12-09-09

Het vorstelijk domein van Tienen: rekeningen van de ontvanger

De hertog van Brabant was grootgrondbezitter in de streek van Tienen. Veel grond in die streek was niet in leen uitgegeven en behoorde tot zijn rechtstreeks domein. De domeininkomsten waren het belangrijkste inkomen van de vorst in de middeleeuwen. In de late middeleeuwen werden domaniale inkomsten langzamerhand overvleugeld door belastingen op de onderdanen. In de Nieuwe tijd tenslotte waren belastingen veel belangrijker geworden dan domaniale inkomsten. Maar die domeininkomsten bleven tot het eind van het Ancien Régime bestaan.

De rekeningen van de ontvanger van Tienen zijn vanaf de late 14de eeuw bewaard gebleven. Volgende dorpen behoorden tot het domein Tienen: Glabbeek, Kersbeek, Geetbets, Binkom, Vissenaken, Attenrode, Hakendover, Neerhespen, Neerlanden, Landen, Laar, Meldert, Lubbeek, Ormaal, Halen en Kortenaken.

Het inkomen van de vorst uit het domein van Tienen was van velerlei aard: er waren de cijnzen en erfpachten, verpachtingen van hoeves en gronden, tollen en banrechten op bv. molens, transportkarweien van abdijen en kloosters, etc.

Ik heb een beetje gegrasduind in enkele rekeningen uit de 16de en 17de eeuw, om na te gaan wat je met die bronnen kan doen. Het zijn, zoals te verwachten viel, droge rekeningen. Ze geven ons een goed inzicht in de domaniale rechten en inkomsten van de hertog van Brabant, later de Spaanse Koningen in de streek van Tienen.

Voor genealogen zijn ze nauwelijks interessant, omdat er weinig namen in voorkomen. Voor heemkundigen en lokale historici zijn ze al wat interessanter: voor de vermelde dorpen vind je heel wat gegevens over grondrechten, cijnzen en renten, tollen, etc.  De structuur van de rekeningen verandert blijkbaar nauwelijks doorheen de tijd. Eenmaal je de structuur hebt doorgrond, vind je er gemakkelijk je weg in (aangenomen dat je het duistere schrift leert lezen).

Voor mij persoonlijk zijn er drie dingen interessant: 1) gegevens over herstellingen aan de hertogelijke molens 2) een overvloed van prijsgegevens van  -voornamelijk- landbouwprodukten. 3) een overvloed van (reken)muntgevens en de verhoudingen tussen munten.

Er zijn overvloedige gegevens over de herstellingen aan de hertogelijke molens van Tienen, Halen, Heylissem en Landen. Je krijgt een beter inzicht hoe een molen in elkaar steekt, welke materialen daarbij gebruikt worden, welke ambachtslieden daarvoor nodig zijn, bv. reparagien aende moelen te Haelen: ...stoffe van tymerluden, dachueren van tymmerluden, daghueren van scailedeckers (schaliedekkers), stoffen van plekkers, yserenweerck, Claes Tongen heeft geleyt eenen yseren bant aen den molenboom binnen Halen, dairaen verducht 18 d. groten dats voir mynen genedigen heere derdendeel 7 d. groten...Men vindt dus namen van ambachtslieden in de rekeningen.

Als je geinteresseerd bent in prijsgegevens, kom je in de rekeningen van het domein van Tienen ruimschoots aan je trekken: prijzen van rogge, tarwe, haver, etc., prijzen van kapuinen (gesneden hanen) en "pullen" (kippen).

Zoek je naar muntverhoudingen, om te weten te komen wat oude munten in latere munten waard zijn, dan kom je hier zeker niet van een kale reis thuis. Oude middeleeuse cijnzen bv. bleven eeuwen overanderdlijk uit gedrukt in dezelfde oude munten. Ze werden dan omgereken naar eigentijdse rekenmunt. In de 16de eeuw was dat het pond Brabantse groten: 1 pond Brabantse groten = 20 schellingen Brabantse groten = 240 penningen of denieren Brabantse groten. In de 17de was dat het pond Artois, wat eigenlijk hetzelfde was als het pond van 40 Vlaamse groten (en hetzelfde als de gulden, bestaande uit 20 stuivers, vermits 1 stuiver = 2 Vlaamse groten).

Zo kan je te weten komen wat bv. een oude middeleeuwse cijns van 2 denieren lovensch waard was in ponden, schellingen en penningen Brabantse groten in de 16de eeuw, of hoeveel een middeleeuwse cijns van 20 schellingen payment waard is in ponden Artois in de 17de eeuw. Je kan eventueel vervolgens een cijnsbedrag uitdrukken in liter graan, zodat je weet wat een cijnsbedrag voorstelt in reële termen.

De rekeningen van de ontvanger van Tienen zijn bestudeerd door Eddy van Cauwenberghe, maar dit werk is voor lokale historici niet zo interessant, omdat de studie gaat over het vorstelijk inkomen en niet om lokale toestanden. Maar methodologisch geeft het veel achtergrondinformatie voor een eventuele lokale studie van de domeinrekeningen van Tienen. Er is ook een licentiaatsverhandeling gemaakt over de domeinrekeningen van Tienen in de 16de eeuw, maar die heb ik nog niet ingekeken.

Bronnen:

De domeinrekeningen van Tienen vind je in het Algemeen Rijksarchief Brussel, fonds Rekenkamer, nrs. 4013-4151.

VAN CAUWENBERGHE, E., Het vorstelijk domein en de overheidsfinanciën in de Nederlanden (15de en 16de eeuw), Brussel, 1982.

VAN SETERS, E., Domeinrekeningen van Tienen. Een economisch-conjuncturele analyse 1500-1600, onuitg. lic. verh., KULeuven, 1994-1995.

03-09-09

Rekenmunten in het 14de-eeuwse Brabant

In de late middeleeuwen waren veel verschillende munten in omloop: gouden en zilveren munten, munten met een laag gehalte aan edelmetaal, munten met een hoog gehalte aan edelmetaal, Vlaamse, Brabantse, Luikse, Franse munten, etc. Om al die munten tot één uniforme waardemeter te herleiden, gebruikte men een rekenmunt, een soort fictieve munt gebruikt in boekhoudingen en rekeningen.

Een goed voorbeeld om het concept rekenmunt beter te begrijpen, is de euro. Nu is dit een reële munt, maar voor haar introductie in 2000, was dit een rekenmunt, gebaseerd op de waarde van de verschillende Europese munten, zoals de Belgische frank, de Hollandse gulden, de Duitse mark, de Italiaanse lire, etc. Of omgekeerd, de Belgische frank, die niet meer bestaat, is voor de sommigen van ons nog een imaginaire rekenmunt, waarmee wij waarden in euro omrekenen.

In het 14de eeuwse Brabant werden twee soorten rekenmunten gebruikt:

  • rekenmunten die een vast gewicht aan goud of zilver voorstellen, waarbij men verwijst naar niet meer geslagen munstukken, waarvan gewicht en gehalte algemeen bekend zijn. Men noemt dit reknmunt type A.
  • rekenmunten die gebaseerd zijn op een nog bestaande munt, die van waarde kan veranderen, omdat gehalte en gewicht ervan wijzigingen kunnen ondergaan. Men noemt dit rekenmunt type B.

Algemeen gesproken, werden inkomsten die in nominale termen onveranderlijk bleven -zoals cijnzen-, in rekenmunten met een vast goud- of zilvergehalte uitgedrukt. Daarentegen werden inkomsten die jaarlijks konden veranderen, meestal in rekenmunt met een veranderlijk metalliek basisgewicht uitgedrukt.

Rekenmunten die een vast gewicht aan edelmetaal vertegenwoordigen (rekenmunten type A), zijn o. a.

  • de oude groot = een zware zilvermunt geslagen door de Franse koning Lodewijk IX de Heilige (1226-1270) . Die bevatte 4,22 gr. zilver en was juist gelijk aan 1 schelling tournois of 12 denieren tournois. Hij werd 'oude' groot genoemd om hem te onderscheiden van latere uitgiften van minder gewicht of minder gehalte
  • het oude schild = een gouden muntstuk, geslagen onder koning Filips VI van Frankrijk (1328-1350). Hij had een gewicht van 4,532 gr. fijn goud. Ook hij werd 'oud' schild genoem om hem te onderscheiden van nieuw aangemunte lichtere schilden. Het oude schild was 16 oude groten waard.
  • het pond lovensch, met zijn onderverdelingen schelling lovensch en penning lovensch. 1 penning lovensch = 1/9 oude groot.
  • het pond oud geld. De penning daarvan wordt in de Leuvense stadsrekeningen penning goed geld of oude cijns genoemd, met een waarde van 1/12 oude groot. In cijnsboeken weergegeven met de afkorting 'boon' van 'bonae monetae (goed geld), bv. 2 denieren boon.
  • de oude sterling of ingelsche; aanvankelijk was de sterling een sterke denier, in de 13de eeuw geslagen door de Engelse koning. Later werd de sterling ook in Brabant geslagen. Ook hier het adjectief 'oud' om he te onderscheiden van latere uitgiften met minder allooi. 1 sterling =1/3 oude groot, of 1 oude groot = 3 sterlingen.

Alleen bij rekenmunten die een onveranderlijk gehalte aan edel metaal vertegenwoordigen, zijn er vaste verhoudingen;

  • 1 oude groot = 1/16 oud schild
  • 1 oud schild = 16 oude groot 
  • 1 penning lovensch = 1/9 oude groot
  • 1 penning goed geld (1 denier boon) = 1/12 oude groot
  • 1 oude sterling = 1/3 oude groot

De oude groot en het oude schild waren aanvankelijk klinkende muntstukken. Vanaf het midden van de 14de eeuw werden ze niet meer aangemunt. Maar ze werden verder gebruikt als rekenmunten in boekhoudingen, cijnsboeken en andere documenten, dus als een rekenkundige grootheid waarin men de waarde van goederen, diensten en schulden uitdrukte.

Rekenmunten die gebaseerd waren op een reële, in omloop zijnde munt, die in waarde kon variëren, waren o.a. :

  • rekenmunten gebaseerd op gouden munten: de peter, de frank, de gulden, de nobel, de mottoen
  • rekenmunten gebaseerd op zilveren munten: het pond payment,  het pond Vlaamse groten, en het pond Brabantse groten

Het pond payment 

De basismunt van deze rekenmunt was de zilveren penning payment. Zijn Het pond payment kende de klassieke onderverdeling 1 pond payment = 20 schellingen payment = 240 penningen of denieren peyment, waarbij 1 schelling payment = 12 penningen/denieren peyment. Het payment werd in de boekhoudingen en rekeningen vooral gebruikt voor kleinere bedragen. Het payment was tegelijkertijd ruil- en rekengeld. het was vanaf 1337 het gewone dagelijkse geld van de Brabanders.

In de stadsrekeningen van Leuven werd de waarde van het payment uitgedrukt in termen van de oude groot, maar dan via een medium, een gouden munt: het oude schild, de  mottoen en tenslotte de Peter.

  • bv. op 4 augustus 1349 was 1 oud schild = 4 pond 1 schelling 6 denieren payment
  • bv. in juni 1369: 1 mottoen = 9 ponden 8 schellingen payment
  • bv. in augustus 1393: 1 Peter = 26 ponden 8 schellingen payment.

Het payment kende in de tweede helft van de 14de eeuw een pijlsnelle devaluatie. Dit blijkt uit de Leuvense stadsrekeningen, maar ook uit de rekeningen van de ontvanger van de domeinen van Tienen In 1370 was 1 oude groot = 24 s. 3 d. payment of 291 penningen payment. In 1400 was 1 oude groot = 60 s. payment. of 720 penninsgen payment. Of omgekeerd, zodat de  waardevermindering duidelijker naar voren komt. In 1370 was 1 schelling payment = 1/24 oude groot, en in 1400 nog maar 1/60.

Het pond Vlaamse of Brabantse groten

De groot is, zoals hoger gezegd, een zwaar zilverstuk, geslagen onder de Franse koning Lodewijk IX. Door de grote politieke invloed van de Franse koning, drong de groot in het geldwezen van onze gewesten binnen. De graaf van Vlaanderen en de hertog van Brabant begonnen weldra hun eigen groten te slaan, die aan de basis lagen van de rekenmunt pond Vlaamse groten en het pond Brabantse groten.

  • 1 pond Vlaamse groten = 20 schellingen Vlaamse groten =  240 penningen (of denieren) Vlaamse groten, waarbij 1 schelling Vlaamse groten = 12 penningen/denieren Vlaamse groten
  • 1 pond Brabantse groten = 20 schellingen Brabantse groten =  240 penningen (of denieren) Brabantse groten, waarbij 1 schelling = 12 penningen/denieren Brabantse groten

Weldra begonnen de graaf van Vlaanderen en de hertog van Brabant het zilvergehalte van de groot te verminderen, zodat er 'sterke', 'lichte', 'goede', 'nieuwe' groten in omloop waren. De verhoudingen tussen al die groten zijn te complex om die hier te bespreken. Laten we volstaan met te zeggen dat bv. tussen 1384 en 1390 volgende verhoudingen golden: 1 Vlaamse groot = 3 oude lichte Brabantse groten = 12 schellingen Brabants payment. Pas vanaf de munthervorming van hertog Filips de Goede in 1435 gold een vaste verhouding tussen de Vlaamse groot en de Brabantse groot: 1 Vlaamse groot = 1,5 Brabantse groten.

 

Bronnen:

De beste inleiding tot het moeilijke probleem van rekenmunten in de middeleeuwen vind je in: H. VAN DER WEE en J. MATTERNE, De muntpolitiek in Brabant tijdens de late middeleeuwen en bij de overgang naar de nieuwe tijd, in: VAN DEN EERENBEEMT, H.F.J.M., Bankieren in Brabant, Tilburg, 1987, p. 27-58.

Voor de muntgeschiedenis van het Hageland zijn de werken van VAN UYTVEN en PEETERS van groot belang:

VAN UYTVEN, R., Stadsfinanciën en stadsekonomie te Leuven van de XIIe tot het einde der XVIe eeuw, Brussel, 1961, p. 56-73.

J.P. PEETERS, De financiën van de kleine en secundaire steden in Brabant vand e 12de tot het midden der 16de eeuw, Brussel, 1980, deel 3, p. 530-597.

CAMERLINCKX, F., en HOLEMANS, F., Het cijnsboek van de heren van Aarschot 1368-1375, 1993.

VAN CAUWENBERGHE, E., Het vorstelijk domein en de overheidsfinanciën in de Nederlanden (15de en 16de eeuw), Brussel, 1982.

21:06 Gepost door Hagelandia in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: geld, tienen, hageland, munten, brabant, muntgeschiedenis |  Facebook |