitsrechten uitoefenen op eenzelfde goed, in verschillende vormen, wat de situatie heel complex maakt. Bovendien was grondbezit ook ingebed in domaniale en feodale verhoudigingen. De 'heerlijkheid' in welke vorm ook, was het cement van de laat-middeleeuwse bezitsverhoudingen. De plaats die de verschillende partijen in dat domaniaal-feodaal of heerlijk netwerk innamen, bepaalde ook de status van de bezitter.

Grosso modo kunnen we op vlak van bezitsverhoudingen van twee groepen spreken. De eerste groep waren zij die aan de top van de hiërachie van grondbezitters stonden: de vorst, de adel, het stedelijk patriciaat, en de kerkelijke instellingen. De tweede groep waren zij die grond van de eerste groep in tenure hielden.

Zoals reeds gezegd, is ons hedendaags concept van eigendom niet van toepassing op de laat-middeleeuwse bezitsrelaties. In de middeleeuwen konden verschillende personen rechen hebben op één goed. Het middeleeuwse recht onderscheidde:

  • allodiaal of vrij bezit
  • leenbezit
  • cijnzen en erfpachten

Elk van die bezitsvormen hield voor de houder ervan een verschillende afhankelijkheid in ten opzichte van de vorst, de 'eigenaar' of heer. Naargelang van de status van zijn bezit, moest de houder successierechten en/of een jaarlijkse rente betalen, of gewoon de vererving en transacties van het goed laten registreren. Al deze bezitstypes kunnen niettemin als 'eigendom' in de moderne vorm beschouwd worden, zij het dan niet in de vorm van een absoluut eigendomsrecht. Allodiaal, leen- en cijnsgoed waren relatieve termen. Ze stonden in een hiërarchische relatie tot elkaar. Een leenman kon een stuk grond van de vorst in leen houden, en vervolgens dit in cijns uitgeven. Naargelang het perspectief is hetzelfde stuk grond nu eens leengoed, dan weer cijnsgoed.

Een allodium was de hoogste vorm van eigendom. Het was niet onderworpen aan enige vorm van betaling of successierechten. Het was ook niet gebonden aan enige registratie in een leen- of cijnshof. De beziter van een allodiaal goed was de vrije en soevereine eigenaar van zijn goed in de moderne betekenis. Zulke allodiale gronden kwamen nog maar weinig voor in de late middeleeuwen, omdat de bezitters daarvan ofwel hun gronden in leen hadden opgedragen aan de vorst of een andere heer, ofwel door hen daartoe gedwongen waren.

De houder van een leengoed was afhankelijk van de leenheer, ofwel de vorst, of één van zijn vazallen. Hij was niet gehouden tot een jaarlijkse betaling en hij kon zijn leengoed verkopen of hypotheceren, maar hij moest elke transactie laten registreren in het leenhof van zijn leenheer. Een nieuwe bezitter van een leengoed moest wel successie- of verheffingsrechen betalen aan het leenhof, waarvan hij zijn goed in leen hield. Aanvankelijk moest een leenman militaire diensten leveren als de leenheer daar om vroeg, maar die waren in de late middeleeuwen in onbruik geraakt, omdat de vorst nu vooral op huursoldaten een beroep deed.

De overgrote meerderheid van tenures aan de onderkant van de bezitspyramide waren cijnsgoederen. Deze tenures waren onderworpen aan jaarlijkse betalingen in geld of in natura. Bezitters van cijnsgoederen werden als quasi-eigenaars beschouwd in de 15de eeuw. Cijnshouders konden hun goederen nalaten aan hun erfgenamen, ze verkopen of hypotheceren. In theorie was de grond eigendom van feodale heren, maar in de praktijk hadden de cijnshouders het reële bezit. De waarde van in geld uitgedrukte cijnzen was immers ten gevolge van inflatie en muntontwaardingen dramatisch gedaald, zodat ze na verloop van tijd niet meer dan een symbolische betekenis hadden gekregen.

Hoewel deze verschillende bezitsvormen juridisch van elkaar verschilden, bezat de houder ervan het praktisch eigendomsrecht, of hij nu een allodaal, leengoed of cijnsgoed bezat. Dus, als we alleen de top van de hiërarchie zouden bekijken als de eigenlijke eigenaars, dan zouden we een onrealistisch beeld hebben, als zou een groot deel van de grond in handen zijn van de hertog, adel en clerus. Langs de andere kant, als we alleen de onderste kant van de pyramide zouden bekijken, de cijnshouders en pachters, die de gronden bewerkten, dan zouden we evenzeer een vals beeld hebben van de bezitsverhoudingen op het platteland. Daarom moeten we  kijken naar de verschillende niveau 's van grondbezit, en naar de relaties daartussen.

(moet nog aangevuld worden met heerlijke rechten en bronnen voor de diverse types van grondbezit)

Bronnen:

LIMBERGER, M., Sixteenth-century Antwerp and its Rural Surroundings, Turnhout, 2008.

Hoewel ik er hier geen gebruik van gemaakt heb, geeft rechtshistoricus Godding ook een heel goede beschrijving van de verschillende types bezitsverhoudingen in het Ancien Régime:

GODDING, Ph., Le droit foncier à Bruxelles au moyen âge, Brussel, 1960.

GODDING, Ph., Le droit privé dans les Pays-Bas méridionaux du 12e au18e siècle, Brussel, 1987.

29-08-09

Munten in Hagelandse cijnsboeken uit de 16de eeuw

Cijnsboeken uit het Ancien Régime zijn moeilijk toegankelijk voor lokale historici en genealogen. Niet alleen is er het moeilijk leesbare geschrift. Ook de talloze schrappingen en latere toevoegingen in een ander handschrift zijn niet bevorderlijk voor de leesbaarheid. Tenslotte zijn er de cryptische afkortingen en symbolen, waardoor men geneigd is die slordige kladboekjes -want zo komen ze over- terzijde te schuiven.

Dit is spijtig, want als men de moeite doet deze documenten te doorgronden, dan zijn cijnsboeken waardevolle bronnen voor de genealogie, de toponymie, de bezitsstructuur en de landbouwgeschiedenis.

Een cijnsboek is een lijst van cijnsplichtigen, die in ruil voor het gebruik van een stuk grond, aan een grondbezitter, een heer of een kerkelijke instelling een jaarlijke cijns dienden te betalen. Een cijns is een bedrag in geld of een levering in natura, bv. een bepaalde hoeveelheid haver, of in veel gevallen een aantal kapuinen -gesneden hanen-.

Cijnzen uitgedrukt in geld bleven eeuwen onveranderd. Door de geldontwaarding en de stijgende prijzen werd het inkomen uit cijnzen van de heer in reële termen na verloop van tijd alsmaar lager. En omgekeerd, de last die op de cijnsplichtige boeren drukte, werd lichter. Zodanig dat de cijnzen eerder een symbool werden van de oorspronkelijke afhankelijkheidsverhouding van de cijnsplichtigen ten aanzien van de grondheer.

Ook juridisch werd de cijnsplichtige tenslotte erkend als de bijna-volledige eigenaar van zijn cijnsgoed: hij kon het verkopen en met een rente belasten, maar hij moest dit wel laten registreren in het cijnshof van de heer. Een cijnshof of laathof was een rechtbank van de cijnsplichtigen van een grondheer, waarin alle transacties betreffende de cijnsgoederen werden geattesteerd, en waarin betwistingen rond cijnsgoederen werden beslecht.

Laten we ons hier met de gebruikte munten in cijnsboeken bezighouden. Volgende voorbeelden komen uit het cijnsboek uit 1589 van de Abdij Vrouwenpark voor goederen in Langdorp:

Pieter Dielis te voeren Wouter Sijne iii d(enieren) boon
van een pleck lants, daer een huijs plach op te staene, houdende omtrent 1 1/2 dach(mael)

Anthonis Scutters te voeren Pauwel Peeters xx sch(ellingen) pay(ment)
van huijs ende hoeve

Pieter Dielis moet 3 denieren boon betalen voor 1 1/2 dagmaal gond, d.i.  ongeveer een halve hectare. Anthonis Scutters is 20 schellingen payment verplicht voor een huis en hoeve. Wat betekenen die bedragen en munten? Belangrijk voor het begrijpen van het geld in het Ancien Régime is dat een gedbedrag dikwijls uit twee componenten bestaat: 1) de eenheid: ponden, schellingen en denieren -ook wel penningen genoemd- 2) de gebruikte muntsoort.

Sinds de Karolingers was het geld aldus onderverdeeld: 1 pond = 20 schellingen = 240 denieren, waarbij 1 schelling = 12 denieren. Die verhoudingen golden binnen elke muntsoort. Tot in de 13de eeuw was de denier de enige klinkende munt, die bij betalingen werd gebruikt. Schellingen en ponden waren boekhoudkundige veelvouden van de reële zilveren dienier, om grotere bedragen gemakkelijker te kunnen voorstellen.

Door de heropleving van de handel en het groeiende bestuursapparaat van de vorsten, kwam er een tekort aan geld. De vorsten begonnen dan maar het zilvergehalte van de munten te verlagen. Uit eenzelfde hoeveelheid zilver werden grotere hoeveelheden denieren geslagen, waardoor die een lager zilvergehalte hadden dan de reeds in omloop zijnde denieren.

Dit zette natuurlijk kwaad bloed bij de heren die van cijnzen en andere vaste inkomsten moesten leven. Want als een cijnsplichtige zeg maar drie denieren betaalde met gedevalueerde munstukken, die minder zilver bevatten, dan ging het inkomen van de heer in reële termen achteruit. Hertog Jan I wou aan deze situatie verhelpen. In 1291 bepaalde hij dat de cijnzen aan om het even welke grondheer in Brabant betaald moesten worden in nieuwe denieren, waarbij 3 oude denieren gelijk waren aan 4 oude denieren. 1 oude denier was dus 1,3 nieuwe denieren, of 1 nieuwe denier was 0,75 oude denieren.

Om de daaruit voortspruitende muntverwarring tegent te gaan, werden vanaf de late 13de eeuw adjectieven toegevoegd aan geldbedragen om uit te drukken of het om 'oud' of 'nieuw' geld gaat. Oud geld omschreef men bv. als bone et legalis monete. Men wil benadrukken dat het gaat om 'oud', 'wettelijk' of 'goed' geld. Wanneer men een contract sluit, dan willen de partijen zich beschermen tegen de gedevalueerde en bijgevolg slechte denieren. die meer en meer in de omloop belanden.

Binnen deze ontwikkeling past ons voorbeeld uit het cijnsboek van de Abdij Vrouwenpark uit 1589: een bedrag van 3 denieren boon. 'Boon' is de afkorting van bona moneta, goed geld. Geld van vroeger, dat meer zilver bevatte. Vermits cijnsbedragen eeuwenlang onveranderd blijven, kunnen we concluderen dat deze vercijnzing in de late 13de of vroege 14de eeuw moet gebeurd zijn, toen men zich zorgen begon te maken over de geldontwaarding.

De slechte, gedevalueerde munten werden vanaf het einde van de 13de eeuw uitgedrukt als parve monete. Hiermee wil men de gedevalueerde denieren aanduiden. Ook spreekt men van monete, communiter currentis in Brabatia of penningen paiments, alse altoes in borse gaen sal. Het 'payment' wordt vanaf de 14de eeuw een nieuw rekenmuntsysteem in Brabant, naast vele andere.

Hier komt ons tweede voorbeeld uit het cijnsboek van de Abdij Vrouwenpark uit 1589 op d proppen: Anthonis Scutters moet 20 schellingen payment betalen.  De vercijnsing moet dus ergens vanaf de  14de eeuw hebben plaatsgevonden, toen het payment in Brabant gebruikt werd om bedragen uit te drukken die betaald werden in 'lopend geld', geld dat door muntontwaardingen steeds meer van zijn oorspronkelijke waarde verloor, in tegenstelling tot 'goed geld'.

Als we ons beperken tot onze twee voorbeelden uit het cijnsboek van 1589, 3 denieren 'goed geld', en 20 schellingen payment, kunnen we dan nog achterhalen welke de waarde van die bedragen is? We zouden die oude bedragen moeten kunnen omrekenen naar geld uit die tijd, eind 16de eeuw dus. Gemakshalve maak ik gebruik van het oud cijnsboekje uit de 18de eeuw dat Jan Verbesselt heeft gevonden: Den schat der cheynsen, uitgegeven rond 1745. De auteur ging toen reeds te rade bij een oudere uitgave uit 1689, die op zijn beurt teruggreep op documenten uit de late 16de eeuw. De auteur schreef zijn boekje om tegemoet te komen aan de wensen van vele cijnsheffers, die reeds toen de diverse cijnzen en munten niet goed begrepen. Dus ook de tijdgenoten krabten zich dikwijls net als wij in hun haar bij die archaïsche geldbedragen.

 

Bronnen

Rijksarchief Leuven, Kerkarchief, nr. 9891, Cijnsboek van Abdij Vrouwenpark in Langdorp; 1589.

J.P. PEETERS, De financiën van de kleine en secundaire steden in Brabant vand e 12de tot het midden der 16de eeuw, Brussel, 1980, deel 3, p. 530-597.

J. VERBESSELT, Oude cijnzen, munten en maten, uitgegeven door VVF (overdruk uit Eigen Schoon en de Brabander, 1955)

 

27-08-09

De meierij Kumtich: gerechtelijke organisatie van het Hageland

Het gerechtelijk systeem, waarover de laatste tijd zoveel te doen is, hebben wij aan de Fransen te danken. Die veegden vanaf 1795 de eeuwenoude instellingen weg. Rationalisering en centralisering waren de boodschap.

Laten we ons in deze bijdrage beperken tot de strafrechteljk organisatie in het Hageland tijdens het Ancien Régime.  Aan de top daarvan stond de hoofdmeier van Tienen. Hij was de vertegenwoordiger van de hertog van Brabant en had als gerechtsofficier de taak om misdrijven te vervolgen en voor de bevoegde rechtbanken te brengen. Men kan de meier van Tienen vergelijken met de procureur-generaal binnen het rechtsgebied van het Hof van Beroep.

Onder de meier van Tienen waren er vier ondergeschikte meiers; de meiers van Zoutleeuw, Kumtich, Geten en Halen. Die hadden dezelfde functie als de hoofdmeier van Tienen, binnen hun eigen ressort. Men kan ze vergelijken met de procureur des Konings binnen een gerechtelijk arrondissement. De meier van Tienen was echter bevoegd voor de zwaarste misdrijven, die met de doodstraf of verminking bestraft werden (lijf ende lid).

Laten we eens meer in detail zo 'n ondergeschikte meierij bekijken, met name de meierij Kumtich. Dit ressort bevatte volgende dorpen: Kumtich, Hoksem, Oorbeek, Willebringen, Vertrijk, Neervelp, Molenstede, Roosbeek, Sint-Pieters-Vissenaken, Neerbutsel, Breisem, Bunsbeek, Sint-Emmelen-Vissenaken, Kerkom, Boutersem, Sluizen, Meldert, Budingen, Binkom, Hoeldeden, Oplinter, Neerlinter. Deze dorpen behoren tot de huidige fusiegemeenten Tienen, Boutersem, Glabbeek, Hoegaarden, Kortenaken en Diest.

Aan het eind van de middeleeuwen viel het grootste deel van deze dorpen en vlekken onder de directe rechtsmacht van de hertog. Volgende dorpen stonden onder het gezag van particuliere heren: Molenstede, Boutersem, Sluizen, Budingen, Hoeleden, Oplinter en Neerlinter. Zij werden de smalheren van Kumtich genoemd. In deze heerlijkheden hadden de heren de rechtsmacht, behalve voor de zwaarste misdrijven, die van lijf ende led, dat aan de hertog voorbehouden bleef.

In het gebied van de hertog waren er vier schepenbanken:

  • Kumtich: bevoegd voor Kumtich, Oorbeek, Willebringen, Honsem, Vertrijk, Neervelp, Roosbeek, Sint-Pieters-Vissenaken, Neerbutse en Breisem
  • Bunsbeek: bevoegd voor Bunsbeek, Sint-Emmelen-Vissenaken en Kerkom
  • Meldert: bevoegd voor Meldert
  • Binkom: bevoegd voor Binkom

Deze gerechterlijke situatie zou in de loop van de zestiende eeuw nogal dikwijls veranderen. De vorsten van de Bourgondisch-Habsburgse dynastie zaten omwille van hun eindeloze oorlogen dikwijls in geldnood. Ze waren genoodzaakt op allerlei manieren aan geld te komen. Eén van die manieren was het verpanden of verkopen van hun rechtsmacht in plattelandsdorpen. In 1505, onder Filips de Schone, werden volgende dorpen verpand aan particuliere heren: Willebringen, Vertrijk, Roosbeek en Sint-Pieters-Vissenaken. In 1550 werden deze dorpen gelost, dit wil zeggen dat ze opnieuw tot het vorstelijk domein terugkeerden.

Maar onder Filips II was er vanaf 1559 een nieuwe verpandingsgolf, zodat de meeste dorpen nu onder een dorpsheer vielen. Die verwierven in de meeste gevallen de hoge rechtsmacht, het recht om doodsvonnissen uit te spreken. Sommige heren verzamelden heerlijkheden, bv. de Baillets, heren van Neerlinter, Binkom, Roosbeek en Geetbets. Neerlinter was een oude middeleeuwse heerlijkheid met middelbare rechtsmacht, met uitzondering van doodsvonnissen. In 1557 verwierf Philippe de Baillet in pand de hoge rechtsmacht over Neerlinter. Ook de meierij Lubbeek werd door het kroondomein aan Baillet verpand. De zestiende-zeventiende eeuw was, meer algemeen gesproken, getuige van een uitverkoop van het vorstelijk domein op het platteland, zodat bijna elk dorp zijn eigen dorpsheer met hoge rechtsmacht had.

In de meierij Kumtich bleven vanaf de tweede helft van de 16de eeuw enkel volgende gemeenten tot het vorstelijk domein behoren: Kumtich, Oorbeek, Bunsbeek, Sint-Emmelen-Vissenaken, Kerkom.

In een volgende bijdrage zal ik het hebben over het eigenlijke strafprocesrecht en de bestrafte misdrijven. In de zestiende eeuw werd nog recht gesproken volgens het landcharter van de dertiende eeuw, dat onder hertog Jan I werd uitgevaardigd. Laten we nu al verklappen dat het in de plattelandsmeierij Kumtich hoofdzakelijk om de kleine geweldscriminaliteit ging: gevechten, messteken, slagen en verwondingen, caféruzies, beledigingen, etc... We kunnen heel wat leren over geweld in het verleden en hoe het gerecht daarmee omging.

Bronnen: Deze bijdrage is gebaseerd op de rekeningen van de meier van Kumtich, 1477-1562, bewaard in het Algemeen Rijksarchief Brussel, Rekenkamers, nr. 12621.