03-09-09

Rekenmunten in het 14de-eeuwse Brabant

In de late middeleeuwen waren veel verschillende munten in omloop: gouden en zilveren munten, munten met een laag gehalte aan edelmetaal, munten met een hoog gehalte aan edelmetaal, Vlaamse, Brabantse, Luikse, Franse munten, etc. Om al die munten tot één uniforme waardemeter te herleiden, gebruikte men een rekenmunt, een soort fictieve munt gebruikt in boekhoudingen en rekeningen.

Een goed voorbeeld om het concept rekenmunt beter te begrijpen, is de euro. Nu is dit een reële munt, maar voor haar introductie in 2000, was dit een rekenmunt, gebaseerd op de waarde van de verschillende Europese munten, zoals de Belgische frank, de Hollandse gulden, de Duitse mark, de Italiaanse lire, etc. Of omgekeerd, de Belgische frank, die niet meer bestaat, is voor de sommigen van ons nog een imaginaire rekenmunt, waarmee wij waarden in euro omrekenen.

In het 14de eeuwse Brabant werden twee soorten rekenmunten gebruikt:

  • rekenmunten die een vast gewicht aan goud of zilver voorstellen, waarbij men verwijst naar niet meer geslagen munstukken, waarvan gewicht en gehalte algemeen bekend zijn. Men noemt dit reknmunt type A.
  • rekenmunten die gebaseerd zijn op een nog bestaande munt, die van waarde kan veranderen, omdat gehalte en gewicht ervan wijzigingen kunnen ondergaan. Men noemt dit rekenmunt type B.

Algemeen gesproken, werden inkomsten die in nominale termen onveranderlijk bleven -zoals cijnzen-, in rekenmunten met een vast goud- of zilvergehalte uitgedrukt. Daarentegen werden inkomsten die jaarlijks konden veranderen, meestal in rekenmunt met een veranderlijk metalliek basisgewicht uitgedrukt.

Rekenmunten die een vast gewicht aan edelmetaal vertegenwoordigen (rekenmunten type A), zijn o. a.

  • de oude groot = een zware zilvermunt geslagen door de Franse koning Lodewijk IX de Heilige (1226-1270) . Die bevatte 4,22 gr. zilver en was juist gelijk aan 1 schelling tournois of 12 denieren tournois. Hij werd 'oude' groot genoemd om hem te onderscheiden van latere uitgiften van minder gewicht of minder gehalte
  • het oude schild = een gouden muntstuk, geslagen onder koning Filips VI van Frankrijk (1328-1350). Hij had een gewicht van 4,532 gr. fijn goud. Ook hij werd 'oud' schild genoem om hem te onderscheiden van nieuw aangemunte lichtere schilden. Het oude schild was 16 oude groten waard.
  • het pond lovensch, met zijn onderverdelingen schelling lovensch en penning lovensch. 1 penning lovensch = 1/9 oude groot.
  • het pond oud geld. De penning daarvan wordt in de Leuvense stadsrekeningen penning goed geld of oude cijns genoemd, met een waarde van 1/12 oude groot. In cijnsboeken weergegeven met de afkorting 'boon' van 'bonae monetae (goed geld), bv. 2 denieren boon.
  • de oude sterling of ingelsche; aanvankelijk was de sterling een sterke denier, in de 13de eeuw geslagen door de Engelse koning. Later werd de sterling ook in Brabant geslagen. Ook hier het adjectief 'oud' om he te onderscheiden van latere uitgiften met minder allooi. 1 sterling =1/3 oude groot, of 1 oude groot = 3 sterlingen.

Alleen bij rekenmunten die een onveranderlijk gehalte aan edel metaal vertegenwoordigen, zijn er vaste verhoudingen;

  • 1 oude groot = 1/16 oud schild
  • 1 oud schild = 16 oude groot 
  • 1 penning lovensch = 1/9 oude groot
  • 1 penning goed geld (1 denier boon) = 1/12 oude groot
  • 1 oude sterling = 1/3 oude groot

De oude groot en het oude schild waren aanvankelijk klinkende muntstukken. Vanaf het midden van de 14de eeuw werden ze niet meer aangemunt. Maar ze werden verder gebruikt als rekenmunten in boekhoudingen, cijnsboeken en andere documenten, dus als een rekenkundige grootheid waarin men de waarde van goederen, diensten en schulden uitdrukte.

Rekenmunten die gebaseerd waren op een reële, in omloop zijnde munt, die in waarde kon variëren, waren o.a. :

  • rekenmunten gebaseerd op gouden munten: de peter, de frank, de gulden, de nobel, de mottoen
  • rekenmunten gebaseerd op zilveren munten: het pond payment,  het pond Vlaamse groten, en het pond Brabantse groten

Het pond payment 

De basismunt van deze rekenmunt was de zilveren penning payment. Zijn Het pond payment kende de klassieke onderverdeling 1 pond payment = 20 schellingen payment = 240 penningen of denieren peyment, waarbij 1 schelling payment = 12 penningen/denieren peyment. Het payment werd in de boekhoudingen en rekeningen vooral gebruikt voor kleinere bedragen. Het payment was tegelijkertijd ruil- en rekengeld. het was vanaf 1337 het gewone dagelijkse geld van de Brabanders.

In de stadsrekeningen van Leuven werd de waarde van het payment uitgedrukt in termen van de oude groot, maar dan via een medium, een gouden munt: het oude schild, de  mottoen en tenslotte de Peter.

  • bv. op 4 augustus 1349 was 1 oud schild = 4 pond 1 schelling 6 denieren payment
  • bv. in juni 1369: 1 mottoen = 9 ponden 8 schellingen payment
  • bv. in augustus 1393: 1 Peter = 26 ponden 8 schellingen payment.

Het payment kende in de tweede helft van de 14de eeuw een pijlsnelle devaluatie. Dit blijkt uit de Leuvense stadsrekeningen, maar ook uit de rekeningen van de ontvanger van de domeinen van Tienen In 1370 was 1 oude groot = 24 s. 3 d. payment of 291 penningen payment. In 1400 was 1 oude groot = 60 s. payment. of 720 penninsgen payment. Of omgekeerd, zodat de  waardevermindering duidelijker naar voren komt. In 1370 was 1 schelling payment = 1/24 oude groot, en in 1400 nog maar 1/60.

Het pond Vlaamse of Brabantse groten

De groot is, zoals hoger gezegd, een zwaar zilverstuk, geslagen onder de Franse koning Lodewijk IX. Door de grote politieke invloed van de Franse koning, drong de groot in het geldwezen van onze gewesten binnen. De graaf van Vlaanderen en de hertog van Brabant begonnen weldra hun eigen groten te slaan, die aan de basis lagen van de rekenmunt pond Vlaamse groten en het pond Brabantse groten.

  • 1 pond Vlaamse groten = 20 schellingen Vlaamse groten =  240 penningen (of denieren) Vlaamse groten, waarbij 1 schelling Vlaamse groten = 12 penningen/denieren Vlaamse groten
  • 1 pond Brabantse groten = 20 schellingen Brabantse groten =  240 penningen (of denieren) Brabantse groten, waarbij 1 schelling = 12 penningen/denieren Brabantse groten

Weldra begonnen de graaf van Vlaanderen en de hertog van Brabant het zilvergehalte van de groot te verminderen, zodat er 'sterke', 'lichte', 'goede', 'nieuwe' groten in omloop waren. De verhoudingen tussen al die groten zijn te complex om die hier te bespreken. Laten we volstaan met te zeggen dat bv. tussen 1384 en 1390 volgende verhoudingen golden: 1 Vlaamse groot = 3 oude lichte Brabantse groten = 12 schellingen Brabants payment. Pas vanaf de munthervorming van hertog Filips de Goede in 1435 gold een vaste verhouding tussen de Vlaamse groot en de Brabantse groot: 1 Vlaamse groot = 1,5 Brabantse groten.

 

Bronnen:

De beste inleiding tot het moeilijke probleem van rekenmunten in de middeleeuwen vind je in: H. VAN DER WEE en J. MATTERNE, De muntpolitiek in Brabant tijdens de late middeleeuwen en bij de overgang naar de nieuwe tijd, in: VAN DEN EERENBEEMT, H.F.J.M., Bankieren in Brabant, Tilburg, 1987, p. 27-58.

Voor de muntgeschiedenis van het Hageland zijn de werken van VAN UYTVEN en PEETERS van groot belang:

VAN UYTVEN, R., Stadsfinanciën en stadsekonomie te Leuven van de XIIe tot het einde der XVIe eeuw, Brussel, 1961, p. 56-73.

J.P. PEETERS, De financiën van de kleine en secundaire steden in Brabant vand e 12de tot het midden der 16de eeuw, Brussel, 1980, deel 3, p. 530-597.

CAMERLINCKX, F., en HOLEMANS, F., Het cijnsboek van de heren van Aarschot 1368-1375, 1993.

VAN CAUWENBERGHE, E., Het vorstelijk domein en de overheidsfinanciën in de Nederlanden (15de en 16de eeuw), Brussel, 1982.

21:06 Gepost door Hagelandia in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: geld, tienen, hageland, munten, brabant, muntgeschiedenis |  Facebook |

01-09-09

Het geld in de rekeningen van de meier van Kumtich

Wanneer men een rekening van een instelling uit het Ancien Régime bestudeert, dan wordt men overmijdelijk met het probleem van de gebruikte munteenheden geconfronteerd. Men dient een inzicht te krijgen in die problematiek, wil men geen verkeerde conclusies trekken uit de vermelde geldbedragen. Laten we eens kijken hoe geldsommen in de rekeningen van de meier van Kumtich worden uitgedrukt, en welke de gebruikte munten zijn.

In de aanhef van de rekening, beschrijft de meier welke munten gebruikt worden: ...welcke reckening gemaict is in diverse munten, die alle gevalueert zijn in ponden schellingen ende penningen groten brabants gelts, te weten den zilveren penninck geheeten stuver voir iii d(enieren) gro(ten) ende alle anderen munten naer die gelande gereekent...

Men moet dit als volgt voorstellen: de veroordeelde betaalde zijn boete met munten, die in het reële leven circuleerden. In dit geval met zilveren stuivers, die sinds de 15de eeuw in omloop waren. Zoals hoger vermeld, was de stuiver 3 penningen -of denieren- groten waard. De groot was in de 15de en 16de eeuw de basis van het rekenmuntsysteem in Brabant. Met rekenmunt bedoelt men een systeem van geldverhoudingen, al dan niet gebaseerd op een reële munt, waarmee verschillende munten tot één uniforme waardemeter konden herleid worden. In dit geval het rekensysteem van ponden, schellingen en denieren Brabantse groten, steeds volgens de eeuwenoude verhouding 1 pond Brabantse groten = 20 schellingen Brabantse groten, en 1 schelling Brabantse groten = 12 denieren Brabantse groten.

Als de meier bv. een boete van 6 stuivers oplegde, dan werd dit volgens de equivalentie 1 stuiver = 3 denieren Brabantse groten, in de rekening genoteerd als 1 schelling 6 denieren Brabantse groten (of 18 denieren, waarbij 1 schelling = 12 denieren).

Vanaf de jaren 1530 werd de Carolusgulden, die 20 stuivers waard was als munteenheid vermeld:...welcken rekening gemaickt is in diverse munten, te weten den gouden carolusgulden tot xx stuvers, den philippusgulden tot xxv stuvers, den stuver voer iii groten brabants...De Karolusgulden was een nieuwe gouden munt, die door Keizer Karel V in 1526 geslagen was. Hij lag aan de basis van een nieuw rekenmuntsysteem, dat van gulden-stuivers, dat vanaf de late 16de eeuw, het oude rekenmuntsysteem van ponden-schellingen-denieren zou vervangen. Maar nu nog werden bedragen in gulden en stuivers omgerekend naar schellingen en denieren Brabantse groten. Soms werd een boete ook betaald met Rijnsguldens.

De boetes werden volgens een uniform tarief geheven, bv. 20, 25 of 30 schellingen. Die zijn blijkbaar gebaseerd op het landcharter of rurale keure voor het Kwartier Leuven uit de 13de eeuw. In 1291 had hertog Jan I een keure uitgegeven, waarin het strafrecht voor het platteland was gecodificeerd, voor de ammanie Brussel, het schoutschap Antwerpen en het ressort van Nijvel. Ik heb dit landcharter voor het Kwartier Leuven tot nu toe niet teruggevonden. In de rekeningen van de meier van Kumtich wordt voor Bunsbeek, Kumtich, Kerkom en Meldert vermeld dat recht werd gesproken volgens het landcharter. Zo bv. zegt men voor Bunsbeek: ...alle keuren en broeken useert men te nemene nae den lantzarten, den ouden groten des coninx Lodewychs munten voer IX d.

Het landcharter stamt uit de 13de eeuw, en de boetes worden daarin uitgedrukt in ponden, schellingen en denieren lovensch. Die geldbedragen bleven nominaal dezelfde, terwijl de reële munten in zilverwaarde verminderen en dus minder waard werden. De denier lovensch werd een gestolde waarde, die geklonken werd aan de oude groot van de Franse koning Lodewijk IX. De Franse groot was een zwaardere zilvermunt dan de in omloop zijnde denieren. De groot lag aan de basis van de rekenmunt ponden tournois, die door het groot prestige van de Franse koning ook in onze gewesten gebruikt werd. Het pond tournois werd later ook het pond oude groten genoemd. Daarmee werd verwezen naar oud geld, goed geld met een hoge zilverwaarde, temidden van de muntdevaluaties van de 14de en 15de eeuw. De denier lovensch was onveranderlijk 1/9 oude groot.

Zo moet dit begrepen worden: den ouden groten des coninx Lodewychs munten voer IX d. : er gaan 9 denieren lovensch in de oud groot, of omgekeerd: 1 denier lovensch = 1/9 oude groot. De vermelding van de oude groot dient om te zeggen dat de denier lovensch, waarin de boetes worden uitgedrukt, een gestolde munt is, een rekenmunt type A in de terminologie van Hans Van Werveke, met een vast zilvergehalte. De veroordeelde betaalde zijn boete niet met denieren lovensch (die niet meer in omloop waren), maar met zilveren stuivers, die vervolgens boekhoudkundig werden omgerekend naar de rekenmunt in denieren Brabantse groten. Dit om aan te tonen hoe ingewikkeld de muntgeschiedenis van de late middeleeuwen en de vroege Nieuwe Tijd is.

Bronnen

Algemeen Rijksarchief Brussel, Rekenkamer, nr. 12621, Rekeningen van de meier van Kumtich.