27-12-09

De municipaal agent van Lubbeek meldt zich ziek (januari 1796)

    We hebben het al dikwijls gezegd dat de Franse revolutionairen geen sinecure hadden om in 1795/96 geschikte bestuurders te vinden voor de gemeentelijke plattelandsbesturen. In afwachting van de verkiezingen van 1797 werden deze benoemd door de Centrale administratie van het Dijledepartement. Talrijk waren de uitvluchten waarmee de kandidaten voor de functies van municipaal agent en adjunct trachtten zich eronderuit te werken.

    Neem nu de brief brief die Henri Dillemans, die tot municipaal agent van Lubbeek was benoemd, op 10 januari 1796 aan departementscommissaris Lambrechts schreef, waarin hij de redenen uiteenzette waarom hij die functie niet kon waarnemen: Malgré mon zêle pour le bien public, je me sens de tous chefs incapable de remplir cet emploi: d' abord je ne sais pas la langue française, et je ne peux pas bien lire ni écrire le Flamand, même je ne suis pas en état de dresser une declaration et beaucoup moindre un proces-verbal ou tableau. Ma santé altérée depuis longtemps me defend de vaguer ... aux affaires publiques qui ne sont pas de mon resort...De ongelukkige Dillemans had bij deze brief zelfs een medisch attest gevoegd, waarin de chirurgijn van Lubbeek zijn aanvraag ondersteunde. Wou hij het republikeinse bestuur flutjes wijsmaken, en had hij het op een akkoordje gegooid met de dokter van Lubbeek om hem ziek te verklaren, teneinde zich aan zijn taak te onttrekken? In alle geval, het is duidelijk dat de kandidaten die door de Centrale Administratie van het Dijledepartement waren aangesteld om de plattelandsgemeenten te besturen, niet erg geneigd waren om de hen toevertrouwde taak op zich te nemen.De functies van municipaal agent en adjunct waren niet bezoldigd, hun werk en hun officiële ambt waren moeilijk te combineren, en velen beriepen zich op ziekte. Ook de verplichting om de eed van haat aan het koningschap af te leggen schrikte velen af. 

    Bronnen

    Rijksarchief Anderlecht, Dijledepartement, nr. 2867.