24-09-09

De boeren van Roosbeek in 1790-1792

Het opstellen van een sociale stratificatie van een dorp in de 18de eeuw is geen gemakkelijke opgave. Met sociale stratificatie bedoelt men het rangschikken van de dorpsbewoners volgens inkomen, rijkdom, welvaart. De onderzoeker kan wel aan de hand van bv. de volkstellingen van 1755 en het jaar IV (1796) een beroepsstructuur opstellen, zodat men weet hoeveel boeren, landarbeiders, ambachtslieden er zijn, en die in percentages uitdrukken. Maar dan nog weet men weinig over inkomen en rijkdom. Er waren immers rijke pachtboeren, naast kleine keuterboeren, en ook landarbeiders, herbergiers en ambachtslieden konden part-time een eigen landbouwbedrijfje hebben.

Daarom is het beter een beroep te doen op gegevens die de bevolking indelen naargelang het relatieve bezit van agrarische produktiemiddelen, vooral grond en vee. De fiscale tellingen van 1702 en 1747 geven belangrijke informatie over grondbezit en vee. Ook belastinglijsten, vooral de twintigste penning en dorpsbelastingen op het vee, de opeisingslijsten uit het jaar III (1794) van graan en vee zijn belangrijke bronnen. Maar omdat dit fiscale bronnen zijn is er altijd het gevaar van ontduiking en onderschatting. Dit is echter eigen aan fiscale bronnen, wij mogen niet hyperkritisch zijn, anders wordt elke poging tot het opstellen van een sociale stratificatie in onze dorpen in de kiem gesmoord.

Ook leveringen aan het leger kunnen gebruikt worden om de sociale hiërachie binnen een dorp vast te stellen. Hier bespreek ik zo 'n bron: de strotelling van maart 1792. De Staten van Brabant hielden toen een telling van het stro in de Brabantse dorpen, met het oog op levering daarvan aan het leger. Binnen de dorpen werden lijsten opgesteld met de hoeveelheden tarwe-, haver- en gerststro per inwoner. Deze telling kadert binnen de gespannen relatie tussen het revolutionaire Frankrijk en Oostenrijk. In april 1792 verklaarde Frankrijk de oorlog aan Oostenrijk. Deze strotelling is bewaard gebleven voor de meierijen Kumtich, Halen en Geten.

Hier geef ik de gegevens van deze strotelling voor Roosbeek (deelgemeente van Boutersem). Enkel de totalen worden weergegeven. De groepering in categproieën is ook van mijn hand.

Liste begrypende de opregte quantiteyt van Terwe, Coren, Haver en Gerste Stroey door ons Wethouderen van Roosbeek bevonden onder onse Jurisdictie, volgens Acte van locaele Visitatie door ons genomen den 10den meert 1792

boeren met meer dan 20.000 pond stro
Hendrick Monnoije (29.000), Franciscus Vranckx (20.000), Joannes Vranckx (20.000), Jacobus Dewael (20.000)

boeren met 10.000 - 20.000 pond stro
Weduwe Jan Van Haegendoren (11.700), Francis Van Weddingen, sone Jan (11.000), Francis Geens, molder (11.000), Hendrik Huts (10.500)

boeren met minder dan 10.000 pond stro
Lambertus Festraets (8.000), Hendrik Van Haegendoren (5.500), Francis Festraets (5.000), Lowies Lambrechts (3.600), Guilliam Van Weddingen (2.500), Hendrik Van Weddingen Linde (1.200)

Strobezit is een goede indicator voor veebezit. Er zijn in Roosbeek 14 dorpelingen met in totaal 159.000 pond stro. De strobezitters maken 20% uit van de mannelijke bevolking boven 12 jaar in 1784.

De vier grootste boeren van het dorp zijn Hendrik Monnoije, Franciscus Vranckx, Joannes Vranck en Jacobus Dewael, die in totaal 89.000 pond stro bezitten, d.i. 56% van de totale voorraad. Zijn al deze mensen 'boeren'? Men ziet bv. dat Francis Geens, met 11.000 pond stro, molenaar is. Er is ook een grote afstand tussen de grootste strobezitter Hendrick Monnoije (29.000 pond) en de kleinste strobezitter Hendrik van Weddingen (1.200 pond).  Zijn de kleinere strobezitters niet veeleer landarbeiders of ambachtslieden?

We kunnen deze mensen linken aan de ondertekenaars van de petitie 'Declaratie van de Belgique volkeren' uit 1790. We hebben ze allemaal kunnen terugvinden, op uitzondering van Jan Van Haegendoren die in 1790 nog leefde en in 1792 door zijn  zijn weduwe vertegenwoordigd wordt in de strotelling. Twee stroboeren (Hendrick Monnoije en Joannes Vranckx) zijn schepen in 1790. Van de veertien stroboeren kunnen er twee niet schrijven (Guilliam Van Weddingen en Hendrik Van Weddingen Linde). Dit betekent dat 86% van de stroboeren geletterd zijn. Dit is meer dan 64%, het globale alfabetisatieniveau van de ondertekenaars van de petitie.

Tenslotte, het feit dat al deze stroboeren de petitie van 1790 ondertekenen, betekent dat ze het conservatieve wereldbeeld van de Statisten delen, dat ze niet opgezet zijn met de nieuwlichterijen vand de democraten of de Vonckisten, die geassocieerd werden met de Franse Revolutie. Craeybeckx heeft wellicht gelijk als hij de Brabantse Revolutie als een conservatieve revolutie in een welvarend land bestempelde.

Bronnen

De srotelling uit 1792 voor Roosbeek vindt men in Rijksarchief Anderlecht, Staten van Brabant, Cartons, nr. 283/5 (meierij Kumtich). De petitie uit 1790 voor dezelfde gemeente is te vinden in hetzelfde fonds, nr. 147/19 (in de inventaris van B. Augustyn over de Staten van Brabant ten onrechte als Gaasbeek geïnventariseerd).

F. VANHEMELRYCK (ed.), Revolutie in Brabant 1787-1793, Brussel, 1990.

J. CRAEYBECKX, De Brabantse Omwenteling: een conservatieve opstand in een achterlijk land?, in: Tijdschrift voor Geschiedenis, t. 80; 1967, pp. 303-330.

 

 

20-09-09

Declaratie van de Belgike volkeren (1790)

De Brabantse Revolutie van 1789 had het Oostenrijkse regime ten val gebracht. Maar nu ontstond er een tegensteling tussen de progressieve en conservatieve krachten binnen de Belgische 'patriotten'. De zgn. Vonckisten of democraten wilden een volksvertegenwoordiging kiezen die heel wat democratischer zou zijn dan de oude gesceleroseerde Staten. De zgn. Statisten waren de partij van de gepriviligieerden, die een aantasting van hun prerogatieven vreesden.

De kerk speelde in deze conservatieve stroming een belangrijke rol. Nu vreesde ze de vermeende anti-religieuze intenties van de Vonckisten, die onder invloed stonden van de Franse Revolutie, waar de Nationale Vergadering de bezittingen en privilegies van de Kerk wilde aanpakken. De clerus allieerde zich met de gepriviligieerden en stelde haar enorme morele gezag over de bevolking ten dienste van de conservatieve stroming.

In januari en februari 1790 circuleerde in heel Brabant een petitie met de titel "Déclaration du peuple belgique". De tekst was heel reactionair en duidelijk gericht tegen de Vonckisten, die als verraders van het Vaderland werden bestempeld:

DECLARATIE VAN DE BELGIKE VOLKEREN

Wy ondergeschrevenen inwoonders van       in Brabant, verclaeren by dese dat onse intentie is ende altyt syn sal dat onse Heylige Religie ende Constitutie blyve in hun geheel soo als die van te voren geweest syn ende voor de welke wy ons bloet gestort hebben ende dat onse Heeren die dry Staeten onlangs geswooren hebben te onderhouden, verclaeren verders dat wy geene andere Representanten van de Volkeren en kennen ofte geene andere en begeiren als de dry leden der Staeten volgens onse Constitutie, dat sy voor ende in den naem van de Volkeren moeten bedryven de Souvereyne autorityt die ande Volkeren toe behoort ende dat de Volkeren hun toevetrouwt hebben dat wy diens volgens wel expresselyck protesteren tegens alle het gene men soude bedryven ofte willen bedryven aen onse Religie ende aen onse Constitutie contrarie, verclaeren veraders van het Land ende stoorters der gemeyne ruste alle ende igelyk die soude willen eenige veranderinge ofte nieuwigheden indringen t' sy in de Religie, t' sy in de Constitutie: versoeken de Heeren Staeten te willen vervolgen ofte doen vervolgen deze stoorters de gemeyne ruste.

Gedaen tot        den          1790

De Vonkisten klaagden aan dat de clerus achter dit maneuver zat. Inderdaad, uit sommige formulieren kan men afleiden dat het aartsbisdom achter deze petitie zat. Zo bv. voor Kumtich: "te bestellen in het aertsbisdom tot Malines", de petitie van Sint-Margriet-Houtem vermeldt: "te bestellen in het paleijs van den aertsbisschop tot Brussel".

De handtekeningen werden heel vlug verzameld en de petitie werd overgedragen aan de Staten van Brabant op 17 februari 1790. Volgens de conservatieve Statisten zouden er maar liefst 400.000 handtekeningen verzameld zijn. Andere bronnen spreken van 200.000 handtekeningen.

In het archief van de Staten van Brabant zijn de originele exemplaren van deze petitie voor sommige Brabantse dorpen bewaard gebleven, met handtekeningen. Spijtig genoeg zijn het er zo weinig. Volgens een raming zouden de exemplaren van slechts 17% van de dorpen bewaard zijn gebleven. Het kwartier Antwerpen is heel goed vertegenwoordigd. Er zijn er 15 voor het kwartier Tienen, waarvan 11 voor de meierij Kumtich: Attenrode, Bautersem, Bunsbeek, Butsel, Kumtich, Goetsenhoven, Sint-Margriete-Houtem, Kerkom, Neerheylissem, Neervelp, Opheylissem, Opvelp, Roosbeek, Tielt, Sint-Martens-Vissenaken, Sint-Pieters-Vissenaken. Er zijn weinig formulieren van belangrijke steden. De petitie had blijkbaar het meest succes in rurale regio 's, waar de clerurs nog een sterke greep had op haar onderhorigen.

Het aantal handtekeningen verschilt sterk van plaats tot plaats. In enkele parochies zijn het vooral de notabelen die tekenen: burgemeester, schepenen, pachters, molenaars, herbergiers, etc. Dit is het geval voor Attenrode, Goetsenhoven, Sint-Margriete-Houtem, Neervelp en Sint-Pieters-Vissenaken. 

Welk was de 'penetratiegraad' van deze enquête in de Tiense dorpen? Laten we ons beperken tot de mannelijke ondertekenaars. Als men het aantal mannelijke ondertekenaars in verhouding tot de mannelijke bevolking ouder dan 12 jaar uitzet, dan bekomen wij hetvolgende beeld:

Aantal ondertekenaars <25 %: Goedsenhoven (8%), Sint-Margriete-Houtem (10%), Kumtich (11 %); Kerkom (16%), Sint-Pieters-Vissenaken (20%) Attenrode (23%)

Aantal ondertekenaars tussen 25-50%: Bunsbeek (26%), Neervelp (26%), Sint-Martens-Vissenaken (26%), Bautersem (42%), Butsel (50%)

Aantal ondertekenaars > 50 %: Opheylissem (62%), Tielt (66%), Opvelp (68%), Neerheylissem (73%), Roosbeek (107%)

De dorpen zijn te klein om ons af te vragen of deze verschillen betekenisvol zijn. Ze tonen wel aan dat de lokale geestelijkheid erg succesvol was om hun parochianen deze petitie te laten ondertekenen, gemiddeld 40 % van de mannelijke bevolking ouder dan 12 jaar. Als men de dorpen waar enkel de notabelen ondertekenden (zie hoger) buiten beschouwing laten, dan stijgt dit tot bijna de helft (49%).

Het zou naief zijn om aan de ondertekenaars van deze petitie een al te groot politiek bewustzijn toe te schrijven. De Kerk had op het platteland nog een zeer grote macht over de mensen. Het is niet onwaarschijnlijk dat ongeletterde boeren en landarbeiders onder druk werden gezet om te tekenen.

De petitie laat ook toe de alfabetisatiegraad te onderzoeken, zij die konden schrijven tekenden met hun handtekening.  Zij die dit niet konden, tekenden met een kruisje. Als we de dorpen waar enkel de notabelen obdertekenden buiten beschouwng laten, alsook die dorpen waar er weinig mensen ondertekenden, dan is het percentage geletterden: Bautersem (73%), Roosbeek (63%), Bunsbeek (58%), Butsel (57%), Tielt (54%), Opvelp (47%), Opheylissem (36%), Neerheylissem (35%). Men ziet dat er in dorpen waar meer dan de helft van de mannelijke bevolking de petitie ondertekenden, er een lage geletterdheid is: Opvelp (68% ondertekenaars en 47% alfabetisme), Opheylissem (62% ondertekenaars en 36% alfabetisme) en Neerheylissem (73% ondertekenaars en 35% alfabetisme). Voor Neerheylissem en wellicht ook voor Opheylissem herkent men de zeer sterke invloed van de abdij van Heilissem.

Tot slot, als het u interesseert: als u voorouders in de besproken dorpen hebt, dan is de kans groot dat u uw voorouders tussen deze ondertekenaars van de petitie kunt terugvinden. Alvast een verhaal waarmee u uw familiegeschiedenis kunt verrijken.

Bronnen

De formulieren van deze petitie is terug te vinden in Rijksarchief Anderlecht, Staten van Brabant. Cartons, nr. 149.

SOENEN, M., Un élément d' information sur le taux d' alphabétisation en Brabant à la fin du XVIIIe s.: La Déclaration du Pëuple Belgique de janvier-février 1790, in: Miscellania Lucienne van Meerbeeck, 1991.

TASSIER, S., Les démocrates belges de 1789. Etude sur le Vonckisme et la révolution brabançonne, Brussel, 1931.