20-03-10

Doodsbedreigingen aan de kantonscommissaris van Zoutleeuw

Hoewel de Boerenkrijgers op 5 december 1798 bij Hasselt vernietigend verslagen waren door de Franse troepen, bleef nog lange tijd een verzetshaard smeulen in het Hageland. Geen spectaculaire feiten, maar schermutselingen, uitdagen en afdreigen van republikeinen, kat- en muisspelletjes met de Franse troepen.

Hier beschrijft commissaris Coenen van Zoutleeuw éen van die incidenten op 14-15 december. Hij overdrijft sommige dingen, om zichzelf in een beter daglicht te plaatsen. Zo schrijft hij dat hij zich in de voorhoede van de Franse troepen bevindt (ja, ik ben ijverig en moedig).

Hij zegt dat de brigands alle Franse ambtenaren die in hun handen vallen vermoorden. Dat is niet waar. Bij mijn weten was dit tijdens de Boerenkrijg zeer uitzonderlijk. Er werden wel geïsoleerde moorden bedreven door boerenkrijgers, maar die mogen niet veralgemeend worden. Dit behoort natuurlijk tot de Franse propaganda en is altijd aanwezig in een oorlogssituatie, het demoniseren van de tegenstander. Ook de Boerenkrijgers deden dit natuurlijk.

Hoewel de boerenkrijgers Coenen expliciet bedreigen in een affiche op zijn deur, schrijft hij dat hij daardoor niet bang gemaakt wordt. Dit is natuurlijk een flagrante loochening van zijn eigen gedrag, vermits hij naar Tienen vlucht. Trouwens, bij elk optreden van de brigands, kiest de commissaris van het Directoire vliegensvlug het hazenpad. Hij schrijft zelf aan zijn superieur dat hij voor de zesde maal moet vluchten. Dit getuigt niet bepaald van moedig gedrag, en dat zullen ze in Brussel ook wel geweten hebben.

Verslag van Coenen, kantonscommissaris van Zoutleeuw aan Mallarmé, commissaris van het Dijledepartement, 26 frimaire jaar 7 (16 december 1798)

In mijn brief van 13 december, Burger, heb ik u aangekondigd dat de Brigands zich in het Hageland verzamelen. Deze pest heeft reeds 's anderendaags (14 december) toegeslagen, als ze ten getale van 400 opgedaagd zijn in Geetbets. Ik werd daarvan op de hoogte gebracht door de adjunct van die gemeente, waarna ik mij spoorslags naar Tienen begaf om generaal La Croix te waarschuwen, die alle voorzorgsmaatregelen nam, 

Op 15 december zijn we om 8 uur 's morgens met een voldoende grote macht vertrokken. Ik behoorde tot de voorhoede, begeleid door een officier en een jager te paard. Toen we in Zoutleeuw aankwamen, vonden we alle deuren en vensters gesloten. Alen die doorgaan voor republikeinen, waren weggevlucht. Ik doe navraag en klaarblijkelijk zijn de Brigands reeds in Budingen. Wanneer de hoofdmacht arriveert, maken ze onmiddellijk mars naar die plaats. Ze sturen op de rechter- en linkerflank troepen. De rechterflank die door de Sint-Truidense Poort trok, werd aangevallen door de Brigands, ter hoogte van Ossenberg voor Zoutleeuw. De Brigands trokken zich terug in de bossen van Duras, die de troepen vervolgens doorzochten. Intussen hadden de Brigands via Wilderen de vlucht genomen naar Hallemael in het Departement Nedermaas, kanton Montenaken. De Franse troepen hebben gelogeerd voor Zoutleeuw om de volgende dag naar Tienen te vertrekken. 

U kan gemakkelijk zien, Burger, dat ik voor de zesde maal mijn domicilie met mijn familie moet verlaten. Ik kan nauwelijks twee dagen bij mij thuis blijven, of de helse bende duikt weer op en verplicht mij te vluchten, met achterlating van de gewapende macht. Ik kan mij onmogelijk in mijn kanton vestigen, zonder omringd te zijn door de gewapende macht. Op het moment waarop ik u schrijf, heeft elke gezagsdrager zijn woonplaats verlaten, vermits de Brigands zich op verschillende plaatsen in mijn kanton bevinden. Hun plan is huiveringwekkend: ze fusilleren elke functionaris die in hun handen valt. Vooral ik ben bedreigd omdat ze zeggen dat ik tot drie maal toe aan het hoofd heb gestaan van de troepen die hen opjagen. Ze hebben zelfs op mijn deur volgende inscriptie aangeplakt:

"Zolang er een Brabantse patriot bestaat, zal er geen genade bestaan voor meneer Coenen, die zich met de titel van burger commissaris du Directoire exécutif tooit. Bij zijn dood zal elk republikanisme verdwijnen in het eerbare kanton van Zoutleeuw."

Deze affiche heeft me helemaal geen angst aangejaagd, maar het voorbeeld van de moorden die ze bedrijven, heeft me ertoe aangezet om mijn domicilie in Tienen te vestigen. Ik ben ervan overtuigd dat, als men troepen in de vier kantons van Zoutleeuw, Glabbeek, Bautersem en Scherpenheuvel zou onderbrengen, binnen de maand het brigandisme volledig beëindigd zou zijn.

Groeten en broederljkeheid,

Coenen

Bronnen

Rijksarchief Anderlecht, Dijledepartement, nr. (nog op te zoeken)

De boerenkrijgers persen de agent van Geetbets af

We hebben reeds gesproken over de Boerenkrijg in het kanton Zoutleeuw: Boerenkrijg in het kanton Zoutleeuw. Hoe de brigands eind november 1798 na hun nederlaag bij Diest afdropen naar de dorpen rond Zoutleeuw, waar ze zich hergroepeerden om naar het departement Nedermaas (Limburg) op te rukken. Ze gedroegen zich driest en bedreigden republikeinse gezagsdragers. Coenen, de kantonscommisaris van Zoutleeuw, voelde zich machteloos, omdat hij te weinig troepen had. Hij was gevlucht naar Tienen omdat hij zich niet veilig voelde.

Op 2 december ontving de municipale agent van Geetbets een afpersingsbrief van de brigans, waarin deze de betaling van 500 gulden eisten. Deze brief werd overgemaakt aan commissaris Coenen, die hem liet vertalen en overmaken naar Brussel.

Kopie van de requisisite door de commandant van de baanstropers aan de municipale agent van Geetbets

Wij bevelen aan de agent van de gemeente Geetbets, om zeven uur vandaag 500 gulden te komen betalen, die u zal overhandigen aan de schatmeester, die gelogeerd is bij Baas Arnauts, waarvan u behoorlijk kwijtschrift zal bezorgd worden bij order van de comandant van het vaderlandse volk. In geval van niet-betaling tegen die tijd, zal men u als rebel beschouwen en uw verdiende straf ondergaan ...Geresolveerd in het hoofdkwartier in Geetbets.

2 december 1798, ondertekend door de commandant, Van Haesendonck.

28-11-09

Veetelling Roosbeek in 1795

Tabelle van t' getal der peerden, veulens, koeijen, runderen, ossen, kalveren, vaeren (sic), verkens, boven de 6 maanden en onder, schaepen, oeijen, lammeren, sich bevindende in de gemeijnte van Roosbeek 

Henr. Monnoij, 3 paarden, 1 veulen, 9 koeien, 4 runderen, 3 kalveren, 1 vaars, 4 varkens > 6 maand, 6 varkens < 6 maand

Joannes Vranckx, 4 paarden, 1 veulen, 4 koeien, 4 runderen, 1 kalf, 5 varkens > 6 maand

Jacobus Vranckx, 3 paarden, 6 koeien, 2 ossen, 2 varkens > 6 maand, 5 varkens < 6 maand

Jacobus Dewael, 3 paarden, 1 veulen, 5 koeien, 3 runderen, 1 varken > 6 maand, 5 varkens < 6 maand

Henr. Huts sone arnoldi, 2 paarden, 1 veulen, 3 koeien, 1 rund, 1 kalf, 2 varkens > 6 maand, 4 varkens < 6 maand

Francis Geens, 2 paarden, 1 veulen, 4 koeien, 3 runderen, 3 varkens < 6 maand

Hieronimus Geens 4 koeien, 1 rund, 1 varken > 6 maand, 2 varkens < 6 maand

Guilliam vanweddingen, 1 paard, 1 veulen, 3 koeien, 2 runderen

Franc. Vanweddingen, 1 paard, 1 veulen, 3 koeien, 1 os, 1 kalf

Petrus Wera, 1 paard, 1 veul, 3 koeien, 1 rund, 1 kalf

Jan Dons, 1 paard, 1 veulen, 2 koeien, 1 rund, 1 kalf

Francis vanweddingen, 2 koeien, 2 runderen, 2 kalveren

Lamb. Festraets, 2 paarden, 3 koeien, 1 rund

Louis Lambrechts 3 koeien, 1 rund, 2 kalveren

Petrus Geens, 1 paard, 3 koeien, 1 rund, 1 kalf

Theodor Dewit, 2 koeien, 2 runderen, 1 varken < 6 maand

Henr. Vanweddingen, 1 veulen, 3 koeien, 1 kalf

Joannes Pans, 2 koeien, 1 kalf, 2 varkens < 6 maand

Adr. Serv. Desi?, 2 koeien, 1 rund, 1 varken < 6 maand

Petrus Janssens, 1 koe, 1 rund, 1 kalf, 1 varken < 6 maand

Petrus Vandecauter, 2 koeien, 1 kalf, 1 varken < 6 maand

Jac:Vrancx Sen.(ior), 2 koeien, 1 rund, 1 varken < 6 maand

Henr. Vanhaegendoren, 2 koeien, 1 rund, 1 kalf

Petrus de Coster, 2 koeien, 1 kalf

Franc Festraets, 1 koe, 1 rund, 1 varken < 6 maand

Wed. Guill. Lauers, 2 koeien, 1 rund

Arn. Geusens, 2 koeien, 1 rund

 Guill. Cauwenberghs, 2 koeien, 1 rund

Albert vandecauter, 2 koeien, 1 kalf

Petrus Huts,  2 koeien, 1 rund

Joannes Boon,  1 koe, 1 kalf, 1 varken < 6 maand

Henr. Huts, 1 koe, 1 rund, 1 varken < 6 maand

Gilis Laermans, 1 paard, 1 koe

Petrus Michiels, 1 koe, 1 rund

Jan van Sevenbergen, 2 koeien

Wed. Jacob Vanderstucken, 1 koe, 1 rund

Theodor Laermans, 2 koeien

Joannes den Abt, 1 koe, 1 kalf

Hier. Noë, 2 varkens < 6 maand

Daniel Duwaerts, 1 koe, 1 kalf

Henr. Wartel, 1 koe

Wed. Joannes Vandeput, 1 koe

Joannes Laermans, 1 koe

Wed. Lambert Coenen, 1 koe

Arn. Olivier, 1 koe

Franc. vandebossche, 1 koe

Guill. Hauteques, 1 varken < 6 maand

Nicolaus Dewit, 1 koe

Hier. Geusens, 1 koe

Judocus Swinnen, 1 koe

Maria Theresia Laurens

Peeter Peeters

Urbanus Ruisson(Buisson, Huisson?)

Aldus gedaen opgenomen ende verclaert voor die bovengenoemde persoonen coram die wethouderen van roosbeeck hac 10 januari voors. 1795, onderteekent L.D. Laurens dross(aert), Hendrick Monnoije, Lambertus Festraets, Peeter Wera en Francis Huts

Bronnen

Algemeen Rijksarchief, Administration Centrale et Supérieure de la Belgique, nr. 712, Graan- en veetelling Roosbeek, jaar III (op microfilm)

25-11-09

Verkiezingen in Budingen tijdens het keizerrijk

In 1799 kwam Napoleon aan de macht en kwam een einde aan het Directoire. Het hele verkiezingssysteem werd grondig veranderd. De grondwet van het jaar VIII (1799-1800) werd in onze gewesten van kracht. Door het senatus-consulte van het jaar X werden weer wijzigingen in het kiesssysteem aangebracht. Er was een getrapt kiessysteem, en op de laagste trap gold een quasi-algemeen stemrecht. De vergaderingen van de stemgerechtigde burgers vormden de assemblées cantonnales. Deze mochten de leden van de arrondissementele en departementale kiescolleges aanduiden. Deze stelden op hun beurt kandidaten voor voor het Tribunaat en het Corps législatif (de kamers van het parlement in Parijs) en de arrondissementele en departementale bestuursorganen. De gemeentelijke bestuurders daarentegen (maire, adjoint en gemeenteraadsleden) werden niet meer verkozen, maar benoemd door het staatshoofd of de prefect.

De kiezerslijsten uit de Napoleontische tijd zijn voor het Dijledepartement bewaard gebleven. Bij wijze van voorbeeld geef ik hier de documenten die ik heb gevonden m.b.t. de verkiezingen van 1810 in Budingen. De verkiezingen vonden in elk dorp van het kanton plaats (in de zgn. assemblée sectionnaire per dorp, de plaatselijke afdeling van de assemblée cantonnale). Er zijn vier kiezerslijsten:

  • voor het departementale kiescollege: le 1er scrutin pour le collège éléctoral du département. Designation de votans qui sont venus déposer leurs bulletins dans la section de Budingen de l' Assemblée cantonale du canton de Léau, Arrondissement de Louvain, Département de la Dyle
  • voor het arrondissementele kiescollege: le 1er scrutin pour le collège éléctoral d' arrondissement. Designation de votans, etc.
  • voor de vrederechters: le 1er scrutin pour la nomination des candidats pour les functions de juge de paix. Designation de votans, etc.
  • voor de bijzitters van de vrederechters: le 1er scrutin pour la nomination des candidats pour les functions de suppléans de juge de paix. Designation de votans, etc. 

Op elke kieslijst staan de namen van de kiezers die hun stem hebben uitgebracht. Opvallend is dat er in Budingen slechts 9 kiezers zijn voor de departementale en arrondissementele kiescolleges, tegenover 52 kiezers voor de vrederechters en hun bijzitters. Getuigt dit van desinteresse in hoofde van de kiezers van Budingen ten overstaan van het bestuur van departement en arrondissement? Of waren de kieslijsten gekuist door de sous-préfet, die krachtens de wet van 1806 de kieslijsten moest goedkeuren? En daarbij lokale tegenstanders van het regime uit de kiezerslijsten weerde? Het veel grotere aantal kiezers voor de vrederechters zou dan kunnen toegeschreven worden aan het redelijk a-politieke karakter van deze functie. Ook zou het kunnen dat de Budingse kiezers veel gemotiveerder waren om de vrederechters te kiezen, omdat die een directe impact hadden op hun concrete leven.

De kieslijsten uit het keizerrijk zijn al wat rijker dan de registres civiques uit het Directoire. Men vindt nu ook het beroep van de kiezers. Voor Budingen en andere plattelandsgemeenten waren het vooral cultivateurs en journaliers. Zeer interessant zijn aanwijzingen over het (an)alfabetisme. De gegevens van de kiezers die niet konden schrijven, werden genoteerd door een lid van het kiesbureau (noms des membres du bureau qui ont écrit pour les votans hors d' état de le faire). In Neerlinter bv. waren er op 81 kiezers niet minder dan 50 analfabeten, d.i. 60%!

Bronnen

Rijksarchief Anderlecht, Dijleprefectuur. Portefeuilles, nr. 898, Verkiezingen 1810, kanton Zoutleeuw

Bronnen voor de studie van het hedendaagse België, Brussel, 1999, p. 81-82.

De incompetente agent municipal van Kerkom

Op 1 oktober 1795 werden de Zuidelijke Nederlanden administratief geannexeerd bij de Franse republiek. Vanaf  6 december werden alle Franse wetten, alsook de grondwet van het jaar III van kracht verklaard. Kleinere gemeenten met minder dan 5000 inwoners werden tot kantons samengevoegd en onder een kantonsvoorzitter geplaatst. Voor de streek Tienen-Zoutleeuw waren dat de minicipale kantons Zoutleeuw en Glabbeek. In elke gemeente kwam er een agent municipal en een adjoint. Pas op 21 maart 1797 konden de Zuidelijke Nederlanden voor het eerst hun ambtenaren verkiezen. Tot op dat ogenblik werden ambtenaren door de Franse commissarissen benoemd.

Het was voor het regime natuurlijk niet gemakkelijk om competente bestuurders voor de gemeenten te vinden. Het Franse bewind was niet populair, de functies waren niet bezoldigd, en alle administratie gebeurde in het Frans. Dikswijls moesten lokale bestuurders ontslagen worden, omdat ze niet voldeden of passief verzet pleegden. In Kerkom bv. werd agent municipal Wera in 1796 vervangen omdat die niet competent was: citoyen Wera...a donné sa démission comme administreur, asmatique, fort incommode, ne savant lire ni écrire. Natuurlijk gaat het om de gekleurde visie van de Fransen. Kon agent municipal Wera werkelijk niet lezen en schrijven, of verstond hij geen Frans, of deed hij maar alsof, om er tussenuit te knijpen? 

Bronnen

 Rijksarchief Anderlecht, Dijledepartement, 3035,  Ambtenaren kanton Glabbeek

 

15-10-09

Gedwongen lening jaar IV in Kerkom

In Juli 1794 versloegen de Franse revolutionaire troepen het Oostenrijkse leger bij Fleurus. Dit was het begin van de tweede bezetting van onze gewesten door de Fransen. Deze stond in schril contrast met de eerste bezetting in 1792-1793. Toen beschouwden de Fransen onder leiding van generaal Dumouriez zich als bevrijders, die de democratische gedachte in de Nederlanden kwamen verspreiden. Deze keer beschouwden de Fransen zich als bezetters, die tot taak hadden onze gewesten leeg te zuigen ten voordele van de Franse oorlogseconomie.

Ze onderwierpen de bevolking aan zware oorlogsheffingen en belastingen in allerlei vormen, zoals invordering van graan, paarden en vee, schoeisel, arbeidskrachten en kunstwerken. De Fransen waren minutieuze boekhouders, die alles bijhielden wat er gebeurde, tot in de kleinste dorpen toe. We hebben lijsten van de gedwongen lening van het jaar IV voor elke gemeente van Brabant, waaruit we hier de gegevens voor Kerkom geven, gedateerd op 29 pluviose IV (18 februari 1796):

Jean Wera:  municipaal agent 'ad interim' (d.i. in afwachting van de verkiezingen), landbouwer, deels met eigen grond, deels met pachtgrond, Zijn vermogen wordt geraamd op 2500 pond, zijn inkomen op 500 pond. Hij werkt mee aan de opeisingen en draagt bij door middel van wagens en logementen.

Jean de Villers: adjunct-municipaal agent ad interim, zijn vermogen wordt geschat op 4000 pond. Bij geraamd inkomen staan twee getallen: 480 en 200 pond. Misschien is die 200 pond het bedrag van de opeising. Hij heeft een grote familie en voldoet aan de opeisingen.

Pierre Van Parijs: landbouwer met pacht- en eigen grond, geraamd vermogen: 4000 pond, inkomen: 600 pond (50 pond als opeising?). Hij heeft een grote familie en draagt bij aan de opeising door middel van karren.

Jacques Van Elderen, père: landbouwer, geraamd vermogen: 3200 pond, geraamd inkomen: 400 pond (100 pond opeising?). Hij voldoet aan de opeisingen.

Le citoyen Cleijnens: pastoor, leeft van zijn pastoorsvergoeding van 100 pond. Hij kan bijdragen aan de republiek.

Zoals uit de tekst blijkt, droegen de aangeslagenen grotendeels bij in natura: het leveren van transportdiensten met karren en de inkwartiering van soldaten.

De bedragen in pond zijn waarschijnlijk uitgedrukt in het Franse pond tournois, terwijl men tot dantoe in de Oostenrijkse Nederlanden de Brabantse gulden gebruikte. De verhouding was 49 gulden voor 90 pond tournois. Later werd het pond tournois vervangen door de decimale frank, die 5 gram zilver bevatte.

Drie personen kwamenwe reeds tegen in de strotelling van 1792 voor Kerkom: Jacobus/Jacques Wera (25.500 pond stro), de grootste landbouwer van Kerkom, Petrus/Pierre Van Parijs (17.000 pond), en Joannes/Jean de Villers (14.400 pond).

 

Bronnen

Rijksarchief Anderlecht, Dijledepartement, nr. 1347, Gedwongen lening kanton Glabbeek
Vrijheid gelijkheid of de dood. 1 oktober 1795. Brussl op een keerpunt, Brussel, 1995.

25-09-09

De brouwers van Neerlinter rond 1795

De telling van het jaar IV (1796) is een heel belangrijke bron voor de beroepsstructuur van onze dorpen op het eind van de 18de eeuw. Maar als men deze telling vergelijkt met andere tellingen uit dezelfde periode, dan ontdekt men soms anomalieën, die ons ervoor moeten hoeden om niet onkritisch van deze telling gebruik te maken.

Zo bv. zijn in de telling van het jaar IV voor Neerlinter geen brouwers te vinden. Men zou daaruit de verkeerde conclusie kunnen trekken dat deze belangrijke agrarische nijverheid in dit dorp niet aanwezig was. Dat er wel degelijk brouwers in Neerlinter waren, blijkt uit de kohieren van de patentbelasting van het jaar V (1796/97). De patentbelasting was een belasting op ambachtelijke en commerciële activiteiten, door de Fransen ingevoerd. In het kohier van Neerlinter zijn maar liefst 12 brouwers en 10 herbergiers terug te vinden. Er zijn ook cohieren uit het jaar VI en VII.

12 brasseurs: L. Pulinckx, J.A. Arnauts, Pierre Michiels, G. Kemerlinkckx, L. Kemerlinckx, la veuve Claes, Ch. Struijs, Henri Moens, Michiels, Lambert Pulinckx, L. Leenaers, M. Vugghelen

10 cabaretiers: Jean Moens, Jean Govens, Jean François, Jean Delvaux, Guillaume Aelen, George Reniers, Mahaut, Guillaume Coninckx, Jean Vaes, Pierre François

We kunnen daaruit leren dat grote boeren naast hun landbouwbedrijf ook dikwijls als nevenberoep een brouwerij uitbaatten. Het brouwbedrijf is sterk verweven met de landbouw, en alleen kapitaalkrachtigen zoals grote boeren konden een brouwerij uitbaten. We kunnen er ook uit leren dat men in de mate van het mogelijke niet op één bron mag steunen, maar zoveel mogelijk andere bronnen moet raadplegen, om de informatie samen te leggen en te synthetiseren.

Ook in de laatste 20ste penning-belasting van het Ancien Régime in Neerlinter, uit 1793, vinden we veel brouwers, stokers en tappers terug:

11 brouwers: Adriaen Michiels, Christiaen Struijs, Weduwe Anthoen Vandevin, Weduwe Guiliam Claes, Geeraert Kemerlinckx, Germanus Van Vuchelen, Jan Matthijs Pulinckx, Joannes Antoinius Arnauts, Joannes Robertus Arnauts, Lambert Pulinckx, Sr. M. Van Vuchelen.

3 stokers: Guilliam Van Bael, Joannes Antonius Arnauts, Libertus Kemerlinckx sone L.

14 tappers: Caspar Van Roelen, Weduwe Pierre Matthues, Foliaen Lamberts, Gillis Tossaint, Guilliam Viegen, Hendrik Jordens, Hendrik Moens, Jan François, Jan Pulinckx, Joris Mertens, Joris Reniers, Librecht Lenaerts, Peter Joannes Govaerts, Wouter Draelants

Men herkent veel dezelfde families van boeren-brouwers in het 20ste penningkohier uit 1793 en het kohier van de patentbelasting uit het jaar V, o.a. de Arnauts'en, de Kemerlinckx'en en de Pulinckx'en, die tot de grootste boerenfamilies van Neerlinter behoorden. Joannes Antonius Arnauts is één van de hoogst aangeslagenen in de gedwongen lening van het jaar IV, met een fortune apparente van 30.000 gulden en een produit annuel en apparence de leur industrie van 1.000 gulden. Ook weduwe Anthoen Vandevin, cultivatrice et brasseuse , met een vermoedelijk fortuin van 40.000 gulden en een geschat jaarlijks inkomen van 1.500 gulden, behoort tot de rijkste inwoners van Neerlinter.

In het algemeen is het vergelijken van persoonsgegevens uit verschillende bronnen een redelijk zenuwslopende bezigheid. Het is heel moeilijk om een individu uniek te identificeren in verschillende bronnen. Soms is iemand enkel met initialen weergegeven, soms met een dubbele voornaam en dan weer met één voornaam. Voeg daaraan toe dat de Franse ambtenaren Vlaamse namen dikwijls verbasterden en akoestisch neerschreven. Zulke vergelijking van personen uit verschillende bronnen is een zeer taaie, analytische bezigheid, waarbij men dikwijls uit frustratie zijn kap over de haag gooit. Soms vindt men bv. een 'Jan Hendrickx' in de ene bron en ook in een andere bron, men denkt dat het om dezelfde persoon gaat, maar dan ontdekt men dat er nog twee andere Jan Hendrickx' en zijn, en men kan opnieuw beginnen.

Bronnen

Telling van het jaar IV van Neerlinter, in fotocopie uitgegeven door het Algemeen Rijksarchief

Rijksarchief Anderlecht, Dijledepartement, kohieren van de patentbelasting, jaar V, Municipaal kanton Zoutleeuw, nr. 1012

Rijksarchief Leuven, Schepengriffies Vlaams-Brabant (Neerlinter), 20ste penning Neerlinter, 1793, nr. ?

Rijksarchief Anderlecht, Dijledepartement, Gedwongen lening jaar IV, kanton Zoutleeuw, nr. 1374

De boeren van Kerkom in 1790-1792

Zie mijn vorige bijdrage over de strotelling van 1792. Hier geef ik de inwoners van Kerkom (Boutersem) die stro bezitten, volgens de telling in opdracht van de Staten van Brabant, om te onderzoeken welke dorpelingen stro aan het leger kunnen leveren. Er zijn 22 inwoners die stro bezitten, met een totale hoeveelheid van 191.000 pond. Hun aandeel in de totale bevolking berekenen we aan de hand van de volwassen mannelijke bevolking volgens de volkstelling van 1784: 22 op 137 is 16 %.

Liste begrypende de opregte quantiteyt van Terwe, Coren, Haver en Gerste Stroey door ons Wethouderen van Kerkom bevonden onder onse Jurisdictie, volgens Acte van locaele Visitatie door ons genomen den 17den meert 1792

Boeren met > 20.000 pond stro
Jacobus Wera: 25.500

Boeren met 15.000-20.000 pond stro
Jacobus Van Welde, sone Arnoldi: 19.000
Joannes Tillens: 18.500
Petrus Van Parijs: 17.000
 
Boeren met 10.000-15.000 pond stro
Joannes Villers: 14.000
Weduwe Jan Swinnen: 13.500 
Andreas Van Gramberen: 13.000
Geraard Pardon: 13.000

Boeren met 5.000-10.000  pond stro
Jacobus Van Welde, sone Jacobi: 8.500 
Cornelius Vander Waeren: 8.500
Weduwe Andries Kelcom: 8.050
Joannes Roelants, senior: 6.600
Lucas Geens: 6.050
Joannes Ons: 6.000
Jan Baptist Van Welde: 5.500 

Boeren < 5.000 pond stro
Jacobus Ons: 4.750
Jacobus Roelants, sone Henrici: 2.300
Jan Baptist Van Esch: 1.800 
Joannes Brige (?): 1.500
Anthoen Plis (?): 800
Mathias Coenen: 200

Van deze 22 personen uit de strotelling van maart 1792 kunnen er 7l geïdentificeerd worden in de petitie Declaratie van de Belgike Volkeren uit januari 1790. Er liggen twee jaren tussen deze tellingen, zodat personen overleden of verhuisd kunnen zijn. Andries Kelcom leeft nog in 1790, en wordt in de strotelling van 1792 door zijn weduwe vertegenwoordigd. Jacobus Wera, Jacobus Van Welde en Joannes Ons zijn schepenen van Kerkom volgens de telling uit 1790. Lucas Geens wordt in de petitie vermeld als molder. In de strotelling van 1792 zijn er twee Roelants'en, Jacobus Roelants senior, en Jacobus Roelants, sone Hendrick. Wie daarvan moeten we toewijzen aan de Jacobus Roelants in de petitie? Hier doet zich het belangrijkste probleem voor in de vergelijking van tellingen: het identificeren van individuen met dezelfde voornaam en familienaam. Soms moet je toegeven dat je het niet kan weten. Dit is intellectueel eerlijker dan arbitrair te beslissen voor hetgeen je het best uitkomt.

Qua alfabetisatieniveau is de genoemde Jacobus Roelants in de petitie uit 1790 een randgeval: hij plaatst wel een handtekening, maar met de nodige bibber. Wellicht kon hij niet schrijven en had hij het kunstje geleerd om zijn handtekening onder officiële documenten te plaatsen, omdat kunnen schrijven een groot sociaal prestige had. Petrus Van Parijs is de enige stroboer die in de petitie zijn handtekening niet kon plaatsen.

Bronnen

De strotelling voor Kerkom is terug te vinden in Rijksarchief Anderlecht, Staten van Brabant, Cartons, nr. 283/5. De petitie Declaratie van de Belgike volkeren in hetzelfde fonds, nr. 147.

 

24-09-09

De boeren van Roosbeek in 1790-1792

Het opstellen van een sociale stratificatie van een dorp in de 18de eeuw is geen gemakkelijke opgave. Met sociale stratificatie bedoelt men het rangschikken van de dorpsbewoners volgens inkomen, rijkdom, welvaart. De onderzoeker kan wel aan de hand van bv. de volkstellingen van 1755 en het jaar IV (1796) een beroepsstructuur opstellen, zodat men weet hoeveel boeren, landarbeiders, ambachtslieden er zijn, en die in percentages uitdrukken. Maar dan nog weet men weinig over inkomen en rijkdom. Er waren immers rijke pachtboeren, naast kleine keuterboeren, en ook landarbeiders, herbergiers en ambachtslieden konden part-time een eigen landbouwbedrijfje hebben.

Daarom is het beter een beroep te doen op gegevens die de bevolking indelen naargelang het relatieve bezit van agrarische produktiemiddelen, vooral grond en vee. De fiscale tellingen van 1702 en 1747 geven belangrijke informatie over grondbezit en vee. Ook belastinglijsten, vooral de twintigste penning en dorpsbelastingen op het vee, de opeisingslijsten uit het jaar III (1794) van graan en vee zijn belangrijke bronnen. Maar omdat dit fiscale bronnen zijn is er altijd het gevaar van ontduiking en onderschatting. Dit is echter eigen aan fiscale bronnen, wij mogen niet hyperkritisch zijn, anders wordt elke poging tot het opstellen van een sociale stratificatie in onze dorpen in de kiem gesmoord.

Ook leveringen aan het leger kunnen gebruikt worden om de sociale hiërachie binnen een dorp vast te stellen. Hier bespreek ik zo 'n bron: de strotelling van maart 1792. De Staten van Brabant hielden toen een telling van het stro in de Brabantse dorpen, met het oog op levering daarvan aan het leger. Binnen de dorpen werden lijsten opgesteld met de hoeveelheden tarwe-, haver- en gerststro per inwoner. Deze telling kadert binnen de gespannen relatie tussen het revolutionaire Frankrijk en Oostenrijk. In april 1792 verklaarde Frankrijk de oorlog aan Oostenrijk. Deze strotelling is bewaard gebleven voor de meierijen Kumtich, Halen en Geten.

Hier geef ik de gegevens van deze strotelling voor Roosbeek (deelgemeente van Boutersem). Enkel de totalen worden weergegeven. De groepering in categproieën is ook van mijn hand.

Liste begrypende de opregte quantiteyt van Terwe, Coren, Haver en Gerste Stroey door ons Wethouderen van Roosbeek bevonden onder onse Jurisdictie, volgens Acte van locaele Visitatie door ons genomen den 10den meert 1792

boeren met meer dan 20.000 pond stro
Hendrick Monnoije (29.000), Franciscus Vranckx (20.000), Joannes Vranckx (20.000), Jacobus Dewael (20.000)

boeren met 10.000 - 20.000 pond stro
Weduwe Jan Van Haegendoren (11.700), Francis Van Weddingen, sone Jan (11.000), Francis Geens, molder (11.000), Hendrik Huts (10.500)

boeren met minder dan 10.000 pond stro
Lambertus Festraets (8.000), Hendrik Van Haegendoren (5.500), Francis Festraets (5.000), Lowies Lambrechts (3.600), Guilliam Van Weddingen (2.500), Hendrik Van Weddingen Linde (1.200)

Strobezit is een goede indicator voor veebezit. Er zijn in Roosbeek 14 dorpelingen met in totaal 159.000 pond stro. De strobezitters maken 20% uit van de mannelijke bevolking boven 12 jaar in 1784.

De vier grootste boeren van het dorp zijn Hendrik Monnoije, Franciscus Vranckx, Joannes Vranck en Jacobus Dewael, die in totaal 89.000 pond stro bezitten, d.i. 56% van de totale voorraad. Zijn al deze mensen 'boeren'? Men ziet bv. dat Francis Geens, met 11.000 pond stro, molenaar is. Er is ook een grote afstand tussen de grootste strobezitter Hendrick Monnoije (29.000 pond) en de kleinste strobezitter Hendrik van Weddingen (1.200 pond).  Zijn de kleinere strobezitters niet veeleer landarbeiders of ambachtslieden?

We kunnen deze mensen linken aan de ondertekenaars van de petitie 'Declaratie van de Belgique volkeren' uit 1790. We hebben ze allemaal kunnen terugvinden, op uitzondering van Jan Van Haegendoren die in 1790 nog leefde en in 1792 door zijn  zijn weduwe vertegenwoordigd wordt in de strotelling. Twee stroboeren (Hendrick Monnoije en Joannes Vranckx) zijn schepen in 1790. Van de veertien stroboeren kunnen er twee niet schrijven (Guilliam Van Weddingen en Hendrik Van Weddingen Linde). Dit betekent dat 86% van de stroboeren geletterd zijn. Dit is meer dan 64%, het globale alfabetisatieniveau van de ondertekenaars van de petitie.

Tenslotte, het feit dat al deze stroboeren de petitie van 1790 ondertekenen, betekent dat ze het conservatieve wereldbeeld van de Statisten delen, dat ze niet opgezet zijn met de nieuwlichterijen vand de democraten of de Vonckisten, die geassocieerd werden met de Franse Revolutie. Craeybeckx heeft wellicht gelijk als hij de Brabantse Revolutie als een conservatieve revolutie in een welvarend land bestempelde.

Bronnen

De srotelling uit 1792 voor Roosbeek vindt men in Rijksarchief Anderlecht, Staten van Brabant, Cartons, nr. 283/5 (meierij Kumtich). De petitie uit 1790 voor dezelfde gemeente is te vinden in hetzelfde fonds, nr. 147/19 (in de inventaris van B. Augustyn over de Staten van Brabant ten onrechte als Gaasbeek geïnventariseerd).

F. VANHEMELRYCK (ed.), Revolutie in Brabant 1787-1793, Brussel, 1990.

J. CRAEYBECKX, De Brabantse Omwenteling: een conservatieve opstand in een achterlijk land?, in: Tijdschrift voor Geschiedenis, t. 80; 1967, pp. 303-330.

 

 

20-09-09

Declaratie van de Belgike volkeren (1790)

De Brabantse Revolutie van 1789 had het Oostenrijkse regime ten val gebracht. Maar nu ontstond er een tegensteling tussen de progressieve en conservatieve krachten binnen de Belgische 'patriotten'. De zgn. Vonckisten of democraten wilden een volksvertegenwoordiging kiezen die heel wat democratischer zou zijn dan de oude gesceleroseerde Staten. De zgn. Statisten waren de partij van de gepriviligieerden, die een aantasting van hun prerogatieven vreesden.

De kerk speelde in deze conservatieve stroming een belangrijke rol. Nu vreesde ze de vermeende anti-religieuze intenties van de Vonckisten, die onder invloed stonden van de Franse Revolutie, waar de Nationale Vergadering de bezittingen en privilegies van de Kerk wilde aanpakken. De clerus allieerde zich met de gepriviligieerden en stelde haar enorme morele gezag over de bevolking ten dienste van de conservatieve stroming.

In januari en februari 1790 circuleerde in heel Brabant een petitie met de titel "Déclaration du peuple belgique". De tekst was heel reactionair en duidelijk gericht tegen de Vonckisten, die als verraders van het Vaderland werden bestempeld:

DECLARATIE VAN DE BELGIKE VOLKEREN

Wy ondergeschrevenen inwoonders van       in Brabant, verclaeren by dese dat onse intentie is ende altyt syn sal dat onse Heylige Religie ende Constitutie blyve in hun geheel soo als die van te voren geweest syn ende voor de welke wy ons bloet gestort hebben ende dat onse Heeren die dry Staeten onlangs geswooren hebben te onderhouden, verclaeren verders dat wy geene andere Representanten van de Volkeren en kennen ofte geene andere en begeiren als de dry leden der Staeten volgens onse Constitutie, dat sy voor ende in den naem van de Volkeren moeten bedryven de Souvereyne autorityt die ande Volkeren toe behoort ende dat de Volkeren hun toevetrouwt hebben dat wy diens volgens wel expresselyck protesteren tegens alle het gene men soude bedryven ofte willen bedryven aen onse Religie ende aen onse Constitutie contrarie, verclaeren veraders van het Land ende stoorters der gemeyne ruste alle ende igelyk die soude willen eenige veranderinge ofte nieuwigheden indringen t' sy in de Religie, t' sy in de Constitutie: versoeken de Heeren Staeten te willen vervolgen ofte doen vervolgen deze stoorters de gemeyne ruste.

Gedaen tot        den          1790

De Vonkisten klaagden aan dat de clerus achter dit maneuver zat. Inderdaad, uit sommige formulieren kan men afleiden dat het aartsbisdom achter deze petitie zat. Zo bv. voor Kumtich: "te bestellen in het aertsbisdom tot Malines", de petitie van Sint-Margriet-Houtem vermeldt: "te bestellen in het paleijs van den aertsbisschop tot Brussel".

De handtekeningen werden heel vlug verzameld en de petitie werd overgedragen aan de Staten van Brabant op 17 februari 1790. Volgens de conservatieve Statisten zouden er maar liefst 400.000 handtekeningen verzameld zijn. Andere bronnen spreken van 200.000 handtekeningen.

In het archief van de Staten van Brabant zijn de originele exemplaren van deze petitie voor sommige Brabantse dorpen bewaard gebleven, met handtekeningen. Spijtig genoeg zijn het er zo weinig. Volgens een raming zouden de exemplaren van slechts 17% van de dorpen bewaard zijn gebleven. Het kwartier Antwerpen is heel goed vertegenwoordigd. Er zijn er 15 voor het kwartier Tienen, waarvan 11 voor de meierij Kumtich: Attenrode, Bautersem, Bunsbeek, Butsel, Kumtich, Goetsenhoven, Sint-Margriete-Houtem, Kerkom, Neerheylissem, Neervelp, Opheylissem, Opvelp, Roosbeek, Tielt, Sint-Martens-Vissenaken, Sint-Pieters-Vissenaken. Er zijn weinig formulieren van belangrijke steden. De petitie had blijkbaar het meest succes in rurale regio 's, waar de clerurs nog een sterke greep had op haar onderhorigen.

Het aantal handtekeningen verschilt sterk van plaats tot plaats. In enkele parochies zijn het vooral de notabelen die tekenen: burgemeester, schepenen, pachters, molenaars, herbergiers, etc. Dit is het geval voor Attenrode, Goetsenhoven, Sint-Margriete-Houtem, Neervelp en Sint-Pieters-Vissenaken. 

Welk was de 'penetratiegraad' van deze enquête in de Tiense dorpen? Laten we ons beperken tot de mannelijke ondertekenaars. Als men het aantal mannelijke ondertekenaars in verhouding tot de mannelijke bevolking ouder dan 12 jaar uitzet, dan bekomen wij hetvolgende beeld:

Aantal ondertekenaars <25 %: Goedsenhoven (8%), Sint-Margriete-Houtem (10%), Kumtich (11 %); Kerkom (16%), Sint-Pieters-Vissenaken (20%) Attenrode (23%)

Aantal ondertekenaars tussen 25-50%: Bunsbeek (26%), Neervelp (26%), Sint-Martens-Vissenaken (26%), Bautersem (42%), Butsel (50%)

Aantal ondertekenaars > 50 %: Opheylissem (62%), Tielt (66%), Opvelp (68%), Neerheylissem (73%), Roosbeek (107%)

De dorpen zijn te klein om ons af te vragen of deze verschillen betekenisvol zijn. Ze tonen wel aan dat de lokale geestelijkheid erg succesvol was om hun parochianen deze petitie te laten ondertekenen, gemiddeld 40 % van de mannelijke bevolking ouder dan 12 jaar. Als men de dorpen waar enkel de notabelen ondertekenden (zie hoger) buiten beschouwing laten, dan stijgt dit tot bijna de helft (49%).

Het zou naief zijn om aan de ondertekenaars van deze petitie een al te groot politiek bewustzijn toe te schrijven. De Kerk had op het platteland nog een zeer grote macht over de mensen. Het is niet onwaarschijnlijk dat ongeletterde boeren en landarbeiders onder druk werden gezet om te tekenen.

De petitie laat ook toe de alfabetisatiegraad te onderzoeken, zij die konden schrijven tekenden met hun handtekening.  Zij die dit niet konden, tekenden met een kruisje. Als we de dorpen waar enkel de notabelen obdertekenden buiten beschouwng laten, alsook die dorpen waar er weinig mensen ondertekenden, dan is het percentage geletterden: Bautersem (73%), Roosbeek (63%), Bunsbeek (58%), Butsel (57%), Tielt (54%), Opvelp (47%), Opheylissem (36%), Neerheylissem (35%). Men ziet dat er in dorpen waar meer dan de helft van de mannelijke bevolking de petitie ondertekenden, er een lage geletterdheid is: Opvelp (68% ondertekenaars en 47% alfabetisme), Opheylissem (62% ondertekenaars en 36% alfabetisme) en Neerheylissem (73% ondertekenaars en 35% alfabetisme). Voor Neerheylissem en wellicht ook voor Opheylissem herkent men de zeer sterke invloed van de abdij van Heilissem.

Tot slot, als het u interesseert: als u voorouders in de besproken dorpen hebt, dan is de kans groot dat u uw voorouders tussen deze ondertekenaars van de petitie kunt terugvinden. Alvast een verhaal waarmee u uw familiegeschiedenis kunt verrijken.

Bronnen

De formulieren van deze petitie is terug te vinden in Rijksarchief Anderlecht, Staten van Brabant. Cartons, nr. 149.

SOENEN, M., Un élément d' information sur le taux d' alphabétisation en Brabant à la fin du XVIIIe s.: La Déclaration du Pëuple Belgique de janvier-février 1790, in: Miscellania Lucienne van Meerbeeck, 1991.

TASSIER, S., Les démocrates belges de 1789. Etude sur le Vonckisme et la révolution brabançonne, Brussel, 1931.

 

16-09-09

Kwartier Leuven: administratieve indeling in 1570

Ook als men een dorp of een kleine gebiedsomschrijving in het hertogdom Brabant bestudeert, doet men er goed aan de grotere instellingen en structuren te kennen, waarbinnen dat dorp of de gebiedsomschrijving is ingebed. Belangrijk is een goed begrip van de territioriale omschrijvingen op gerechtelijk, fiscaal en bestuurlijk vlak. Zo weet je waar je bronnen moet zoeken. Zeker voor de middeleeuwen en ook nog voor de 16de eeuw zul je immers weinig bronnen op lokaal niveau aantreffen in het archief van de schepengriffie, en dien je je te behelpen met bronnen van een hiërarchisch hoger niveau.

Op gerechtelijk vlak was het Hageland onderverdeeld in de hoofdmeierijen Leuven en Tienen, waaronder ondergeschikte meierijen ressorteerden. Zo was de hoofdmeierij Tienen onderverdeeld in de ondermeierijen Kumtich, Geten, Halen en Zoutleeuw.

De fiscale en bestuurlijke onderverdeling sloot gedeeltelijk aan bij die gerechtelijke organisatie, maar week er ook van af. Vanaf de late middeleeuwen was het Kwartier het hoogste ressort op bestuurlijk en fiscaal vlak. Zo waren er bv. voor het Vlaamstalig gedeelte van het hertogdom de Kwartieren Antwerpen, Brussel en Leuven, die grosso modo overeenkomen met de latere provincies of arrondissementen. Binnen het Kwartier werd gedeeltelijk aangesloten bij de gerechtelijke ondermeieriijen, maar men maakte van de belangrijke heerlijkheden aparte administratieve entiteiten, de zgn. Landen en smalheren.

Hier geef ik de onderverdeling van het Kwartier Leuven rond 1570, zoals die naar voren komt uit de kohieren van de 100ste penning van de hertog van Alva. Die werden uitgegeven door STABEL en VERMEYLEN. We geven hier enkel de onderverdeling voor het Vlaamstalig gedeelte van het Kwartier Leuven.

Leuven en het Kwartier van Leuven

Leuven

Meierij van Heverlee : Heverlee, Oud-Heverlee en Eigenhoven, Vaalbeek, Bertem, Beisem, Assent, Buken, Blanden 

Meierij van Herent : Herent, Winksele, Veltem, Tildonk, Korbeek-Dijle, Neerijse

Meierij van Lubbeek: Lubbeek, Pellenberg, Korbeek-Lo, Lovenjoel, Dutsel, Sint-Pieters-Rode, Holsbeek, Kortijk-Dutsel, Linden, Loonbeek, Wilsele

Hertogdom van Aarschot: Aarschot, Langdorp, Rillaar, Betekom, Messelbroek, Testelt, Bierbeek, Hamme, Sint-Joris-Weert, Mille

Wezemaal: Wezemaal

Land van Sint-Agatha-Rode: Sint-Agatha-Rode, ottenburg, Nethen, Archennes

Land van Diest; Diest, Kaggevinne

Onder de smalheren van Diest:  Meerhout, Vorst, Hoeleden, Lummen

Land van Zichem: Zichem:  Tielt, Waanrode, Miskom, Bekkevoort, Houwaart, Nieuwrode, Molenbeek-Wersbeek

Tienen

Onder de smalheren van Tienen: Sint-Margriete-Houtem, Stok, Bunsbeek, Vissenaken-Sint-Martens

Meierij van Zoutleeuw: Zoutleeuw

Meierij van Halen: Halen, Sint-Joris-Winge, Kersbeek, Geetbets, Webbekom, Deurne, Kapellen, Zuurbeemde, Glabbeek, Meensel, Attenrode, Wever, Kiezegem, Kortenaken

Meierij van de Gete: Landen, Racour, Hakendover, Laar, Eliksem, Gussenhoven, Walsbets, Wommersom, Overhespen, Neerhespen, Wulversom, Overwinden, Neerwinden, Rumsdorp, Neerlanden, Waasmont, Dormaal, Opheylissem

Onder de smalheren van Geten: Neerheylissem, Waalhoeven, Goetsenhoven, Ezemaal, Wange

Meierij van Kumtich: Kumtich, Oorbeek, Willebringen, Vertrijk, Neervelp, Roosbeek, Vissenaken-Sint-Pieter, Binkom

Onder de smalheren van Kumtich: Boutersem, Butsel, Meldert, L' Ecluse, Kerkom, Opvelp, Oplinter, Neerlinter, Budingen, Molenstede

Bronnen

STABEL, P. en VERMEYLEN, F., Het fiscale vermogen in Brabant, Vlaanderen en in de heerlijkheid Mechelen: de Honderdste Penning van de hertog van Alva (1569-1572), Brussel, 1995, p. 62-70.

 

12-09-09

Het vorstelijk domein van Tienen: rekeningen van de ontvanger

De hertog van Brabant was grootgrondbezitter in de streek van Tienen. Veel grond in die streek was niet in leen uitgegeven en behoorde tot zijn rechtstreeks domein. De domeininkomsten waren het belangrijkste inkomen van de vorst in de middeleeuwen. In de late middeleeuwen werden domaniale inkomsten langzamerhand overvleugeld door belastingen op de onderdanen. In de Nieuwe tijd tenslotte waren belastingen veel belangrijker geworden dan domaniale inkomsten. Maar die domeininkomsten bleven tot het eind van het Ancien Régime bestaan.

De rekeningen van de ontvanger van Tienen zijn vanaf de late 14de eeuw bewaard gebleven. Volgende dorpen behoorden tot het domein Tienen: Glabbeek, Kersbeek, Geetbets, Binkom, Vissenaken, Attenrode, Hakendover, Neerhespen, Neerlanden, Landen, Laar, Meldert, Lubbeek, Ormaal, Halen en Kortenaken.

Het inkomen van de vorst uit het domein van Tienen was van velerlei aard: er waren de cijnzen en erfpachten, verpachtingen van hoeves en gronden, tollen en banrechten op bv. molens, transportkarweien van abdijen en kloosters, etc.

Ik heb een beetje gegrasduind in enkele rekeningen uit de 16de en 17de eeuw, om na te gaan wat je met die bronnen kan doen. Het zijn, zoals te verwachten viel, droge rekeningen. Ze geven ons een goed inzicht in de domaniale rechten en inkomsten van de hertog van Brabant, later de Spaanse Koningen in de streek van Tienen.

Voor genealogen zijn ze nauwelijks interessant, omdat er weinig namen in voorkomen. Voor heemkundigen en lokale historici zijn ze al wat interessanter: voor de vermelde dorpen vind je heel wat gegevens over grondrechten, cijnzen en renten, tollen, etc.  De structuur van de rekeningen verandert blijkbaar nauwelijks doorheen de tijd. Eenmaal je de structuur hebt doorgrond, vind je er gemakkelijk je weg in (aangenomen dat je het duistere schrift leert lezen).

Voor mij persoonlijk zijn er drie dingen interessant: 1) gegevens over herstellingen aan de hertogelijke molens 2) een overvloed van prijsgegevens van  -voornamelijk- landbouwprodukten. 3) een overvloed van (reken)muntgevens en de verhoudingen tussen munten.

Er zijn overvloedige gegevens over de herstellingen aan de hertogelijke molens van Tienen, Halen, Heylissem en Landen. Je krijgt een beter inzicht hoe een molen in elkaar steekt, welke materialen daarbij gebruikt worden, welke ambachtslieden daarvoor nodig zijn, bv. reparagien aende moelen te Haelen: ...stoffe van tymerluden, dachueren van tymmerluden, daghueren van scailedeckers (schaliedekkers), stoffen van plekkers, yserenweerck, Claes Tongen heeft geleyt eenen yseren bant aen den molenboom binnen Halen, dairaen verducht 18 d. groten dats voir mynen genedigen heere derdendeel 7 d. groten...Men vindt dus namen van ambachtslieden in de rekeningen.

Als je geinteresseerd bent in prijsgegevens, kom je in de rekeningen van het domein van Tienen ruimschoots aan je trekken: prijzen van rogge, tarwe, haver, etc., prijzen van kapuinen (gesneden hanen) en "pullen" (kippen).

Zoek je naar muntverhoudingen, om te weten te komen wat oude munten in latere munten waard zijn, dan kom je hier zeker niet van een kale reis thuis. Oude middeleeuse cijnzen bv. bleven eeuwen overanderdlijk uit gedrukt in dezelfde oude munten. Ze werden dan omgereken naar eigentijdse rekenmunt. In de 16de eeuw was dat het pond Brabantse groten: 1 pond Brabantse groten = 20 schellingen Brabantse groten = 240 penningen of denieren Brabantse groten. In de 17de was dat het pond Artois, wat eigenlijk hetzelfde was als het pond van 40 Vlaamse groten (en hetzelfde als de gulden, bestaande uit 20 stuivers, vermits 1 stuiver = 2 Vlaamse groten).

Zo kan je te weten komen wat bv. een oude middeleeuwse cijns van 2 denieren lovensch waard was in ponden, schellingen en penningen Brabantse groten in de 16de eeuw, of hoeveel een middeleeuwse cijns van 20 schellingen payment waard is in ponden Artois in de 17de eeuw. Je kan eventueel vervolgens een cijnsbedrag uitdrukken in liter graan, zodat je weet wat een cijnsbedrag voorstelt in reële termen.

De rekeningen van de ontvanger van Tienen zijn bestudeerd door Eddy van Cauwenberghe, maar dit werk is voor lokale historici niet zo interessant, omdat de studie gaat over het vorstelijk inkomen en niet om lokale toestanden. Maar methodologisch geeft het veel achtergrondinformatie voor een eventuele lokale studie van de domeinrekeningen van Tienen. Er is ook een licentiaatsverhandeling gemaakt over de domeinrekeningen van Tienen in de 16de eeuw, maar die heb ik nog niet ingekeken.

Bronnen:

De domeinrekeningen van Tienen vind je in het Algemeen Rijksarchief Brussel, fonds Rekenkamer, nrs. 4013-4151.

VAN CAUWENBERGHE, E., Het vorstelijk domein en de overheidsfinanciën in de Nederlanden (15de en 16de eeuw), Brussel, 1982.

VAN SETERS, E., Domeinrekeningen van Tienen. Een economisch-conjuncturele analyse 1500-1600, onuitg. lic. verh., KULeuven, 1994-1995.

03-09-09

Rekenmunten in het 14de-eeuwse Brabant

In de late middeleeuwen waren veel verschillende munten in omloop: gouden en zilveren munten, munten met een laag gehalte aan edelmetaal, munten met een hoog gehalte aan edelmetaal, Vlaamse, Brabantse, Luikse, Franse munten, etc. Om al die munten tot één uniforme waardemeter te herleiden, gebruikte men een rekenmunt, een soort fictieve munt gebruikt in boekhoudingen en rekeningen.

Een goed voorbeeld om het concept rekenmunt beter te begrijpen, is de euro. Nu is dit een reële munt, maar voor haar introductie in 2000, was dit een rekenmunt, gebaseerd op de waarde van de verschillende Europese munten, zoals de Belgische frank, de Hollandse gulden, de Duitse mark, de Italiaanse lire, etc. Of omgekeerd, de Belgische frank, die niet meer bestaat, is voor de sommigen van ons nog een imaginaire rekenmunt, waarmee wij waarden in euro omrekenen.

In het 14de eeuwse Brabant werden twee soorten rekenmunten gebruikt:

  • rekenmunten die een vast gewicht aan goud of zilver voorstellen, waarbij men verwijst naar niet meer geslagen munstukken, waarvan gewicht en gehalte algemeen bekend zijn. Men noemt dit reknmunt type A.
  • rekenmunten die gebaseerd zijn op een nog bestaande munt, die van waarde kan veranderen, omdat gehalte en gewicht ervan wijzigingen kunnen ondergaan. Men noemt dit rekenmunt type B.

Algemeen gesproken, werden inkomsten die in nominale termen onveranderlijk bleven -zoals cijnzen-, in rekenmunten met een vast goud- of zilvergehalte uitgedrukt. Daarentegen werden inkomsten die jaarlijks konden veranderen, meestal in rekenmunt met een veranderlijk metalliek basisgewicht uitgedrukt.

Rekenmunten die een vast gewicht aan edelmetaal vertegenwoordigen (rekenmunten type A), zijn o. a.

  • de oude groot = een zware zilvermunt geslagen door de Franse koning Lodewijk IX de Heilige (1226-1270) . Die bevatte 4,22 gr. zilver en was juist gelijk aan 1 schelling tournois of 12 denieren tournois. Hij werd 'oude' groot genoemd om hem te onderscheiden van latere uitgiften van minder gewicht of minder gehalte
  • het oude schild = een gouden muntstuk, geslagen onder koning Filips VI van Frankrijk (1328-1350). Hij had een gewicht van 4,532 gr. fijn goud. Ook hij werd 'oud' schild genoem om hem te onderscheiden van nieuw aangemunte lichtere schilden. Het oude schild was 16 oude groten waard.
  • het pond lovensch, met zijn onderverdelingen schelling lovensch en penning lovensch. 1 penning lovensch = 1/9 oude groot.
  • het pond oud geld. De penning daarvan wordt in de Leuvense stadsrekeningen penning goed geld of oude cijns genoemd, met een waarde van 1/12 oude groot. In cijnsboeken weergegeven met de afkorting 'boon' van 'bonae monetae (goed geld), bv. 2 denieren boon.
  • de oude sterling of ingelsche; aanvankelijk was de sterling een sterke denier, in de 13de eeuw geslagen door de Engelse koning. Later werd de sterling ook in Brabant geslagen. Ook hier het adjectief 'oud' om he te onderscheiden van latere uitgiften met minder allooi. 1 sterling =1/3 oude groot, of 1 oude groot = 3 sterlingen.

Alleen bij rekenmunten die een onveranderlijk gehalte aan edel metaal vertegenwoordigen, zijn er vaste verhoudingen;

  • 1 oude groot = 1/16 oud schild
  • 1 oud schild = 16 oude groot 
  • 1 penning lovensch = 1/9 oude groot
  • 1 penning goed geld (1 denier boon) = 1/12 oude groot
  • 1 oude sterling = 1/3 oude groot

De oude groot en het oude schild waren aanvankelijk klinkende muntstukken. Vanaf het midden van de 14de eeuw werden ze niet meer aangemunt. Maar ze werden verder gebruikt als rekenmunten in boekhoudingen, cijnsboeken en andere documenten, dus als een rekenkundige grootheid waarin men de waarde van goederen, diensten en schulden uitdrukte.

Rekenmunten die gebaseerd waren op een reële, in omloop zijnde munt, die in waarde kon variëren, waren o.a. :

  • rekenmunten gebaseerd op gouden munten: de peter, de frank, de gulden, de nobel, de mottoen
  • rekenmunten gebaseerd op zilveren munten: het pond payment,  het pond Vlaamse groten, en het pond Brabantse groten

Het pond payment 

De basismunt van deze rekenmunt was de zilveren penning payment. Zijn Het pond payment kende de klassieke onderverdeling 1 pond payment = 20 schellingen payment = 240 penningen of denieren peyment, waarbij 1 schelling payment = 12 penningen/denieren peyment. Het payment werd in de boekhoudingen en rekeningen vooral gebruikt voor kleinere bedragen. Het payment was tegelijkertijd ruil- en rekengeld. het was vanaf 1337 het gewone dagelijkse geld van de Brabanders.

In de stadsrekeningen van Leuven werd de waarde van het payment uitgedrukt in termen van de oude groot, maar dan via een medium, een gouden munt: het oude schild, de  mottoen en tenslotte de Peter.

  • bv. op 4 augustus 1349 was 1 oud schild = 4 pond 1 schelling 6 denieren payment
  • bv. in juni 1369: 1 mottoen = 9 ponden 8 schellingen payment
  • bv. in augustus 1393: 1 Peter = 26 ponden 8 schellingen payment.

Het payment kende in de tweede helft van de 14de eeuw een pijlsnelle devaluatie. Dit blijkt uit de Leuvense stadsrekeningen, maar ook uit de rekeningen van de ontvanger van de domeinen van Tienen In 1370 was 1 oude groot = 24 s. 3 d. payment of 291 penningen payment. In 1400 was 1 oude groot = 60 s. payment. of 720 penninsgen payment. Of omgekeerd, zodat de  waardevermindering duidelijker naar voren komt. In 1370 was 1 schelling payment = 1/24 oude groot, en in 1400 nog maar 1/60.

Het pond Vlaamse of Brabantse groten

De groot is, zoals hoger gezegd, een zwaar zilverstuk, geslagen onder de Franse koning Lodewijk IX. Door de grote politieke invloed van de Franse koning, drong de groot in het geldwezen van onze gewesten binnen. De graaf van Vlaanderen en de hertog van Brabant begonnen weldra hun eigen groten te slaan, die aan de basis lagen van de rekenmunt pond Vlaamse groten en het pond Brabantse groten.

  • 1 pond Vlaamse groten = 20 schellingen Vlaamse groten =  240 penningen (of denieren) Vlaamse groten, waarbij 1 schelling Vlaamse groten = 12 penningen/denieren Vlaamse groten
  • 1 pond Brabantse groten = 20 schellingen Brabantse groten =  240 penningen (of denieren) Brabantse groten, waarbij 1 schelling = 12 penningen/denieren Brabantse groten

Weldra begonnen de graaf van Vlaanderen en de hertog van Brabant het zilvergehalte van de groot te verminderen, zodat er 'sterke', 'lichte', 'goede', 'nieuwe' groten in omloop waren. De verhoudingen tussen al die groten zijn te complex om die hier te bespreken. Laten we volstaan met te zeggen dat bv. tussen 1384 en 1390 volgende verhoudingen golden: 1 Vlaamse groot = 3 oude lichte Brabantse groten = 12 schellingen Brabants payment. Pas vanaf de munthervorming van hertog Filips de Goede in 1435 gold een vaste verhouding tussen de Vlaamse groot en de Brabantse groot: 1 Vlaamse groot = 1,5 Brabantse groten.

 

Bronnen:

De beste inleiding tot het moeilijke probleem van rekenmunten in de middeleeuwen vind je in: H. VAN DER WEE en J. MATTERNE, De muntpolitiek in Brabant tijdens de late middeleeuwen en bij de overgang naar de nieuwe tijd, in: VAN DEN EERENBEEMT, H.F.J.M., Bankieren in Brabant, Tilburg, 1987, p. 27-58.

Voor de muntgeschiedenis van het Hageland zijn de werken van VAN UYTVEN en PEETERS van groot belang:

VAN UYTVEN, R., Stadsfinanciën en stadsekonomie te Leuven van de XIIe tot het einde der XVIe eeuw, Brussel, 1961, p. 56-73.

J.P. PEETERS, De financiën van de kleine en secundaire steden in Brabant vand e 12de tot het midden der 16de eeuw, Brussel, 1980, deel 3, p. 530-597.

CAMERLINCKX, F., en HOLEMANS, F., Het cijnsboek van de heren van Aarschot 1368-1375, 1993.

VAN CAUWENBERGHE, E., Het vorstelijk domein en de overheidsfinanciën in de Nederlanden (15de en 16de eeuw), Brussel, 1982.

21:06 Gepost door Hagelandia in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: geld, tienen, hageland, munten, brabant, muntgeschiedenis |  Facebook |

01-09-09

Heerlijkheden in het Hageland: verpanding in de 16de eeuw

In vorige bijdrage heb ik gesproken over de verpanding van dorpen en heerlijkheden in de 16de eeuw, waardoor die aan de rechtsmacht van de meier van Kumtich werden onttrokken. Concreet betekent dit voor de onderzoeker van de criminele justitie, dat we geen gegevens meer terugvinden voor de betreffende dorpen in de rekeningen van de meier. Misdrijven die op het territorium van een verpande heerlijkheid plaatsvonden, werden gevonnist door de officieren van de heer. Als je geluk hebt, kan je daarover gegevens terugvinden in het heerlijkheidsarchief of het familiearchief van de heer, maar dit is enkel het geval als het om een belangrijke heerlijke familie gaat.

Meer algemeen, voor de studie van de criminaliteit op het platteland in het hertogdom Brabant hebben we relatief veel gegevens tot ongeveer 1560, toen dorpen massaal als heerlijkheden met hoge rechtsmacht werden verpand onder koning Filips II. Van dan af, voor de late 16de, 17de en 18de eeuw, is het heel moeilijk om gegevens te vinden over criminele justieie op het platteland, tenzij voor heerlijkheden in handen van grote adellijke families, zoals bv. de Croy 's en Arenbergs in het hertogdom Aarschot.

Laten we eens enkele verpandingen in de meierij Kumtich nader bekijken. In 1505, onder Filips de Schone, werden vier dorpen, met alle rechten die de kroon daar bezat, verpand. Roosbeek en Vertrijk kwamen in handen van M. de Croy, graaf van Porcien. Jan Uuterliemingen verwierf voor 200 Filipsgulden Willebringen, en Jan de Hertoge verwierf de rechten in Sint-Pieters-Vissenaken. De verpanding van deze vier dorpen was inclusief de hoge rechtsmacht, naast de middelbare en lagere rechtsmacht en de cijnzen die de vorst daar bezat. De betreffende dorpen kwamen in 1550 terug aan het domein.

In het begin van de regering van koning Filips II, tijdens de jaren 1556-1560, werden talloze dorpen uit de meierij Kumtich, inclusief hoge rechtsmacht, verpand. Men moet voor ogen houden dat de kroon niet voor haar plezier of voor die van de adel grote delen van haar domein vervreemdde. Ze deed dit uit financiële noodzaak. In ruil voor het afstaan van haar rechten op plattelandsdorpen, ontving de kroon financiële middelen, waarmee ze de exponentiëel stijgende uitgaven voor het staatsapparaat mede kon financieren. Verpanding van dorpen in de vorm van heerlijkheden was dus een vorm van krediet. Langs de andere kant kregen de pandheren de inkomsten uit die dorpen, maar bovenal het sociaal prestige van een heerlijke titel. Zich 'heer van..' kunnen noemen was een sociaal zeer begerenswaardig goed. Het zou interessant zijn om na te gaan uit welke sociale groepen deze pandhouders behoorden: tot de reeds gevestigde adel, tot de opkomende ambtsadel, of tot de burgerij, die via de verwerving van heerlijkheden tot de adelsstand wilde toetreden?

Volgende dorpen uit de meierij Kumtich werden in de jaren 1556-1560 verpand:

  • Neerbutsel (1556) voor 80 ponden Artois aan Jan de Wittem, baron van Boutersem
  • Binkom (1558) (n.s.) voor 721 ponden Artois aan François de Baillet, heer van Neerlinter
  • Sint-Pieters-Vissenaken (1559) voor 236 ponden Artois aan Jan de Houtem
  • Roosbeek (1559), voor 817 ponden (van 40 Vlaamse groten) aan François de Baillet, heer van Neerlinter (ongedaan gemaakt in 1569)
  • Vertrijk (1559) voor 1122 ponden Artois aan Jean de Houtem, heer van Kwabeek (Vertrijk)
  • Willebringen (1559) voor 792 ponden Artois aan Jean de Limminghe
  • Meldert (1559) voor 1960 ponden Artois (van 40 Vlaamse groten) aan M. d' Oyenbrugge
  • Neervelp (1560) voor 150 ponden Artois aan Thomas van Rollema

Dit waren 'nieuwe' heerljikheden: dorpen die tot dan toe tot het vorstelijk domein behoorden, en nu voor het eerst onder de rechtsmacht van een particuliere heer kwamen te staan, die ook de hoge rechtsmacht had. Maar ook de oude middeleeuwse heerlijkheden zoals Neerlinter en Budingen, die tot dan toe slechts de middelbare justitie bezaten -waarbij het recht van lijf en lid aan de vorst behoorde-, verwierven in die jaren de hoge rechtsmacht. Philippe de Baillet, heer van Neerlinter, kocht die in 1557 voor 500 gulden, en Jean d' Oyenbrugge de Duras, heer van Budingen, verwierf in 1559 voor 450 Ponden Artois de hoge rechtsmacht over Budingen.

Het zou ons te ver voeren om in deze bijdrage de verdere geschiedenis van deze heerlijkheden te beschrijven. Laten we volstaan met te zeggen, dat deze verpandingen in de 16de eeuw als tijdelijk bedoeld waren. De kroon kon altijd -indien zij dat kon of wenste-, deze dorpen opnieuw inkopen, door de pandsom terug te betalen. In de 17de eeuw werden de rechten op veel van deze dorpen definitief aan particuliere heren verkocht.

Wie meer over het verder verloop van deze heerljkheden wil weten, kan altijd terecht in het werk van Wauters (zie hieronder), of in het archief van het Leenhof van Brabant, bewaard in het Rijksarchief Anderlecht.

Bronnen: A. WAUTERS, Géographie et histoire des communes belges. Brussel, 1874 (anastatische herdruk van 1963).

29-08-09

Munten in Hagelandse cijnsboeken uit de 16de eeuw

Cijnsboeken uit het Ancien Régime zijn moeilijk toegankelijk voor lokale historici en genealogen. Niet alleen is er het moeilijk leesbare geschrift. Ook de talloze schrappingen en latere toevoegingen in een ander handschrift zijn niet bevorderlijk voor de leesbaarheid. Tenslotte zijn er de cryptische afkortingen en symbolen, waardoor men geneigd is die slordige kladboekjes -want zo komen ze over- terzijde te schuiven.

Dit is spijtig, want als men de moeite doet deze documenten te doorgronden, dan zijn cijnsboeken waardevolle bronnen voor de genealogie, de toponymie, de bezitsstructuur en de landbouwgeschiedenis.

Een cijnsboek is een lijst van cijnsplichtigen, die in ruil voor het gebruik van een stuk grond, aan een grondbezitter, een heer of een kerkelijke instelling een jaarlijke cijns dienden te betalen. Een cijns is een bedrag in geld of een levering in natura, bv. een bepaalde hoeveelheid haver, of in veel gevallen een aantal kapuinen -gesneden hanen-.

Cijnzen uitgedrukt in geld bleven eeuwen onveranderd. Door de geldontwaarding en de stijgende prijzen werd het inkomen uit cijnzen van de heer in reële termen na verloop van tijd alsmaar lager. En omgekeerd, de last die op de cijnsplichtige boeren drukte, werd lichter. Zodanig dat de cijnzen eerder een symbool werden van de oorspronkelijke afhankelijkheidsverhouding van de cijnsplichtigen ten aanzien van de grondheer.

Ook juridisch werd de cijnsplichtige tenslotte erkend als de bijna-volledige eigenaar van zijn cijnsgoed: hij kon het verkopen en met een rente belasten, maar hij moest dit wel laten registreren in het cijnshof van de heer. Een cijnshof of laathof was een rechtbank van de cijnsplichtigen van een grondheer, waarin alle transacties betreffende de cijnsgoederen werden geattesteerd, en waarin betwistingen rond cijnsgoederen werden beslecht.

Laten we ons hier met de gebruikte munten in cijnsboeken bezighouden. Volgende voorbeelden komen uit het cijnsboek uit 1589 van de Abdij Vrouwenpark voor goederen in Langdorp:

Pieter Dielis te voeren Wouter Sijne iii d(enieren) boon
van een pleck lants, daer een huijs plach op te staene, houdende omtrent 1 1/2 dach(mael)

Anthonis Scutters te voeren Pauwel Peeters xx sch(ellingen) pay(ment)
van huijs ende hoeve

Pieter Dielis moet 3 denieren boon betalen voor 1 1/2 dagmaal gond, d.i.  ongeveer een halve hectare. Anthonis Scutters is 20 schellingen payment verplicht voor een huis en hoeve. Wat betekenen die bedragen en munten? Belangrijk voor het begrijpen van het geld in het Ancien Régime is dat een gedbedrag dikwijls uit twee componenten bestaat: 1) de eenheid: ponden, schellingen en denieren -ook wel penningen genoemd- 2) de gebruikte muntsoort.

Sinds de Karolingers was het geld aldus onderverdeeld: 1 pond = 20 schellingen = 240 denieren, waarbij 1 schelling = 12 denieren. Die verhoudingen golden binnen elke muntsoort. Tot in de 13de eeuw was de denier de enige klinkende munt, die bij betalingen werd gebruikt. Schellingen en ponden waren boekhoudkundige veelvouden van de reële zilveren dienier, om grotere bedragen gemakkelijker te kunnen voorstellen.

Door de heropleving van de handel en het groeiende bestuursapparaat van de vorsten, kwam er een tekort aan geld. De vorsten begonnen dan maar het zilvergehalte van de munten te verlagen. Uit eenzelfde hoeveelheid zilver werden grotere hoeveelheden denieren geslagen, waardoor die een lager zilvergehalte hadden dan de reeds in omloop zijnde denieren.

Dit zette natuurlijk kwaad bloed bij de heren die van cijnzen en andere vaste inkomsten moesten leven. Want als een cijnsplichtige zeg maar drie denieren betaalde met gedevalueerde munstukken, die minder zilver bevatten, dan ging het inkomen van de heer in reële termen achteruit. Hertog Jan I wou aan deze situatie verhelpen. In 1291 bepaalde hij dat de cijnzen aan om het even welke grondheer in Brabant betaald moesten worden in nieuwe denieren, waarbij 3 oude denieren gelijk waren aan 4 oude denieren. 1 oude denier was dus 1,3 nieuwe denieren, of 1 nieuwe denier was 0,75 oude denieren.

Om de daaruit voortspruitende muntverwarring tegent te gaan, werden vanaf de late 13de eeuw adjectieven toegevoegd aan geldbedragen om uit te drukken of het om 'oud' of 'nieuw' geld gaat. Oud geld omschreef men bv. als bone et legalis monete. Men wil benadrukken dat het gaat om 'oud', 'wettelijk' of 'goed' geld. Wanneer men een contract sluit, dan willen de partijen zich beschermen tegen de gedevalueerde en bijgevolg slechte denieren. die meer en meer in de omloop belanden.

Binnen deze ontwikkeling past ons voorbeeld uit het cijnsboek van de Abdij Vrouwenpark uit 1589: een bedrag van 3 denieren boon. 'Boon' is de afkorting van bona moneta, goed geld. Geld van vroeger, dat meer zilver bevatte. Vermits cijnsbedragen eeuwenlang onveranderd blijven, kunnen we concluderen dat deze vercijnzing in de late 13de of vroege 14de eeuw moet gebeurd zijn, toen men zich zorgen begon te maken over de geldontwaarding.

De slechte, gedevalueerde munten werden vanaf het einde van de 13de eeuw uitgedrukt als parve monete. Hiermee wil men de gedevalueerde denieren aanduiden. Ook spreekt men van monete, communiter currentis in Brabatia of penningen paiments, alse altoes in borse gaen sal. Het 'payment' wordt vanaf de 14de eeuw een nieuw rekenmuntsysteem in Brabant, naast vele andere.

Hier komt ons tweede voorbeeld uit het cijnsboek van de Abdij Vrouwenpark uit 1589 op d proppen: Anthonis Scutters moet 20 schellingen payment betalen.  De vercijnsing moet dus ergens vanaf de  14de eeuw hebben plaatsgevonden, toen het payment in Brabant gebruikt werd om bedragen uit te drukken die betaald werden in 'lopend geld', geld dat door muntontwaardingen steeds meer van zijn oorspronkelijke waarde verloor, in tegenstelling tot 'goed geld'.

Als we ons beperken tot onze twee voorbeelden uit het cijnsboek van 1589, 3 denieren 'goed geld', en 20 schellingen payment, kunnen we dan nog achterhalen welke de waarde van die bedragen is? We zouden die oude bedragen moeten kunnen omrekenen naar geld uit die tijd, eind 16de eeuw dus. Gemakshalve maak ik gebruik van het oud cijnsboekje uit de 18de eeuw dat Jan Verbesselt heeft gevonden: Den schat der cheynsen, uitgegeven rond 1745. De auteur ging toen reeds te rade bij een oudere uitgave uit 1689, die op zijn beurt teruggreep op documenten uit de late 16de eeuw. De auteur schreef zijn boekje om tegemoet te komen aan de wensen van vele cijnsheffers, die reeds toen de diverse cijnzen en munten niet goed begrepen. Dus ook de tijdgenoten krabten zich dikwijls net als wij in hun haar bij die archaïsche geldbedragen.

 

Bronnen

Rijksarchief Leuven, Kerkarchief, nr. 9891, Cijnsboek van Abdij Vrouwenpark in Langdorp; 1589.

J.P. PEETERS, De financiën van de kleine en secundaire steden in Brabant vand e 12de tot het midden der 16de eeuw, Brussel, 1980, deel 3, p. 530-597.

J. VERBESSELT, Oude cijnzen, munten en maten, uitgegeven door VVF (overdruk uit Eigen Schoon en de Brabander, 1955)

 

17-08-09

Enkele uitgegeven cijnsboeken uit het Hageland

KEMPENEERS, P., Cijnsboek van het Sint-Germeinskapittel (Tienen), ca. 1698, Tienen, 2008. Zie Website Paul Kempeneers

KEMPENEERS, P., Cijnsboek van de hertog van Brabant in Tienen vernieuwd 1699, Bijdragen van het Hagelands Historisch Documentatiecentrum. Nummer 2, 1995.

KEMPENEERS, P., cijnsboek van de Eerw. Vrouwe Abdis van Vrouwenpark gelegen onder Kumtich, Breisem, Kerkom, Willebringen, Honsem, etc., vernieuwd 1680.

EVERAERTS, W., Het cijnsboek van "Het Hof van Schoenenberghe", gelegen te Lubbeek (1573) (vervolg), in: Oost-Brabant, 1996-1997.

HENDRICKX, J, Cijnsboek en leenboek Hof van Calsteren Neerlinter van 1542, uitgave VVF Tienen.

EVERAERTS, W. "Cijnsboek van Binkom, Kiezegem, Kerkom en omgeving", in: Oost-Brabant, XVI, 1979, p. 101-122 en 177-178.

VRANKEN, P., Rillaar in cijnsboeken, in: Oude Land van Aarschot, 1993.

CAMERLINCKX, F. en HOLEMANS, P., Het cijnsboek van de heren van Aarschot van 1368-1375, Bijdragen tot de geschiedenis van het Land van Aarschot, 9, 1993.

CLAES, F.M., Cijnsboek van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Diest (14de eeuw), 1986.

Het cijnsboek van Jacob de Witte met betrekking tot het Hof van Boerzevael te Lubbeek, in: Oost-Brabant, 1990-1994.

Cijnsboek van Anthoenis de hertoghe 1533. Zie Website Paul Kempeneers

23:31 Gepost door Hagelandia in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: landbouw, hageland, cijnsboeken |  Facebook |